ECLI:NL:GHSHE:2026:1788

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
20-002539-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op drugssmokkelzaak met toepassing volwassenstrafrecht

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, meermalen gepleegd. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd wat betreft de bewezenverklaring, maar de straf verminderd tot 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

De verdachte speelde volgens het hof een beperkte rol als incidentele koerier en was bestuurder van het voertuig waarin circa 6760 gram MDMA en 5160 gram heroïne werden aangetroffen met bestemming Frankrijk. Het hof benadrukte de ernst van de drugshandel en de maatschappelijke gevolgen daarvan, waaronder drugsafhankelijkheid en criminaliteit.

Hoewel de verdediging pleitte voor toepassing van het adolescentenstrafrecht vanwege de jonge leeftijd en vermeende beïnvloeding, oordeelde het hof dat de verdachte reeds een zelfstandig bestaan leidde, met eigen inkomsten en geen kinderlijk gedrag vertoonde. Daarom werd het volwassenstrafrecht toegepast.

Het hof hield rekening met het justitiële verleden van de verdachte, dat geen eerdere veroordelingen bevatte, en met landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De opgelegde straf weerspiegelt de ernst van het feit en de beperkte rol van de verdachte, met een gedeeltelijk voorwaardelijke straf om recidive te voorkomen.

De uitspraak werd op 3 juli 2026 door het hof 's-Hertogenbosch gewezen, waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en in die zin opnieuw recht werd gedaan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002539-25
Uitspraak : 3 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-176439-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
thans verblijvende in P.I. Dordrecht te Dordrecht.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met verbeterde lezing van de kwalificatie van de bewezenverklaring en behalve voor wat betreft de opgelegde straf. Het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoen.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Gelet op de bewezenverklaring van de rechtbank – waarmee het hof zich verenigt – die onmiskenbaar leidt tot de navolgende kwalificatie, wordt het bewezenverklaarde (met verbeterde lezing) dienovereenkomstig gekwalificeerd als:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft het hof verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte slechts een beperkte rol als koerier heeft gespeeld en als jonge jongen is beïnvloed en gebruikt door anderen. Hij voerde slechts instructies uit waardoor anderen buiten schot bleven. De raadsman heeft het hof verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen, gelet op zijn handelingsvaardigheden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit om, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 24 tot 28 maanden.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van ongeveer 6760 gram MDMA en 5160 gram heroïne. De verdachte was bestuurder van het voertuig waarin de verdovende middelen werden aangetroffen en had bestemming Frankrijk. Dit is een ernstig feit. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan en het in stand blijven van internationale drugshandel en daarmee ook aan drugsafhankelijkheid bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar wordt gebracht. De illegale handel in harddrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat in Nederland wordt gevoerd om het drugsgebruik te reguleren, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast in binnen- en buitenland. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft.
Hoewel de reclassering in het rapport van 4 juni 2026, kijkend naar verdachtes handelingsvaardigheden en pedagogische mogelijkheden en op basis van de beperkte informatie geen gedegen advies heeft kunnen geven omtrent het al dan niet toepassen van het jeugdstrafrecht, is het hof van oordeel dat is gebleken dat de verdachte – hoewel nog inwonend bij zijn ouders – reeds een in grote mate zelfstandig bestaan heeft geleid, met een eigen baan en niet meer onder de zorg van zijn ouders. Hij beheerde zijn eigen financiën, verdiende maandelijks ongeveer 2000 euro en bekostigde hiervan kleding, zijn telefoonkosten en vakanties. Niet is gebleken dat de verdachte kinderlijker gedrag vertoont dan gezien zijn kalenderleeftijd kan worden verwacht. Thans, met een blik op de toekomst, wil de verdachte deels gaan werken en gaan studeren op het gebied van (de installatie van) airconditioning. Daarmee ziet het hof onvoldoende eenduidige signalen om de verdachte onder het jeugdstrafrecht te laten vallen. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten om het adolescentenstrafrecht toe te passen en zal daarom – overeenkomstig de meervoudige kamer van de rechtbank – het volwassenstrafrecht toepassen.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 juni 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken.
Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf in geval van in- en uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 10 tot 20 kilo, een gevangenisstraf voor de duur van 48 tot 60 maanden.
Het hof neemt in de strafoverweging mee dat er geen, althans onvoldoende, aanwijzingen zijn dat de verdachte (reeds) een verdergaande rol had dan als incidentele koerier van de drugs en niet is gebleken dat de verdachte een vast onderdeel uitmaakte van een organisatie.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 3 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.