ECLI:NL:GHSHE:2026:1857

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
20-003994-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 47 Sr
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ladingdiefstal, opzetheling en deelname criminele organisatie

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen met braak, medeplegen van opzetheling van laptops, sigaretten, parfum, telefoons en tablets, en deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van ladingdiefstallen en heling.

Het onderzoek toonde aan dat de verdachte samen met medeverdachten een duurzaam samenwerkingsverband vormde, waarbij zij panden en voertuigen huurden en gebruikten om de criminele activiteiten te faciliteren. Diverse bewijsmiddelen, waaronder telefoongegevens, foto's, getuigenverklaringen en observaties, bevestigden de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstallen en heling van goederen met een totale waarde van honderdduizenden euro's.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte medepleegde aan de diefstal van 30 laptops uit een oplegger in Tilburg, de heling van sigaretten en parfum, en de heling van honderden telefoons en tablets. De verdachte gaf geen aannemelijke verklaring voor zijn betrokkenheid of het bezit van de gestolen goederen.

Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, het georganiseerde karakter van de misdrijven, het blanco strafblad van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De opgelegde straf bedraagt 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Tevens werden beslissingen genomen over beslag, onttrekking aan het verkeer en verbeurdverklaring van inbeslaggenomen goederen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van ladingdiefstal, opzetheling en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003994-18
Uitspraak : 15 juli 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 december 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-993319-17 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van:
  • diefstal door twee of meer verenigde personen, waar de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak (feit 1 primair);
  • medeplegen van opzetheling (feit 2);
  • medeplegen van opzetheling (feit 3);
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 4),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank beslist op het beslag.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft (na wijziging van de tenlastelegging voor wat betreft feit 3), gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om het beslag conform de rechtbank af te doen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de raadsvrouw verzocht te oordelen conform het vonnis van de rechtbank.
Vonnis waarvan beroep
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd in die zin dat een subsidiair feit (te weten: eenvoudig witwassen) is toegevoegd aan het onder feit 3 tenlastegelegde. Het hof realiseert zich dat in beginsel een wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep leidt tot vernietiging van het vonnis van de eerste rechter. Het hof is evenwel van oordeel dat, nu het hof zich, zoals hierna te melden, zal scharen achter de door de rechtbank gegeven bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en daardoor niet zal toekomen aan een beoordeling van het subsidiair tenlastegelegde, het vorenstaande niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank behoeft te leiden.
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust, zulks op na te melden wijze, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op het beslag. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Daarnaast zal het hof de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder feit 1 primair tenlastegelegde verbeterd lezen. Tot slot zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gegrond, vervangen door de hierna opgenomen artikelen.
Verbeterde lezing van de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 1 primair
Het hof komt tot een verbeterde lezing van de bewezenverklaring van feit 1 primair voor wat betreft het delictsbestanddeel ‘verbreking’, nu uit de bewijsmiddelen (te weten: de aangifte van [aangever 1] , namens [bedrijf 1] , in combinatie met het relaas proces-verbaal en een opname beeld) volgt dat de laptops zijn ontvreemd uit de vrachtauto nadat er een scheur in de zijkant van het zeil van de oplegger was gemaakt en de verzegeling (van dat zeil) was verbroken. De bewezenverklaring wordt in zoverre zo ook in overeenstemming gebracht met de kwalificatie van feit 1 (pagina 14 van het vonnis) waarin door de rechtbank al werd uitgegaan van ‘braak’.
Deze verbetering van de bewezenverklaring betreft -naast enkele taalkundige aanpassingen- een juridisch-technisch punt en houdt niet een ander oordeel omtrent de aard en omvang van hetgeen ten laste van de verdachte bewezen is. Het toepasselijke strafmaximum blijft ook ongewijzigd. De verdachte is door de verbeterde lezing dan ook niet in zijn belangen geschaad.
De bewezenverklaring van feit 1 primair komt te luiden:
in de nacht van 1 op 2 november 2017 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een trekker/opleggercombinatie heeft weggenomen dertig (30) laptops, toebehorende aan een ander dan aan verdachte of verdachtes mededader, terwijl verdachte en verdachtes mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Het hof ziet voorts reden om de kwalificatie van het bewezenverklaarde te verbeteren en verbeterd te lezen in die zin dat voor het woord ‘waar’ wordt gelezen: ‘waarbij’.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt in de bewijsmiddelenbijlage op pagina’s 18 tot en met 46 van het vonnis, zijn begrepen in de door het hof uit te spreken bevestiging van het vonnis waarvan beroep, doch met verbetering en aanvulling daarvan zoals hieronder weergegeven.
Anders dan de rechtbank, zal het hof de vermeldingen in de bewijsmiddelenbijlage op welk feit of welke feiten de desbetreffende bewijsmiddelen in het bijzonder betrekking hebben, schrappen. Concreet zullen de tussenkopjes met die strekking, zoals vermeld in de bewijsmiddelenbijlage op de pagina’s 18, 20, 26 en 34 door het hof worden geschrapt.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – echter nog steeds slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
I.
Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgende bewijsmiddel: ‘
het relaas proces-verbaal ‘zaaksdossier [naam zaaksdossier ]’,
pag. 5 1122, 5 1123 en 5 1124voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 2 november 2017 werd door [aangever 1] namens het bedrijf [bedrijf 1] aangifte gedaan van ladingdiefstal. Als bijlage zijn bij de aangifte foto's gevoegd van de doorgeknipte verzegeling en de schade aan het zeil van de oplegger. Op 29 november 2017 werd bij [verdachte] een GSM merk [telefoon 1] inbeslaggenomen. Uit onderzoek aan deze GSM is gebleken dat:
o er 2 foto’s op stonden van een stapel kartonnen dozen met barcodesticker en inhoudsinformatie, foto gemaakt op 2 november 2017 om 18:30 uur;
o er 2 foto’s op stonden van een soort vrachtbrieven met tracking nummers, itemnummers en omschrijvingen: [computermodel 1] en [computermodel 2] , gemaakt op 2 november 2017 omstreeks 18:30 uur;
o er 1 foto op stond van een handgeschreven briefje met daarop: “" [computermodel 3] " en " [computermodel 2]
II.
Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgende bewijsmiddel:
Een opname van beeld als bedoeld in artikel 567 van Pro het Wetboek van Strafvordering, te weten een foto, pag. 5 1135(gevoegd achter de aangifte van [aangever 1] namens [bedrijf 1] ), voor zover inhoudende:
Zichtbaar zijn een (geplastificeerde) staalkabel in lus-/knoopvorm, met aan een zijde een metalen sluiting, met daaraan een groen zegel, waaraan zich een stuk dunnere korte (ijzer)draadkabel bevindt. Aan de andere zijde van de staalkabel bevindt zich ook een stuk dunnere (ijzer)draadkabel.
III.
Het hof verbetert in het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel
‘het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 17 april 2018, pag. 5 1156 en 5 1178(opgenomen op pagina 20 van het vonnis), – in de vierde regel – “58+,” door: “S8+”.
IV.
Het hof verbetert in het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel
‘de verklaring van [verhuurder] , afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 18 september 2018(opgenomen op pagina 26 van het vonnis), – in de voorlaatste regel – “(pagina 5 326)” door: “(
-het hof begrijpt pagina 5236 in plaats van-pagina 5326)”.
V.
Het hof verbetert in het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel
‘het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 16 april 2018, pag. 5 1036 en 5 1037(opgenomen op pagina 30 van het vonnis),
  • “ [telefoontype 4] van [medeverdachte 1] ( [naam inbeslaggenomen goed] )” in “ [telefoontype 4] van [medeverdachte 1] ( [naam inbeslaggenomen goed] )”,
  • “ [telefoontype 2] van [verdachte] ( [naam inbeslaggenomen goed] )” in: “ [telefoontype 1] van [verdachte] ( [naam inbeslaggenomen goed] )”,
  • “ [telefoontype 2] van [verdachte] ( [naam inbeslaggenomen goed] )” in “ [telefoontype 1] van [verdachte] ( [naam inbeslaggenomen goed] )”.
VI.
Het hof voegt in het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel
‘het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , namens [bedrijf 2] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op 1 februari 2017, pag. 5 1336(opgenomen op pagina 21 van het vonnis) – na de zinsnede “Pleegdatum (…) woensdag 1 februari” in: 2017.
VII.
Het hof schrapt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen het bewijsmiddel
‘het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbailsant [verbalisant 2] op 16 april 2018, pag. 5 1041 tot en met 5 1043(opgenomen op pagina’s 30 tot en met 32 van het vonnis)
VIII.
Het hof schrapt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen het bewijsmiddel
‘het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] op 4 april 2018, pag. 5 1350 tot en met 5 1355’ (opgenomen op pagina’s 21 en 22 van het vonnis).
IX.
Het hof schrapt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen het bewijsmiddel
‘het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] op 16 januari 2018, pag. 5 1383 tot en met 5 1389’ (opgenomen op pagina’s 22 en 23 van het vonnis).
X.
Het hof schrapt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen het bewijsmiddel
‘een schriftelijk bescheid, te weten gegevens betreffende een baken plotting d.d. 27 november 2017, pag. 5 992 tot en met 5 994’ (opgenomen op pagina 29 van het vonnis).
XI.
Het hof schrapt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen het bewijsmiddel
‘een schriftelijk bescheid, te weten gegevens betreffende een baken plotting d.d. 27 november 2017, pag. 5 997 en 5 988’ (opgenomen op pagina 29 van het vonnis).
XII.
Het hof schrapt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen het bewijsmiddel
‘een schriftelijk bescheid, te weten gegevens betreffende een baken plotting d.d. 29 november 2017, pag. 5 1005 en 5 1006’ (opgenomen op pagina 30 van het vonnis)
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen:

XIII.

In onderzoek [naam zaaksdossier ] is uit observatie gebleken dat door een aantal verdachten op 23
november 2017 een oplegger is aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 3] aan de [adres 2] . Op 29 januari 2018 zijn gegevens over deze verkoop gevorderd bij [bedrijf 3] en op 2 februari 2018 is de verkoper van [bedrijf 3] telefonisch gehoord als getuige. De oplegger had de tekst " [tekst] " op de blauw-witte zeilen aan de zijkanten staan en had bij de aankoop het uitvoerkenteken [kenteken 1] .
Uit de gevorderde gegevens blijkt dat de oplegger op naam is gezet van [medeverdachte 2] , blijkens de kopie legitimatie en het verzekeringsbewijs.
Bij de verstrekking van de gevorderde gegevens is tevens een aantekeningenblad van een
ophanden zijnde aankoop van een blauwe vrachtwagen van het merk [vrachtautomerk 1] overhandigd, met daarop een telefoonnummer, naam en handtekening van de potentiële koper. De verkoper van [bedrijf 3] verklaarde dat dit dezelfde koper is als de koper van de oplegger.
Na vergelijking van de handtekeningen op de aankoopovereenkomsten van de oplegger en de [vrachtautomerk 1] -vrachtwagen met de handtekening van [verdachte] op zijn verhoor bij de Rechter-Commissaris op 1 december 2017 en met het paspoort van [verdachte] lijken deze handtekeningen vermoedelijk allemaal van [verdachte] te zijn, met de initialen [initialen] .
