ECLI:NL:GHSHE:2026:1909

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
20-000073-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 311 SrArt. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in diefstalzaak met veroordeling tot gevangenisstraf en schadevergoeding

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor meerdere diefstallen, waaronder diefstal met valse sleutels van een auto en meervoudige woninginbraken. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten, ondanks verweren over alternatieve scenario's en medeverdachte. De verdachte is vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

De strafoplegging houdt rekening met de ernst van de feiten, het justitiële verleden van de verdachte en een recente buitenlandse veroordeling tot 21 jaar gevangenisstraf. Het hof legt een gevangenisstraf op van 252 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast wijst het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe voor materiële schade van €1.002,31, vermeerderd met wettelijke rente.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen omdat het niet langer opportuun is deze te herroepen. Het arrest is gewezen door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 252 dagen gevangenisstraf met aftrek voorarrest en toewijzing schadevergoeding van €1.002,31; vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling afgewezen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000073-25
Uitspraak : 16 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 januari 2025 onder parketnummer 02-378595-24, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 18-050843-21 en tegen de beslissing herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling van 2 januari 2025 met v.i. zaaknummer 99-000400-51, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
thans uit anderen hoofde verblijvende in de gevangenis San Vittore, [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten van de gekwalificeerde diefstal in de woning van [benadeelde 1] in Yerseke op 5 juli 2024. Daarnaast is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde, te weten van de gekwalificeerde diefstal van een of meerdere goederen van [benadeelde 2] in/uit een auto (Audi type Q5) op of omstreeks 30 juni 2024 en/of 1 juli 2024 te Wemeldige, gemeente Kapelle.
De politierechter heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
  • ‘diefstal’ (feit 1);
  • ‘diefstal, meermalen gepleegd’ (feit 2, primair), en
  • ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’ (feit 4),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder onder parketnummer 18-050843-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
De politierechter heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] integraal toegewezen voor het bedrag van € 1.002,31 aan materiële schade. De politierechter heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i. zaaknummer 99-000400-51 – in een aparte beslissing – toegewezen en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, groot 364 dagen, alsnog geheel moet worden ondergaan.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep
Beschermde vrijspraken
De verdachte is door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten van de gekwalificeerde diefstal in de woning van [benadeelde 1] in Yerseke op 5 juli 2024. Daarnaast is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde, te weten van de gekwalificeerde diefstal van een of meerdere goederen van [benadeelde 2] in/uit een auto (Audi type Q5) op of omstreeks 30 juni 2024 en/of 1 juli 2024 te Wemeldige, gemeente Kapelle.
Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze vrijspraken. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen deze beschermde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling
De politierechter heeft bij afzonderlijke beslissing van 2 januari 2025 de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling d.d. 11 december 2024 toegewezen, de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 364 dagen herroepen en gelast dat dit deel van de vrijheidsstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd nu de verdachte zich niet heeft gehouden aan de aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 13 januari 2025 en de daaraan gehechte bijzondere volmacht is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 2 januari
2025 in de zaak onder parketnummer 02-378595-24 + 18-050843-21 (tul). Daarnaast is tevens een bijzondere volmacht d.d. 13 januari 2025 ingediend teneinde hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 2 januari 2025 in de zaak onder parketnummer 02-074188-23 (v.i. 99-000400-51).
Op grond van artikel 6:6:21, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in samenhang bezien met artikel 6:6:22, eerste lid, sub b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is slechts hoger beroep mogelijk tegen een beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, voor zover deze beslissing deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Dat laatste is hier niet het geval nu de politierechter in een afzonderlijke beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft beslist. Gelet op het op de onderhavige zaak van toepassing zijnde artikel 361a Sv had echter het veroordelend vonnis van de politierechter die beslissing op de vordering moeten inhouden.
Het hof zal gelet op het voorgaande de afzonderlijke beslissing van de politierechter op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling opvatten als zijnde ‘onderdeel uitmakend’ van het vonnis waarvan beroep in de zin van de artikelen 361a Sv en 6:6:22, eerste lid, sub b, Sv, zodat – gelet op de artikelen 404 en 407 Sv – in hoger beroep ook de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling opnieuw aan de orde is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 18-050843-21. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie in deze vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De advocaat-generaal heeft voorts de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gevorderd voor de duur van 364 dagen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder feit 1, feit 2 en feit 4 tenlastegelegde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 18-050843-21 heeft de raadsman bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat het Openbaar Ministerie daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ook ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft de raadsman bepleit dat deze dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman ten slotte aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 30 juni 2024 tot en met 5 juli 2024 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, althans in Nederland, in/uit een woning (gelegen aan [adres] te Wemeldinge, gemeente Kapelle), een of meerdere autosleutel(s) (merk Citroën type C3 en/of Audi type Q5) en/of AirPods Pro en/of twintig euro contant geld en/of een T-shirt (merk Hugo Boss) en/of een pakje shag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag en/of goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
2.
