ECLI:NL:GHSHE:2026:1835

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
20-002037-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens diefstal met geweld, mishandeling en verboden wapenbezit op festival

Op 26 april 2024 heeft verdachte tijdens het Free Your Mind festival in Bosschenhoofd een gouden ketting van het slachtoffer met geweld weggenomen. De verdachte gebruikte pepperspray en sloeg het slachtoffer met een gebalde vuist, waarna hij vluchtte. De verdediging voerde noodweer aan, maar het hof verwierp dit omdat de verdachte de ketting eerst wederrechtelijk had toeëigend.

Het hof achtte de verklaringen van een objectieve getuige, een beveiliger, betrouwbaar en overtuigend bewijs voor de diefstal met geweld. De mishandeling met pepperspray en vuistslag werd eveneens bewezen verklaard. Het bezit van een busje pepperspray, een verboden wapen van categorie II, werd ook bewezen.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, mede vanwege recidive in Italië. Daarnaast werd de pepperspray onttrokken aan het verkeer. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €1.353,11 toegewezen voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 26 april 2024. De vordering voor de waarde van de ketting werd niet-ontvankelijk verklaard en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf en schadevergoeding voor diefstal met geweld, mishandeling en verboden wapenbezit.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002037-24
Uitspraak : 24 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-143321-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van een beslissing op het beslag en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de onder de verdachte in beslag genomen bus pepperspray zal onttrekken aan het verkeer.
De verdediging heeft:
  • integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit;
  • een beroep op noodweer gedaan ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit;
  • zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit;
  • in geval van een veroordeling ter zake van de feiten 2 en 3 telkens verzocht te volstaan met oplegging van een geldboete conform de LOVS-oriëntatiepunten;
  • zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het beslag;
  • zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] primair op het standpunt gesteld dat het hof de vordering zal afwijzen dan wel
niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair is verzocht de vordering te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring (van het onder 1 tenlastegelegde) komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 april 2024 in de gemeente Halderberge (te Bosschenhoofd) een gouden ketting, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door onverhoeds met kracht die ketting van de nek en/of de hals en/of het lichaam van die [aangever] los te rukken en/of te trekken;
2.
hij op of omstreeks 26 april 2024 in de gemeente Halderberge (te Bosschenhoofd) [aangever] heeft mishandeld door een hoeveelheid pepperspray en/of traangas, in elk geval een daarop gelijkende bijtende en/of traanverwekkende stof, te spuiten en/of te sproeien en/of aan te brengen in/op/tegen de ogen en/of het gezicht van die [aangever] en/of met kracht met gebalde vuist op/tegen de kaak en/of het gezicht en/of hoofd en/of lichaam en/of de bril van die [aangever] te slaan en/of te stompen en/of te stoten;
3.
hij op of omstreeks 26 april 2024 in de gemeente Halderberge (te Bosschenhoofd) een wapen van categorie II, onder 6, van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en/of soortgelijke stoffen, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 26 april 2024 in de gemeente Halderberge (te Bosschenhoofd) een gouden ketting, die aan [aangever] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door onverhoeds met kracht die ketting van de hals van die [aangever] los te rukken en/of te trekken;
2.
hij op 26 april 2024 in de gemeente Halderberge (te Bosschenhoofd) [aangever] heeft mishandeld door een hoeveelheid pepperspray te spuiten in/op/tegen de ogen en het gezicht van die [aangever] en met kracht met gebalde vuist tegen de kaak van die [aangever] te slaan;
3.
hij op 26 april 2024 in de gemeente Halderberge (te Bosschenhoofd) een wapen van categorie II, onder 6, van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende stoffen, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van feit 1
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de gouden ketting van aangever [aangever] niet heeft gestolen en dat deze ketting ook niet bij hem is aangetroffen. De andersluidende aangifte en getuigenverklaringen zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. Met name de verklaring van de getuige [getuige] staat haaks op de overige verklaringen. Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Aangever [aangever] heeft verklaard dat zijn gouden ketting is gestolen op 26 april 2024 tijdens het Free Your Mind festival in Bosschenhoofd. Hij voelde dat de ketting van achteren van zijn hals werd getrokken.