Opvallend is ook dat bij de handtekening op de aankoopovereenkomst van de [vrachtautomerk 1] -vrachtwagen de naam ' [ naam 1] ' staat en het telefoonnummer met [telefoonnummer 1] . Het telefoonnummer van [verdachte] is [telefoonnummer 2] .
XIV.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 3 december 2018, opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Oost-Brabant op 3 en 4 december 2018, voor zover inhoudende
:
(pag. 3) Ik gebruik soms de naam [ naam 1] . Ik ga bij dhr. [verhuurder] wijn halen. Ik ben degene die op de foto te zien is op pag. 5 326 (
het hof begrijpt: pagina 5 236) van het dossier.
XV.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 december 2017, pag. 2 138 tot en met 2 144, voor zover inhoudende als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] :
(pag. 2 140)
V: Wat is de naam van je vrouw?
A: [echtgenote van medeverdachte 1] .
XVI.
Een opname van beeld als bedoeld in artikel 567 van Pro het Wetboek van Strafvordering, te weten een foto, met onderschrift ‘Bron: PV aangifte bvh: PL2600-2017072470- 17006-0039, bladzijde 836’, pag. 5 824, voor zover inhoudende:
Zichtbaar zijn de achterdeuren van een vrachtwagen met daarin twee ronde gaten.
Aanvulling en verbetering van de bewijsoverweging
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsoverweging in zijn geheel vervangen op de wijze zoals hierna is vermeld. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan verenigen met deze overwegingen dienaangaande van de rechtbank.
Het hof zal dan ook delen daaruit overnemen in het onderhavige arrest.
Inleiding
Op 14 november 2017 is een opsporingsonderzoek opgestart onder de naam [naam zaaksdossier ] naar aanleiding van een melding dat een verdachte trekker met oplegger geparkeerd zou staan op de beveiligde parkeerplaats van [bedrijf 4] in Hapert . De trekker betrof een rode [vrachtautomerk 2] met het Portugese kenteken [kenteken 3] (hierna: [vrachtautomerk 2] trekker). De oplegger was voorzien van een rood logo met sterren, een groot rood vlak en de letters ‘ [letters] ’ en het kenteken [kenteken 2] (hierna: oplegger [kenteken 2] ). Uit onderzoek bleek dat bij meerdere aangiftes vanaf 1 april 2016 een oplegger met dezelfde kenmerken was gezien.
Op 14 november 2017 zijn door het onderzoeksteam bakens geplaatst onder genoemde [vrachtautomerk 2] trekker en oplegger [kenteken 2] . Aan de hand van de bakengegevens en observaties kwamen in de periode van 14 november 2017 tot en met 29 november 2017 diverse voertuigen, locaties en verdachten in beeld. Zo is uit de bakengegevens gebleken dat gebruik werd gemaakt van een loods gelegen aan de [adres 3] en een appartement aan de [adres 4] .
Op 16 november heeft een inkijk plaatsgevonden in de loods in [adres 3] . Daarbij zijn diverse goederen aangetroffen. De politie heeft ten aanzien van de bij deze inkijk aangetroffen televisies van het merk [merknaam 2] en sigaretten van het merk [merknaam 3] kunnen vaststellen dat deze van ladingdiefstal afkomstig waren.
Uiteindelijk heeft het onderzoek [naam zaaksdossier ] geleid tot een actiedag op 29 november 2017, waarbij vijf verdachten, onder wie de verdachte, zijn aangehouden. Daarnaast zijn de loods te [adres 3] , de woning in [adres 4] en de diverse betrokken voertuigen doorzocht. Hierbij zijn onder andere goederen die vermoedelijk afkomstig waren van diefstal inbeslaggenomen.
Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat verschillende misdrijven zijn gepleegd. De verdachte wordt - samengevat - verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan (het medeplegen van):
  • een ladingdiefstal van 30 [merknaam 1] laptops, dan wel de heling van deze goederen;
  • de heling van 21 sloffen sigaretten van het merk [sigarettenmerk] ;
  • de heling van een hoeveelheid parfum;
  • de heling van 380 [telefoons] ;
  • de heling van 80 [tablets] ,
alsmede aan het deelnemen aan een criminele organisatie bestaande uit de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), die tot oogmerk had het plegen van ladingdiefstallen en heling.
De vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal hierna per feit worden besproken. Voor zover het hof tot de beslissing komt dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust deze beslissing op bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de hierboven genoemde bewijsbijlage, waarbij de daarin weergegeven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang worden beschouwd.
Het standpunt van de advocaat-generaal
Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de advocaat-generaal een integrale bewezenverklaring van alle feiten gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte van alle feiten zal moeten worden vrijgesproken.
Het oordeel van het hof
1.
de criminele organisatie (feit 4)
Het hof acht het dienstig om eerst te beoordelen of er sprake was van een criminele organisatie gericht op het plegen van (lading)diefstallen en/of heling, inclusief de vraag of de verdachte daaraan heeft deelgenomen. Daarna zal het hof beoordelen of de verdachte zich aan een of meer van de overige tenlastegelegde feiten schuldig heeft gemaakt.
1.1
het juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van deelneming aan een criminele organisatie moet uit de bewijsmiddelen blijken dat er sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste een ander persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van meer misdrijven. Voor bewijs van het bestanddeel oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Van deelneming aan een organisatie kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Voor deelneming aan een criminele organisatie is voldoende dat een verdachte in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Daarbij is niet vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.
1.2
Beoordeling hof
het hof stelt aan de hand van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen onder meer het volgende vast.