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 3 juli 2024 tot en met 18 juli 2024 te Tholen en/of te Westkapelle, gemeente Veere, althans in Nederland, in/uit een of meerdere woning(en) (gelegen aan [adres] te Tholen en/of gelegen aan [adres] te Westkapelle, gemeente Veere), een of meerdere portemonnees met inhoud en/of contant geld en/of een jachtgeweer (merk Bolte & Anschutz) en/of 18 patronen en/of vijf doosjes hagelmunitie en/of 200 euro contant geld en/of een jas (merk Canada Goose), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [benadeelde 3] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) en/of goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks 03 juli 2024 tot en met 18 juli 2024 te Tholen, vier doosjes hagelmunitie en/of een jas (merk Canada Goose), althans enig(e) goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
4.
hij op of omstreeks 30 juni 2024 en/of 1 juli 2024 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, een auto (merk Audi, type Q5), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een bij die auto horende autosleutel.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 primair en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op tijdstippen in de periode van 30 juni 2024 tot en met 1 juli 2024 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, in een woning (gelegen aan [adres] te Wemeldinge, gemeente Kapelle), autosleutels (merk Citroën type C3 en Audi type Q5) en AirPods Pro en twintig euro contant geld en een T-shirt (merk Hugo Boss) en een pakje shag, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op tijdstippen in de periode van 3 juli 2024 tot en met 18 juli 2024 te Tholen en te Westkapelle, gemeente Veere, uit meerdere woningen (gelegen aan [adres] te Tholen en gelegen aan [adres] te Westkapelle, gemeente Veere), meerdere portemonnees met inhoud en contant geld en een jachtgeweer (merk Bolte & Anschutz) en 18 patronen en vijf doosjes hagelmunitie en 200 euro contant geld en een jas (merk Canada Goose), dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [benadeelde 3] en/of [aangever 2] toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, een auto (merk Audi, type Q5), die geheel aan [benadeelde 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een bij die auto horende autosleutel.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat in de woning van de verdachte een vriend van hem, genaamd [medeverdachte] , verbleef. De verdachte had meerdere telefoons, die [medeverdachte] gebruikt zou kunnen hebben. De enkele omstandigheid dat volgens de mastgegevens de telefoon van de verdachte telkens in de buurt van de woninginsluipingen en daaropvolgende diefstallen heeft aangestraald, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de verdachte deze diefstallen heeft gepleegd. [medeverdachte] kan immers in het politiedossier ook gelinkt worden aan een diefstal van een bankpas in Westkapelle.
Ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde heeft de verdachte nog verklaard dat hij werd gebeld door [medeverdachte] , omdat hij een auto (de Audi type Q5) niet kreeg gestart. De verdachte is midden in de nacht samen met zijn vriendin naar deze [medeverdachte] gereden om de auto te starten, hetgeen niet is gelukt. Hierdoor is het DNA van de verdachte terecht gekomen op de deurklink aan de bestuurderszijde van de Audi.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Aangever [benadeelde 2] (feit 1 en feit 4)
Het hof stelt vast dat er meerdere goederen, waaronder autosleutels, uit de woning van aangever [benadeelde 2] in Wemeldinge zijn weggenomen tussen 30 juni 2024, omstreeks 22.00 uur, en 1 juli 2024, omstreeks 06.30 uur. Ook is in dezelfde periode een Audi type Q5 met kenteken [kenteken] van aangever [benadeelde 2] , waartoe één van de genoemde autosleutels behoorde, weggenomen nabij de woning.
De betreffende Audi is op 1 juli 2024, omstreeks 11.45 uur, een paar straten verder van de woning van [benadeelde 2] , te weten de [adres] te Wemeldinge, aangetroffen. De Audi is op DNA-sporen onderzocht en op de deurklink aan de bestuurderszijde is onder meer DNA van de verdachte aangetroffen, waarbij het ongeveer 150 duizend keer waarschijnlijker is dat het DNA mengprofiel afkomstig is van het slachtoffer, de
verdachteen een willekeurig onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer en twee willekeurige onbekende personen (dossierpagina 117 [1] ). Daarnaast heeft de telefoon van de verdachte met IMEI-nummer [IMEI-nummer] op 1 juli 2024 omstreeks 04.35 uur een mast aan de [adres] te Wemeldinge aangestraald.
