ECLI:NL:GHSHE:2026:1755

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
20-001548-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte vernieling wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter in Roermond vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van vernieling van een deur die toebehoorde aan een ander. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf en de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Tijdens het onderzoek in hoger beroep heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de pleidooien van de verdediging. Het hof heeft geoordeeld dat de enige aanwijzing voor betrokkenheid van de verdachte de aangetroffen DNA-sporen zijn, maar dat dit onvoldoende is om het daderschap boven redelijke twijfel te bewijzen. Er is geen aanvullend bewijs gevonden dat de verdachte met de vernieling verbindt.

Daarom heeft het hof de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen, omdat de verdachte niet is veroordeeld voor het nieuwe feit. Het vonnis is op 26 juni 2026 uitgesproken door de meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van vernieling wegens onvoldoende bewijs; vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001548-24
Uitspraak : 26 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 juni 2024, parketnummer 03-073315-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 16-331378-21, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van het ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 14 uren, subsidiair 7 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer
16-331378-21 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 9 dagen jeugddetentie, en deze omgezet in een werkstraf voor de duur van 18 uren, subsidiair 9 dagen jeugddetentie.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte van het tenlastegelegde vrij zal spreken en de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is verzocht deze af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 december 2023 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een deur, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt en/of heeft weggemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Hoewel de aangetroffen DNA-sporen in combinatie met de plek waar deze zijn aangetroffen weliswaar een aanwijzing zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij de vernieling, is dat ook het enige bewijsmiddel dat de verdachte aan de vernieling verbindt. Overig (aanvullend) bewijs of aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte heeft het opsporingsonderzoek niet opgeleverd. Het hof concludeert dat het daderschap van de verdachte daardoor niet boven redelijke twijfel verheven is en spreekt hem vrij van hetgeen hem verweten wordt.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie van het arrondissementsparket Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijk straf, te weten 9 dagen jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 juni 2022, onder parketnummer 16-331378-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Limburg van 6 mei 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2022, parketnummer 16-331378-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 9 dagen jeugddetentie.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.