- panden
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] vanaf medio december 2016 een koetshuis huurden aan de [adres 3] van de verhuurder [verhuurder] . Zij vroegen daarbij aan de heer [verhuurder] ook toestemming om een vrachtwagen op het terrein te mogen stallen. Vanaf oktober of november 2017 zijn zij ook een loods op het terrein van de heer [verhuurder] gaan huren. De huur werd contant aan de verhuurder betaald en er was geen huurcontract opgesteld. De verdachte noemde zichzelf tegenover de verhuurder ‘ [ naam 1] ’, een naam waarvan hij vaker gebruik maakte. Toen verhuurder [verhuurder] bij de rechter-commissaris geconfronteerd werd met een foto die tijdens een wijnproeverij was gemaakt, verklaarde hij zichzelf en ‘ [ naam 1] ’ op deze foto te herkennen. Ter terechtzitting in eerste aanleg bevestigde de verdachte degene te zijn die op de desbetreffende foto te zien was. Eveneens verklaarde hij de naam ‘ [ naam 1] ’ wel eens te gebruiken. Naar het oordeel van het hof staat derhalve genoegzaam vast dat de persoon die verhuurder [verhuurder] kent als ‘ [ naam 1] ’ de verdachte betreft. Dat wellicht andere personen eveneens de naam ‘ [ naam 1] ’ gebruiken, doet hier naar het oordeel van het hof, gelet op de voorgaande vaststellingen, niet aan af. Van enig legaal doel voor het huren van het koetshuis en de loods is voorts niet gebleken.
Vanaf september 2017 zijn [medeverdachte 1] en de verdachte het appartement aan de [adres 4] gaan huren. Ook hier werd de huur contant betaald en was er geen huurcontract opgemaakt. De verhuurder verklaarde dat er vanaf oktober 2017 behalve [medeverdachte 1] en de verdachte ook twee andere personen in de woning verbleven. Onderling werd Albanees gesproken. De personen waren soms enkele dagen afwezig en ook ’s nachts waren zij weleens weg.
- voertuigen
Naast het plaatsen van bakens, vonden vanaf 14 november 2017 tot en met 29 november 2017 observaties plaats. De observatieteams namen waar dat de verdachte en de overige leden van de (bewezen te verklaren) criminele organisatie gebruik maakten van verschillende opleggers, trekkers en personenauto’s. Naar deze voertuigen is nader onderzoek gedaan.
De [vrachtautomerk 2] trekker werd op 17 januari 2017 aangekocht door [bedrijf 5] . Namens dat bedrijf is de [vrachtautomerk 2] trekker gekocht door twee personen: [echtgenote van medeverdachte 1] , zijnde de echtgenote van verdachtes broer [medeverdachte 1] , en de heer [persoon 1] . De witte [vrachtautomerk 3] trekker voorzien van kenteken [kenteken 4] zou door voornoemde twee personen zijn aangeschaft op 15 september 2017, ook namens [bedrijf 5] . De kentekens van beide voertuigen zijn niet op een andere naam overgeschreven. Onduidelijk is gebleven wie de bestuurders van [bedrijf 5] waren.
Op 21 maart 2016 zat [medeverdachte 1] bij een controle door de politie samen met voornoemde [persoon 1] in een personenauto.
De oplegger met blauwwit zeil en de tekst ‘ [tekst] ’ met het exportkenteken [kenteken 1] is op 23 november 2017 gekocht bij [bedrijf 3] . Bij die koop waren in ieder geval de verdachte en [medeverdachte 2] aanwezig. De oplegger is contant betaald, de handtekening werd gezet door [ naam 1] en het kenteken is op naam van [medeverdachte 2] gezet. [bedrijf 3] heeft bij de verstrekking van de gevorderde gegevens een aantekeningenblad van een ophanden zijnde verkoop van een blauwe [vrachtautomerk 1] -vrachtwagen overhandigd, met daarop een telefoonnummer, naam en handtekening van de potentiële koper. De verkoper van [bedrijf 3] heeft verklaard dat deze potentiële koper dezelfde persoon betrof als degene die eerder de [tekst] -oplegger had gekocht. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de handtekeningen op de aankoopovereenkomsten van de [tekst] -oplegger en de [vrachtautomerk 1] -vrachtwagen vergeleken met de handtekening in het paspoort van de verdachte en de handtekening onder zijn verhoor bij de rechter-commissaris. [verbalisant 2] kwam hierbij tot de conclusie dat de handtekeningen vermoedelijk allemaal van de verdachte afkomstig waren. Hiernaast relateerde [verbalisant 2] dat het opvallend was dat bij de handtekening op de aankoopovereenkomst van de [vrachtautomerk 1] -vrachtwagen de naam ' [ naam 1] ' vermeld staat. Dit betreft een naam, zoals hierboven reeds uiteen is gezet, die de verdachte vaker gebruikte. Ook het telefoonnummer op de aankoopovereenkomst (te weten: [telefoonnummer 1] ) vertoont grote gelijkenissen met het telefoonnummer van de verdachte (te weten: [telefoonnummer 2] ). Daarbij komt nog dat uit onderzoek aan de telefoon ( [telefoon 1] ) die onder de verdachte bij zijn insluitingsfouillering werd aangetroffen, is gebleken dat daarop een foto stond van een visitekaartje van [bedrijf 3] , verzonden op de datum van aankoop van de oplegger [kenteken 1] , en die telefoon gebruik heeft gemaakt van het draadloze Wifi-netwerk van [bedrijf 3] , waarmee het hof die telefoon en zijn gebruiker in [plaatsnaam 2] plaatst.
De verdachte en de overige leden van de criminele organisatie maakten op 29 november 2017 (onder meer) gebruik van een oplegger met grijze zeilen waarop het kenteken [kenteken 1] was bevestigd. Na controle van het chassisnummer bleek deze oplegger te zijn gestolen in Duitsland. Het hof stelt ten aanzien van alle voormelde trekkers en opleggers vast dat niet is gebleken van legale werkzaamheden die het aankopen en/of gebruiken van de genoemde trekkers en opleggers kunnen verklaren.