Gelet op de bevindingen van het NFI, in samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier, stelt het hof vast dat het aangetroffen DNA op de deurklink aan de bestuurderszijde van de verdachte afkomstig is.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat [medeverdachte] de verdachte in de nacht van 30 juni 2024 op 1 juli 2024 heeft gebeld omdat hij de Audi niet gestart kreeg, waarna de verdachte met zijn toenmalige vriendin naar Wemeldinge is gereden om de Audi te proberen te starten, is door de verdediging voor het eerst naar voren gebracht ter terechtzitting in hoger beroep en is op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof passeert dit verweer nu het mede gelet op de gebezigde bewijsmiddelen niet aannemelijk is geworden.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is het hof dan ook van oordeel dat het de verdachte is geweest die de goederen uit de woning van aangever [benadeelde 2] heeft gestolen (feit 1). De verdachte zal worden vrijgesproken van de braak, verbreking en inklimming, nu dit niet uit de aangifte of anderszins uit het dossier blijkt.
Gelet op het voorgaande acht het hof eveneens de diefstal van de Audi van aangever [benadeelde 2] door middel van een valse sleutel wettig en overtuigend bewezen (feit 4), nu de verdachte als heer en meester over de Audi heeft beschikt en deze daarmee heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Dat de Audi niet ver van de woning van [benadeelde 2] is aangetroffen, maakt dat niet anders.
Aangever [aangever 1] en aangever [aangever 2] (feit 2)
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat aangeefster [aangever 1] op 3 juli 2024, omstreeks 04.50 uur, een man met een bivakmuts bij de deuropening van de achterdeur van haar woning in Tholen zag en dat er meerdere goederen, waaronder verschillende soorten munitie, zijn weggenomen (procesdossier pagina’s 151-152). Op 3 december 2024 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waarbij onder andere verschillende soorten munitie zijn aangetroffen. Uit de beschrijving van de gestolen munitie door [benadeelde 3] , de partner van aangeefster [aangever 1] , in combinatie met zijn herkenning van de aangetroffen munitie in de woning van de verdachte op de foto, stelt het hof vast dat de verdachte deze gestolen munitie voorhanden heeft gehad.
Daarnaast stelt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat er in de nacht van 18 juli 2024 meerdere goederen, waaronder een jas van het merk Canada Goose, uit de woning van aangever [aangever 2] in Westkapelle zijn weggenomen. Tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte op 3 december 2024 is een jas van het merk Canada Goose aangetroffen. Uit de beschrijving van de gestolen jas door aangever [aangever 2] , in combinatie met zijn herkenning van de in de woning van de verdachte aangetroffen jas op de foto, stelt het hof vast dat de verdachte deze gestolen jas voorhanden heeft gehad.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt voorts dat de telefoon van de verdachte met IMEI-nummer [IMEI-nummer] op 3 juli 2024 een mast aan de [adres] te Tholen heeft aangestraald en de telefoon van de verdachte met het telefoonnummer [telefoonnummer] in de nacht van 18 juli 2024 een zendmast aan de [adres] te Westkapelle heeft aangestraald.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat [medeverdachte] de telefoons van de verdachte heeft gebruikt en [medeverdachte] in zijn woning verbleef, is door de verdediging voor het eerst naar voren gebracht op de terechtzitting in hoger beroep en op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof passeert dan ook dit verweer nu het mede gelet op de gebezigde bewijsmiddelen ook niet aannemelijk is geworden. De omstandigheid dat [medeverdachte] in het politiedossier wordt herkend als degene die met een gestolen bankpas van een andere woninginsluiping in de nacht van 18 juli 2024 in Westkapelle heeft gepind, sluit de betrokkenheid van de verdachte bij onderhavig feit niet uit.
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die de goederen uit de woning van aangeefster [aangever 1] en [benadeelde 3] , alsook de goederen uit de woning van aangever [aangever 2] heeft gestolen (feit 3). De verdachte zal voor deze feiten eveneens worden vrijgesproken van de braak, verbreking en inklimming, nu dit niet uit de aangiftes of anderszins uit het dossier blijkt.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal.

Het onder feit 2 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, meermalen gepleegd.