De getuige [getuige] is zowel door de politie als de raadsheer-commissaris van het hof gehoord en heeft gedetailleerd verklaard over hetgeen hij op 26 april 2024 gedurende het festival heeft waargenomen. Hij heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte op enig moment de ketting van de hals van aangever [aangever] heeft afgetrokken, dat de verdachte met de ketting in de hand is weggerend en dat hij erachteraan is gerend. Voorts heeft hij verklaard dat de man die later werd aangehouden – de verdachte – dezelfde man is die de ketting heeft gestolen. Het hof heeft geen aanleiding aan deze verklaringen van de getuige te twijfelen. [getuige] heeft, als objectieve getuige, verklaard dat het wegnemen van de ketting naast hem gebeurde en dat hij de verdachte goed heeft kunnen zien. Anders dan de verdediging, acht het hof zijn verklaring derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof betrekt daarbij te meer ook de omstandigheid dat de getuige beveiliger van beroep is, waardoor hij ervaring heeft in het nauwkeurig waarnemen van dergelijke situaties. De verklaringen van [getuige] bieden derhalve steun aan de aangifte van [aangever] . Dat de desbetreffende gouden ketting van [aangever] niet bij de verdachte is aangetroffen tijdens zijn aanhouding, doet aan het vorenstaande niet af, nu het goed mogelijk is dat de verdachte zich van de ketting heeft ontdaan tijdens zijn vlucht door de drukte van het festivalpubliek.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en acht de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2
De verdediging heeft ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde mishandeling een beroep op noodweer gedaan en verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke aanranding van de verdachte toen de aangever op hem af kwam lopen en hem wilde fouilleren. Deze aanval op de verdachte was niet gerechtvaardigd en hij heeft zich hiertegen verdedigd door met pepperspray te spuiten en een klap aan de aangever uit te delen. De verdachte heeft zichzelf slechts verdedigd teneinde te kunnen ontkomen.
Het hof merkt in de eerste plaats op dat een geslaagd beroep op noodweer zal leiden tot vrijspraak van het tenlastegelegde in plaats van ontslag van alle rechtsvervolging, vanwege het alsdan ontbreken van de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte. Het verweer van de verdediging wordt derhalve als een bewijsverweer aangemerkt en op deze plaats besproken.
Voorts overweegt het hof dat voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen (of eens anders) lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt mede besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit het dossier volgt dat de verdachte de gouden ketting van aangever [aangever] heeft weggenomen, zoals wettig en overtuigend bewezen is verklaard onder 1. Hierop is [aangever] op de verdachte afgelopen, teneinde hem te willen fouilleren in de hoop zijn ketting terug te krijgen. De verdachte heeft vervolgens een door hem meegebrachte bus pepperspray tevoorschijn gehaald en daarmee in het gezicht van [aangever] gespoten. Vervolgens heeft de verdachte ook nog met gebalde buist tegen de kaak van [aangever] geslagen. Daarna is de verdachte (met medeneming van de ketting) weggerend.
Het hof is van oordeel dat de verdachte deze gedragingen – het spuiten met pepperspray in het gezicht van [aangever] en het slaan tegen diens kaak – niet heeft verricht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van aangever [aangever] . Immers, reeds gelet op de omstandigheid dat de verdachte de ketting van [aangever] zich wederrechtelijk had toegeëigend, was naar het oordeel van het hof geen sprake van een noodweersituatie. Nu daarvan geen sprake is, kan het beroep op noodweer reeds niet slagen.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en acht de onder 2 tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich – op wat een gezellig festival had moeten zijn – schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving van een waardevolle ketting. Hij heeft het slachtoffer met de vuist tegen diens kaak geslagen en pepperspray, dat hij kennelijk bij zich had, gebruikt. De verdachte heeft daarmee laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en bovendien een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof heeft bij de straftoemeting ook gelet op de omstandigheid dat sprake is van recidive. Hoewel de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 februari 2026, in Nederland niet eerder is veroordeeld, volgt uit het zich in het dossier bevindende uittreksel uit ECRIS (European Criminal Records Information System Justitiële Documentatie) d.d. 15 juli 2024 dat de verdachte in zijn thuisland Italië op 14 september 2020 is veroordeeld ter zake van diefstal met geweld en het veroorzaken van ernstig lichamelijk letsel, welke veroordeling onherroepelijk is met ingang van 1 oktober 2020. Het is derhalve niet de eerste keer dat de verdachte zich aan een vermogens- en geweldsdelict schuldig heeft gemaakt.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte, samen met zijn zoon, bij zijn moeder in Italië verblijft en fulltime in de [werkplaats] werkt. Hij heeft geen band met Nederland en was hier slechts op vakantie, aldus zijn raadsman.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een ‘tasjesroof met een enkele duw/ruk’ een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als passend beschouwd en voor een ‘straatroof met licht geweld’ een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Het hof is van oordeel dat de onderhavige diefstal met geweld (feit 1) daar qua ernst tussenin zit, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden als uitgangspunt kan worden genomen. Daarbij is echter nog geen rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van recidive en voorts niet met de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten, te weten een mishandeling en het voorhanden hebben van pepperspray.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de in eerste aanleg door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, laat staan met hetgeen door de verdediging is verzocht. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat sprake is van recidive, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De hierna te noemen onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven bus pepperspray, met betrekking tot hetwelk het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 7.878,11. Dit bedrag bestaat uit € 7.378,11 aan materiële schade (onderverdeeld in 4 schadeposten) en € 500,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen en duurt derhalve in hoger beroep van rechtswege voort.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 1.353,11. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Materiële schade
Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van de navolgende materiële schadeposten:
een bedrag van € 28,11 ter zake van de kosten van een ongebruikt festivalkaartje;
een bedrag van € 25,00 ter zake van de kosten van ongebruikte festivalmuntjes;
een bedrag van € 800,00 ter zake van een kapotte zonnebril;
een bedrag van € 6.525,00 ter zake van een gestolen ketting.