De personenauto merk [auto 1] was eigendom van de verdachte. De [auto 2] betrof een huurauto. In laatstgenoemde auto zijn onder andere documenten aangetroffen op naam van [persoon 2] .
Verder is er in de loods in [adres 3] op 29 november 2017 een sleutelbos aangetroffen met daaraan een label met het opschrift [kenteken 5] . Deze sleutels pasten op een tankdop van een witte [vrachtautomerk 3] Trekker voorzien van kenteken [kenteken 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze trekker op 14 april 2017 betrokken is geweest bij een ladingdiefstal. De dieven zijn die nacht op heterdaad betrapt en zijn vervolgens te voet gevlucht, waarbij zij deze trekker op de parkeerplaats hebben achtergelaten. Diezelfde nacht is [medeverdachte 1] als bijrijder gezien in deze trekker. In die trekker is een drinkfles aangetroffen met daarop het DNA van [persoon 2] .
- samenwerking
De voertuigen en de bewegingen van deze voertuigen zijn van 14 november 2017 tot en met 29 november 2017 door middel van bakens en fysieke observaties gevolgd. Ook zijn er camerabeelden van parkeerplaatsen bekeken. Het hof stelt vast dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , in wisselende samenstellingen bij de diverse voertuigen en panden werden gezien. De personen die met de trekker-opleggercombinatie gingen rijden, werden gebracht en/of gehaald door de [auto 1] of de [auto 2] . Ook is gezien dat deze personenauto’s meereden met een trekker-opleggercombinatie in dezelfde richting en/of op dezelfde parkeerplaatsen stopten. Er werd dan in de nacht kort gestopt op verschillende parkeerplaatsen die door professionele chauffeurs worden gebruikt om in hun vrachtwagencombinatie te overnachten. Ook werd in beide trekkers en in beide personenauto’s telkens een portofoon aangetroffen. Deze vier portofoons bleken te zijn afgesteld op dezelfde frequentie en stonden dus in verbinding met elkaar. De verdachte is op 29 november 2017 ook aangehouden in de nabijheid van medeverdachte [medeverdachte 2] en voornoemde Witte [vrachtautomerk 3] trekker.
- inbeslaggenomen goederen
Op 29 november 2017 zijn de verdachte en de overige leden van de criminele organisatie aangehouden en hebben doorzoekingen plaatsgevonden. In de loods te [adres 3] en in de woning te [adres 4] zijn diverse goederen aangetroffen waarvan is vast komen te staan dat deze van diefstal afkomstig zijn. Ook zijn mobiele telefoons inbeslaggenomen met daarin relevante informatie. Naast deze goederen zijn ook technische hulpmiddelen aangetroffen. In de jas die [medeverdachte 3] droeg ten tijde van de aanhouding werd een tweetal jammers aangetroffen. Ook in de woning te [adres 4] lag een jammer. Jammers kunnen onder andere worden gebruikt om opsporing door de politie te bemoeilijken. In de witte [vrachtautomerk 3] trekker werd voorts een RF-detector aangetroffen, waarmee onder andere zenders opgespoord kunnen worden.
- gepleegde ladingdiefstallen en heling
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 14 april 2017, in de nacht van 1 op 2 november 2017 en op 14 november 2017 ladingdiefstallen, dan wel een poging daartoe, zijn gepleegd. Bij deze feiten zijn de bij de organisatie in gebruik zijnde voertuigen en/of (is) een of meer van de verdachten gezien. Gelet hierop kunnen deze feiten aan de organisatie worden toegeschreven. Ook zijn er in de loods te [adres 3] goederen aangetroffen die zijn weggenomen bij ladingdiefstallen die zijn gepleegd op 1 februari 2017 (diefstal [sigarettenmerk] sigaretten), 22 februari 2017 (diefstal [sigarettenmerk] sigaretten) en 29 november 2017 (diefstal [tablets] en [telefoons] ).
Enkele van de genoemde strafbare feiten zijn ook afzonderlijk aan de verdachte tenlastegelegd. De vraag of de verdachte zich ook als pleger of medepleger aan een of meer van deze feiten heeft strafbaar gemaakt, komt later aan de orde.
1.3
conclusie
Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen en hetgeen op grond daarvan hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op ladingdiefstallen en heling gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk. Tot het samenwerkingsverband behoorden blijkens de bewijsmiddelen ook zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (hierna tezamen ook wel te noemen: de verdachten). Uitgaande van de gebezigde bewijsmiddelen zijn al deze personen op enig moment tot het samenwerkingsverband gaan behoren, zij het dat dit voor ieder van hen vanaf een verschillend moment is geweest. Voor de periode waarin de verdachte aan de criminele organisatie heeft deelgenomen, neemt het hof als startpunt de huur van het koetshuis, zodat de gehele periode bewezen kan worden verklaard. Hoewel het huren van een koetshuis op zich geen strafbaar feit is, kan deze handeling in dit geval niet anders worden gezien dan als een activiteit die is ondernomen om het plegen van de door de organisatie beoogde misdrijven te faciliteren
.Het verweer van de raadsvrouw, inhoudend dat de periode beperkt dient te worden tot het moment van de inkijk (te weten: 16 november 2017) wordt daarom verworpen.
Gelet op vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Daarmee komt het hof tot eenzelfde bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde overeenkomstig die in het vonnis waarvan beroep.