Het onder feit 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat het, gelet op de veroordeling van de verdachte in Italië waarbij aan hem een langdurige gevangenisstraf is opgelegd, het niet langer opportuun is om de verdachte na het uitzitten van zijn straf in Italië alsnog in Nederland een gevangenisstraf voor de onderhavige feiten uit te laten zitten.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in een periode van drie weken schuldig heeft gemaakt aan drie woninginsluipingen waarbij hij goederen heeft gestolen en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een auto. Woninginsluipingen waarbij goederen worden gestolen zijn ernstige feiten, waarbij inbreuk wordt gemaakt op andermans eigendomsrechten alsook op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De woning is bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Woninginsluipingen veroorzaken dan ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Aangeefster [aangever 1] heeft daarbij de verdachte in haar woning zien staan, hetgeen erg beangstigend voor haar moet zijn geweest. Daarnaast brengen dergelijke feiten voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Daar heeft de verdachte zich niets van aangetrokken en hij heeft kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Die veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
In hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, alsmede de diverse mediaberichten omtrent de verdachte, is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte in mei 2026 door de rechtbank in Milaan (Italië) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaar wegens brandstichting waarbij drie mensen om het leven zijn gekomen. De raadsman heeft in dat kader naar voren gebracht dat de rechtbank in Milaan in mei 2026 mondeling uitspraak heeft gedaan, dat de schriftelijke uitspraak binnen enkele weken wordt verwacht en dat daarna eventueel hoger beroep tegen die uitspraak kan worden ingesteld. Het hof ziet aanleiding om met deze buitenlandse veroordeling bij de onderhavige strafoplegging rekening te houden.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij in Italië ook zou zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren in een drugszaak. Het hof vermeldt het wel, maar omdat deze veroordeling verder op geen enkele wijze is onderbouwd of anderszins van gebleken is, laat het hof dit verder buiten beschouwing.
Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof zal – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de veroordeling in Italië waarbij aan de verdachte een gevangenisstraf voor 21 jaren is opgelegd – aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 252 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.002,31 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering valt uiteen in de volgende posten:
€ 185,12 aan het opnemen van een dag verlof;
€ 542,19 aan een nieuwe sleutel voor de Audi;
€ 275,00 aan een nieuwe sleutel voor de Citroën.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] integraal toegewezen voor het bedrag van € 1.002,31 aan materiële schade. De politierechter heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft primair aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair is ten aanzien van post iii. bepleit dat er enkel een offerte als onderbouwing is ingediend en er ten aanzien van de sleutel voor de Citroën geen causaal verband is tussen de schade en het door de rechtbank bewezenverklaarde.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Materiële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het onder feit 1 en feit 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
Het hof stelt vast dat de gevorderde schade onder de posten i. en ii. door de verdediging niet inhoudelijk zijn betwist en dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd. Derhalve zal het hof deze gevorderde schade toewijzen.
Anders dan de rechtbank acht het hof tevens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de autosleutel van de Citroën type C3, waardoor een causaal verband tussen de schade onder post iii. en het onder feit 1 bewezenverklaarde is komen vast te staan. Voor toewijzing van een vordering is niet vereist dat de uitgebrachte offerte betreffende de schade reeds is voldaan. Het hof acht het gevorderde bedrag onder post iii. redelijk en is van oordeel dat de ingediende offerte voor deze schadepost daarvoor een voldoende onderbouwing is. Derhalve zal het hof ook de gevorderde schade onder post iii. toewijzen.
Conclusie
Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder feit 1 en feit 4 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 1.002,31, bestaande uit materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024, zijnde de datum dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 1.002,31. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft bij vordering van 5 december 2024 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 6 juni 2023 onder parketnummer 18-050843-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof stelt vast dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken een proeftijd van één jaar is verbonden. De uitspraak van de politierechter te Groningen is op tegenspraak gewezen, waardoor de proeftijd – eveneens blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026 – op 21 juni 2023 is ingegaan. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de proeftijd gedurende de periode van 21 juni 2023 tot en met 20 juni 2024 van kracht was. Dat in acht nemende, stelt het hof voorts vast dat de pleegdata van de bewezenverklaarde feiten derhalve buiten de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf liggen. Gelet daarop zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling
De verdachte is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 23 februari 2021, alsmede bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde van 10 mei 2022 en
bij onherroepelijk vonnis van het gerechtshof van 16 februari 2023 onder parketnummer 02-
074188-23 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1474 dagen met een v.i.-periode van 492 dagen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 11 december 2024 (v.i. zaaknummer 99-000400-51) gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen voor een periode van 364 dagen wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig zou maken aan een strafbaar feit.
Met de verdediging acht het hof, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de veroordeling in Italië waarbij aan de verdachte een gevangenisstraf voor 21 jaren is opgelegd, herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling thans niet meer opportuun en wenselijk. Het hof zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de onder feit 1 tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal in de woning van [benadeelde 1] in Yerseke op 5 juli 2024;
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, alsmede de afzonderlijke beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 2 januari 2025 met v.i. zaaknummer, en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 primair en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1, feit 2 primair en feit 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
252 (tweehonderdtweeënvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder feit 1 en feit 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.002,31 (duizend twee euro en eenendertig cent)als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder feit 1 en feit 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.002,31 (duizend twee euro en eenendertig cent)aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-050843-21;
wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met v.i. zaaknummer 99-000400-51 af.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 16 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Wanneer op deze plek en in het vervolg wordt verwezen naar een dossierpagina is bedoeld het procesdossier [verdachte] , onderzoek NAUMAN, gesloten op 20 december 2024.