Het hof is van oordeel dat de schadeposten genoemd onder nummers 1 en 2 in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde, voldoende door de benadeelde partij zijn onderbouwd en voorts dat deze inhoudelijk niet door de verdediging zijn betwist. Het hof acht deze twee schadeposten derhalve toewijsbaar.
Ten aanzien van de onder nummer 3 gevorderde kosten van een kapotte zonnebril is door de verdediging naar voren gebracht dat sprake is van enige mate van eigen schuld van de benadeelde partij, nu de benadeelde partij de zonnebril ter reparatie had moeten aanbieden aan een opticien in plaats van te trachten de zonnebril zelf te repareren, waardoor de schade uiteindelijk groter is geworden.
Het hof overweegt dat de vergoedingsplicht van de verdachte inderdaad vermindert indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Echter, uit de bewijsmiddelen volgt dat de zonnebril door toedoen van de verdachte kapot is gegaan en dat de benadeelde partij daarin geen aandeel heeft gehad. Dat de benadeelde partij vervolgens heeft getracht zelf de zonnebril te repareren door het montuur recht te buigen, hetgeen mislukte, maakt dat oordeel niet anders, te meer de schade niet alleen zag op de poten van de zonnebril, maar er door toedoen van de verdachte ook krassen op het glas van die bril zijn gekomen. Van enige mate van eigen schuld van de benadeelde partij is derhalve geen sprake. Het hof acht de onder nummer 3 genoemde schadepost derhalve toewijsbaar.
De vierde schadepost ziet op vergoeding van de door de verdachte gestolen gouden ketting, zoals bewezenverklaard onder feit 1. Het hof heeft, mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, onvoldoende objectieve informatie uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep verkregen over de exacte waarde van deze gouden ketting. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering van de benadeelde partij kan daarom thans in dit deel niet worden ontvangen en de benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 500,00 gesteld. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 bewezenverklaarde mishandeling. Immers, de benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit rode en geïrriteerde ogen door de door de verdachte gebruikte pepperspray, waardoor de benadeelde partij bovendien enige tijd slecht zag, en een beurse plek op de kaak vanwege de door de verdachte gegeven vuistslag. Deze schade is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt en is bovendien niet inhoudelijk door de verdediging betwist. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht het hof het gevorderde bedrag van € 500,00 billijk en daarom geheel toewijsbaar.
Resumé
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van
(€ 28,11 + € 25,00 + € 800 + € 500,00 =) € 1.353,11. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof gaat daarbij voor zowel de materiële als de immateriële schade uit van de pleegdatum, te weten 26 april 2024.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
De vordering van de benadeelde partij zal in de meergevorderde materiële schade (een bedrag van € 6.525,00) niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 1.353,11. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 bus pepperspray (omschrijving: PL2000-2024103998-G2719825).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.353,11 (duizend driehonderddrieënvijftig euro en elf cent),bestaande uit
€ 853,11 (achthonderddrieënvijftig euro en elf cent) materiële schadeen
€ 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de
wettelijke rentevanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.353,11 (duizend driehonderddrieënvijftig euro en elf cent),bestaande uit
€ 853,11 (achthonderddrieënvijftig euro en elf cent) materiële schadeen
€ 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de
wettelijke rentevanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de
gijzelingop ten hoogste
13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de
aanvangsdatumvan de
wettelijke rentevoor de materiële en de immateriële schade op
26 april 2024.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. G.J. Hanssen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.