II de diefstal/heling van [merknaam 1] laptops (feit 1)
Uit de aangifte blijkt dat in de nacht van 1 op 2 november 2017 dertig [merknaam 1] laptops uit een oplegger zijn weggenomen. De oplegger stond geparkeerd op een truckersstandplaats aan de [straat] in Tilburg . Op het moment dat de chauffeur van de desbetreffende vrachtwagencombinatie om 01:00 uur zijn motor startte en zijn verlichting aandeed, zag hij in zijn spiegel vanuit de achterkant van zijn oplegger twee personen richting een rode [vrachtautomerk 2] trekker rennen die was voorzien van een Portugees kenteken. Uit de historische printgegevens blijkt dat de telefoons (zowel de [telefoon 1] als de [telefoontype 1] ) die zijn aangetroffen onder de verdachte en de telefoon ( [telefoontype 4] ) die is aangetroffen onder [medeverdachte 1] die nacht tussen 00:15 en 01:35 uur zendmasten in de omgeving van Tilburg aanstraalden. Dat, zoals de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, de telefoons die aan de verdachte worden toegeschreven, niet hebben aangestraald op de masten die het dichtst bij de plaats delict lagen (maar op omliggende masten), acht het hof niet van doorslaggevend belang. Een van de telefoons van de verdachte straalde immers kort voorafgaand aan de ladingdiefstal (te weten: circa 45 minuten van tevoren) aan in de omgeving waar later de diefstal werd gepleegd. Er zijn tal van redenen denkbaar waardoor de telefoon(s) (van de verdachte(n)) niet op de masten gelegen het dichtst bij de plaats delict aan zou(den) stralen. Zo kan er gebruik zijn gemaakt van jammers om het signaal te verstoren (onder medeverdachte [medeverdachte 3] zijn tijdens de aanhouding reeds twee jammers aangetroffen), of kan/kunnen de telefoon(s) door de verdachte(n) ergens (tijdelijk) zijn achtergelaten of simpelweg zijn uitgezet.
De verdachten leggen voorts geen verklaring af over waarom zij op dat tijdstip in Tilburg aanwezig waren, terwijl het geheel van feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof schreeuwt om uitleg. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen. Wel kan het hof in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken, dat een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring geeft.
Het hof stelt verder vast dat uit het onderzoek naar de inhoud van de [telefoon 1] telefoon die onder de verdachte is aangetroffen, is gebleken dat met deze telefoon op 2 november 2017 omstreeks 03:00 uur (oftewel: zeer kort na de ladingdiefstal) websites zijn bezocht die in verband staan met [merknaam 1] laptops. In deze telefoon zijn daarnaast meerdere foto’s aangetroffen van 2 november 2017, waarop onder andere een vrachtbrief van [merknaam 1] en dozen met een [merknaam 1] -logo te zien zijn
.Bovendien is er met dit toestel een zoekopdracht uitgevoerd met de zoekterm ‘ [zoekterm] ’. Dit nummer staat eveneens op een van de foto’s waarop dozen met een [merknaam 1] -logo te zien zijn. In deze [telefoon 1] telefoon zijn daarnaast nog twee foto’s aangetroffen, eveneens gemaakt op 2 november 2017, van een telefoon met hierop websites met prijzen van soortgelijke [merknaam 1] laptops. Tot slot bevond zich op deze telefoon een foto van een handgeschreven briefje met daarop twee types [merknaam 1] laptops. Dit betroffen de types laptops die gestolen zijn bij de desbetreffende ladingdiefstal te Tilburg .
Door de raadsvrouw is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de exclusieve, dan wel structurele gebruiker van het [telefoon 1] toestel was. Daargelaten dat het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen de verdachte als de structurele gebruiker van dat toestel identificeert, is in elk geval niet aannemelijk geworden dat op 29 november 2017 een ander dan de verdachte, al dan niet tijdelijk, de gebruiker is geweest van deze telefoon. Het betoog van de raadsvrouw kan de verdachte daarom niet baten.
Deze omstandigheden beziet het hof in samenhang met hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van (de deelname van de verdachte aan) de criminele organisatie. Daaruit volgt mede dat de verdachte ten tijde van deze diefstal reeds deel uitmaakte van de criminele organisatie die onder andere tot oogmerk had het plegen van ladingdiefstallen. Deze organisatie had de beschikking over een rode [vrachtautomerk 2] trekker met een Portugees kenteken, aangekocht door [persoon 1] en de echtgenote van de medeverdachte [medeverdachte 1] , verdachtes schoonzus
.Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat de verdachte betrokken is geweest bij deze ladingdiefstal en dat hij daarbij in ieder geval één mededader had. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet direct welke rol de verdachte bij de diefstal exact heeft vervuld, maar dit staat gelet op wat het hof overigens over zijn betrokkenheid heeft vastgesteld niet aan een bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging plegen van de ladingdiefstal in de weg. Op grond van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor omschreven stelt het hof namelijk vast dat de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde diefstal van voldoende gewicht is geweest om van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) en aldus van medeplegen van de tenlastegelegde ladingdiefstal te kunnen spreken. Daarom acht het hof het ‘medeplegen’ van de onder 1 tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen, overeenkomstig de bewezenverklaring in het vonnis waarvan beroep.
III heling [sigarettenmerk] /parfum (feit 2)
Op 29 november 2017 zijn in de loods te [adres 3] twintig sloffen sigaretten van het merk [sigarettenmerk] aangetroffen en daarnaast in de woning te [adres 4] één slof. Er is onderzoek gedaan naar de herkomst van deze sloffen sigaretten. Het hof stelt op basis van dit onderzoek vast dat de inbeslaggenomen sloffen sigaretten gestolen zijn bij een tweetal ladingdiefstallen, die hebben plaatsgevonden in [plaatsnaam 6] op respectievelijk 1 februari 2017 en in de nacht van 22 op 23 februari 2017
.De nummers van de inbeslaggenomen sigaretten uit de woning aan de [adres 4] kwamen overeen met de nummers van de sloffen die in de loods aan de [adres 3] zijn aangetroffen. Het hof stelt vast dat zowel de loods als de woning, waar de sloffen sigaretten zijn aangetroffen, gehuurd werd door en in gebruik was bij de verdachte, [medeverdachte 1] en/of de criminele organisatie zoals onder 4 bewezenverklaard.
In de loods zijn eveneens 169 flessen parfum van het merk [parfummerk 1] en 20 flessen parfum van het merk [parfummerk 2] aangetroffen. Ook naar de herkomst van deze flessen parfum is nader onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek is gebleken dat de parfum tussen 27 en 28 september 2017 in [plaatsnaam 4] uit een vrachtwagen is gestolen. Bij de doorzoeking in de loods in [adres 3] op 29 november 2017 zijn verder twee handgeschreven briefjes inbeslaggenomen met daarop een lijst met nummers. Dit bleken nummers te zijn die behoren bij de gestolen parfum. In de telefoon, door het hof toegeschreven aan de verdachte is een foto van een van deze lijstjes met serienummers aangetroffen. Verder zijn in deze telefoon zoekopdrachten teruggevonden die zijn ingevoerd op 14 oktober 2017 en op 15 oktober 2017. Als zoektermen zijn meerdere serienummers van de gestolen flessen parfum ingevoerd. Naar het oordeel van het hof ontbeert de door de raadsvrouw geponeerde stelling, inhoudende dat de foto door iemand anders is gemaakt en de zoekopdrachten door een ander zijn gegeven, aannemelijkheid, zodat het hof aan deze stelling voorbijgaat.
De verdachte en [medeverdachte 1] hebben geen enkele redengevende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de van de diefstal afkomstige sloffen sigaretten en parfum in de loods en de woning, noch voor de daaraan te linken informatie als aangetroffen op de telefoon. Ook hier geldt naar ’s hofs oordeel dat sprake is van omstandigheden die zeker in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde feit en waarvoor een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring is uitgebleven.
Het hof beziet deze feiten en omstandigheden dan ook in samenhang met het feit dat de verdachte vanaf het moment van het plaatsvinden van de diefstal van deze goederen reeds behoorde tot de criminele organisatie die zich in de kern mede bezighield met het helen van gestolen waar en hij (mede ten behoeve van die organisatie) samen met [medeverdachte 1] huurder was van zowel de loods als de woning. Gelet hierop stelt het hof vast dat de verdachte en [medeverdachte 1] de goederen voorhanden hebben gehad. De verdediging heeft terecht betoogd dat de parfum niet reeds op 29 november 2017, maar pas op 5 december 2017 (nadat de verhuurder de politie had gewaarschuwd dat er ook nog andere goederen in de loods lagen) is aangetroffen. Echter, mede gelet op de in de aan de verdachte toegeschreven telefoon aangetroffen foto van een lijstje met serienummers overeenstemmend met een handgeschreven briefje met een lijst nummers van de gestolen parfums dat is aangetroffen bij de doorzoeking, verwerpt het hof de – niet nader geconcretiseerde of onderbouwde - stelling van de verdediging dat deze parfum (na de zoeking op 29 november 2017) door een andere huurder/gebruiker van de loods aldaar is opgeslagen.
Gelet op het voorgaande acht het hof het medeplegen van opzetheling van sigaretten en parfum wettig en overtuigend bewezen, overeenkomstig de bewezenverklaring in het vonnis waarvan beroep.
IV heling [telefoonmerk 1] producten (feit 3)
Tot slot zijn op 29 november 2017 achtendertig dozen met in iedere doos tien ‘ [telefoontype 3] ’ en zestien dozen met in iedere doos vijf ‘ [tablets] ’ inbeslaggenomen. Uit onderzoek naar de herkomst van deze [telefoonmerk 1] producten is gebleken dat deze in de nacht van 28 op 29 november 2017 in [plaatsnaam 5] (Duitsland) zijn gestolen uit een vrachtwagen, die via Duitsland onderweg was naar [plaatsnaam 7] .
Op 29 november 2017 vonden observaties plaats. Gezien werd dat de [vrachtautomerk 2] trekker met daarachter de oplegger met grijze zeilen om 11:22 uur het terrein van de loods in [adres 3] op kwam rijden. [medeverdachte 3] was op dat moment de bestuurder van de [vrachtautomerk 2] trekker. Een paar minuten later werd [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 4] op het terrein gezien. Om 11:56 uur werd de [auto 1] op het terrein geparkeerd en stapten de verdachte en [medeverdachte 2] uit. De leden van het observatieteam zagen dat er veel heen er weer werd gelopen tussen de oplegger en de loods en dat daarbij met dozen werd gesjouwd. Gezien werd dat alle verdachten in de loods aanwezig zijn geweest en dat ze omstreeks 12:45 uur het terrein verlieten met de [auto 1] en de [auto 2] .
In de telefoon die het hof heeft toegeschreven aan de verdachte werden foto’s aangetroffen die zijn gemaakt op 29 november 2017 rond 12:00 uur. Het gaat om foto’s van [tablets] en [telefoons] die nog in hun originele verpakking zaten. De serienummers op die dozen komen overeen met de serienummers van de gestolen [telefoonmerk 1] producten. Verder zijn op 29 november 2017 om 12:30 uur op google zoekopdrachten uitgevoerd met de zoekterm ‘ [tablet] ’. De - niet concreet onderbouwde - stelling van de raadsvrouw dat een ander dan de verdachte deze foto’s zou hebben gemaakt en de zoekopdrachten zou hebben uitgevoerd, acht het hof ook in dit geval niet aannemelijk geworden. Verder werd in de aan medeverdachte [medeverdachte 4] toegeschreven telefoon een gesprek via [telecommunicatienetwerk] aangetroffen dat heeft plaatsgevonden op 29 november 2017 vanaf 14:44 uur. [medeverdachte 4] gaf in dit gesprek onder andere aan dat hij net terug was en dat hij voor diverse personen een [telefoontype 3] had.
Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de verdachte en zijn mededaders kort na de diefstal van een partij [telefoons] en [tablets] de beschikking over die gestolen goederen hebben gehad. De verdachte en zijn medeverdachten waren ten tijde van het uitladen uit de [vrachtautomerk 2] trekker van dozen met daarin de gestolen goederen allen op het terrein van de loods aanwezig. Op het moment dat de goederen de loods werden ingeladen, waren alle verdachten ook enige tijd in de loods aanwezig en verlieten zij vervolgens gelijktijdig het terrein. Anders dan de raadsvrouw, acht het hof daarbij niet van belang of de verdachte tijdens het uitladen daadwerkelijk een van de dozen met gestolen goederen heeft getild. Voor het aannemen van beschikkingsmacht is het ook niet vereist dat de verdachte de goederen fysiek in zijn handen heeft gehad.
Verder zijn in zowel de telefoon die het hof heeft toegeschreven aan de verdachte als de telefoon die is toegeschreven aan [medeverdachte 4] bestanden aangetroffen die betrekking hebben op de [telefoonmerk 1] producten. Deze feiten en omstandigheden beziet het hof in samenhang met het feit dat de verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie die onder andere heling tot oogmerk had. Het is dan ook in deze context dat de mogelijke wetenschap van de verdachte omtrent de aard en herkomst van de (gestolen) goederen moet worden beoordeeld. Tegen deze achtergrond en gelet op de feiten en de omstandigheden waaronder de goederen werden aangetroffen, en in aanmerking genomen dat de verdachte ook hier geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de gestolen [telefoonmerk 1] -producten, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.
Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte geen wetenschap had van de inhoud van de dozen, schuift het hof dan ook terzijde.
Het hof stelt op grond van vorenstaande vast dat de verdachte en zijn medeverdachten de [telefoonmerk 1] producten voorhanden hebben gehad en dat zij wisten dat deze goederen van diefstal afkomstig waren.
Het hof acht gelet op het voorgaande het medeplegen van opzetheling van 380 [telefoons] en 80 [tablets] wettig en overtuigend bewezen.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd – met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep – aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De raadsvrouw heeft, subsidiair, verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het blanco strafblad van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De ernst van het bewezenverklaarde
De verdachte heeft in een periode van ongeveer tien maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: (lading)diefstallen en heling. In dat kader heeft hij zich eveneens schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging door middel van braak en tweemaal het medeplegen van opzetheling. Criminele organisaties als deze hebben een ontwrichtend effect op de rechtsorde, onder meer door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij.
Door het plegen van ladingdiefstallen en heling wordt daarnaast veel (materiële) schade veroorzaakt. Gedupeerden ondervinden hiervan veel ergernis en ongemak en de samenleving heeft – kort gezegd – last van deze criminele activiteiten. De verdachte heeft kennelijk puur gehandeld uit financieel gewin en heeft met zijn handelen aangetoond geen enkel respect voor eigendommen van anderen te hebben. Het hof rekent de verdachte het georganiseerde en berekenende karakter van het bewezenverklaarde zwaar aan. Strafverzwarend acht het hof dat de onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten betrekking hebben op goederen die (in zijn totaliteit) een enorme waarde (honderdduizenden euro’s) vertegenwoordigen.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 5 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke of andere misdrijven. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover deze uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk zijn geworden.
Redelijke termijn
Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Als uitgangspunt heeft in een zaak als deze te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis dan wel eindarrest binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 30 november 2017, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 18 december 2018. In eerste aanleg is daarmee geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, nu de behandeling in eerste aanleg is afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na het aanvangen van de redelijke termijn.
De verdachte heeft op 18 december 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 15 juli 2026. In hoger beroep is aldus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ongeveer 5 jaar en 7 maanden.
Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman/-vrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel sprake is van een groot strafrechtelijk onderzoek met meerdere verdachten, waarin bovendien zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onderzoekswensen zijn gedaan, zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig die maken dat in deze zaak in afwijking van de hoofdregel zou moeten worden uitgegaan van een langere duur van de redelijke termijn dan 24 maanden per instantie, dan wel deze overschrijding van de redelijke termijn geheel of gedeeltelijk rechtvaardigen. In de schending van de redelijke termijn in hoger beroep ziet het hof reden om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder deze termijnoverschrijding.
Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op de professionele en geraffineerde werkwijze waarop – met meerdere voertuigen en meerdere personen – een grote hoeveelheid spullen met een enorme waarde is gestolen, dan wel is geheeld.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Bewaren ten behoeve van de rechthebbende
Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, nu ten aanzien van deze voorwerpen telkens niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.
Onttrekking aan het verkeer
De in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven werden aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Verbeurdverklaring
Het hof oordeelt dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat dit voorwerpen zijn:
  • met behulp van welke de feiten zijn begaan en/of
  • die ten tijde van het begaan van de feiten aan een ander dan de verdachte toebehoorden, terwijl die ander bekend was met de verkrijging door middel van de strafbare feiten of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
Het hof heeft daarbij zowel op de ernst van de bewezenverklaarde feiten als op de draagkracht van de verdachte gelet.
Teruggave aan de verdachte
Ten aanzien van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen aan te merken persoon, nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op die voorwerpen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 140, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op het beslag, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • .
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • [voorwerpen]
  • .
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 15 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.