ECLI:NL:GHSHE:2026:1910

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
20-003237-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 55 WWMArt. 67a lid 3 SvArt. 6 EVRMArt. 27 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag wegens noodweer en veroordeling voor illegaal wapenbezit

Op 12 oktober 2021 vond in Bergen op Zoom een schietincident plaats waarbij verdachte en benadeelde elkaar beschoten. Het hof acht bewezen dat verdachte op benadeelde heeft geschoten met een automatisch vuurwapen, maar kan niet vaststellen wie als eerste het vuur opende.

Gezien de onduidelijkheid over de aanvang van het schieten en de verklaring van verdachte acht het hof het beroep op noodweer geslaagd. Hierdoor wordt verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag. Wel is bewezen dat verdachte een vuurwapen van categorie II of III in bezit had, waarvoor hij veroordeeld wordt tot 18 weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

De vordering van benadeelde tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging voor het poging tot doodslag. Het hof houdt rekening met overschrijding van de redelijke termijn en matigt de straf met twee weken. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag wegens noodweer en veroordeeld tot 18 weken gevangenisstraf voor illegaal wapenbezit.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003237-23
Uitspraak : 21 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-278075-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans verblijvende in P.I. Dordrecht te Dordrecht.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als
  • ‘poging moord’ (feit 1 primair) en
  • ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III’ (feit 2),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op nihil. Tot slot is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 47.430,00, bestaande uit € 39.930,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Namens de benadeelde partij is bij e-mail van 6 juli 2026 en ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de vordering ter zake van de materiële schade niet langer wordt gehandhaafd. Dit deel van de vordering (ad € 39.930,00) is derhalve niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen. Voor het overige heeft de benadeelde partij [benadeelde] de vordering gehandhaafd.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat het hof de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde dan wel in geval van een bewezenverklaring dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging om onmiddellijke invrijheidstelling op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering verzocht. Tot slot heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat hij:
1.op of omstreeks 12 oktober 2021 te Bergen op Zoom, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen met een automatisch vuurwapen in de richting van die [benadeelde] en/of tegen een voertuig (te weten een Audi met kenteken [kenteken 1] ) waarin die [benadeelde] zich op dat moment bevond, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 12 oktober 2021 te Bergen op Zoom ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een vuurwapen in de richting van [benadeelde] en/of tegen een voertuig (te weten een Audi met kenteken [kenteken 1] ) waarin die [benadeelde] zich op dat moment bevond, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.op of omstreeks 12 oktober 2021 te Bergen op Zoom
- een vuurwapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:
1.op 12 oktober 2021 te Bergen op Zoom, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde] en tegen een voertuig (te weten een Audi met kenteken [kenteken 1] ) waarin die [benadeelde] zich op dat moment bevond, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.op 12 oktober 2021 te Bergen op Zoom
- een vuurwapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren of
- een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool,
voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt onder registratienummer ZB2R021107 (onderzoek Sealink) door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, gesloten d.d. 30 augustus 2022, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-1653. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 11 mei 2022, dossierpagina’s 1349-1365, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
p. 1350
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord verdachte
p. 1352
V: Wat voor voertuigen hadden jij en [betrokkene] op 12 oktober 2021 op naam staan en of in gebruik?
A: Audi Q5 met kenteken [kenteken 1] , zwart van kleur. De Audi daar rijd ik meestal in.
p. 1358
A: Op 12 oktober 2021 om half zes (
het hof begrijpt: 17.30 uur) reed ik met mijn Audi Q5 naar de Lidl. Onderweg kom ik op de rotonde met de Rooseveltlaan [verdachte] (
het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]) tegen. Ik naderde de rotonde en [verdachte] reed op de rotonde. [verdachte] reed in een grijze Volkswagen Tiquan. Toen ik de rotonde opreed, reed [verdachte] gelijk achter mij aan. Op het moment dat we de rotonde afreden, zag ik dat [verdachte] mij groot licht gaf. Hij seinde met zijn verlichting. Ik parkeerde gelijk aan de rechterkant op de Rooseveltlaan nabij de laminaatwinkel. Ik parkeerde mijn auto daar in een parkeervak. Ik zag dat [verdachte] met zijn auto links van mij kwam staan. Ik zag dat [verdachte] zijn raam opende en ik opende ook mijn raam. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: “He kom eens even praten”. Ik zei toen gelijk: “Ja dat is goed.” Ik zag dat [verdachte] vervolgens verder reed. Ik reed achter hem aan. Ik zag dat [verdachte] bij de Stadlander rechts af sloeg en meteen links af sloeg de Jan Dercksstraat in. Op een gegeven moment verderop in de Jan Dercksstraat parkeerde [verdachte] zijn auto. [verdachte] parkeerde zijn auto rechts in een parkeervak tussen twee flats. Ik reed hem iets voorbij en zette mijn auto stil midden in de straat.
p. 1359
V: Hoe schat je de afstand tussen jullie voertuigen?
A: Ik denk dat de afstand ongeveer 7 a 8 meter was tussen de achterzijde van mijn auto en de achterzijde van zijn auto.
V: Wat gebeurde er toen?
A: Ik zette mijn auto in de parkeerstand. Mijn auto is een automaat. Ik deed mijn gordel af om uit te stappen. Ik keek op dat moment in mijn binnenspiegel. Ik zag dat de kofferbak van de Tiguan van [verdachte] al openstond. Ik zag in mijn binnenspiegel dat [verdachte] gelijk iets uit de kofferbak pakte. Ik keek over mijn rechter schouder want ik zat nog in mijn auto. Ik zag dat [verdachte] een zwart wapen in zijn handen had en meteen doorlaadde. Ik zag dat [verdachte] 1 keer naar links en 1 keer naar rechts keek en meteen begon te schieten op de rechterachterkant van mijn auto. Vanaf de eerste knal die ik hoorde, dook ik onder mijn stuur met mijn hoofd. Ik bukte. Ik drukte keihard op de rem en drukte de pook naar achter om hem in zijn “D" te zetten. Ik trap op de rem en drukte de pook naar achter. Door de situatie kwam de pook in stand N te staan, waardoor de versnelling in zijn neutraal kwam. Ik gaf gas maar hierdoor kwam de auto dus niet vooruit.
Omdat ik dus niet vooruit kwam met mijn auto, was er maar één optie, dus gooide ik mij aan de bestuurderszijde uit mijn auto op de grond. Ik haalde het pistool uit mijn rechterzak van mijn bodywarmer. Voor mijn gevoel was ik geraakt. Ik kon geen kant op. Ik trok mijn wapen, ik laadde mijn wapen door, en ik schoot op [verdachte] .
V: Waar stond [verdachte] toen hij schoot?
A: [verdachte] stond vanuit mij gezien links ter hoogte van de achterzijde van zijn auto. Dus tussen zijn auto en mijn auto in.
p. 1360
A: Ik wil nog opmerken dat [verdachte] nadat hij het wapen uit zijn kofferbak had gepakt op mijn auto afliep en gelijk begon te schieten. Op dat moment stond [verdachte] 4 a 5 meter van mij vandaan.
Ik kon dus geen kant op. Het lukte mij niet om weg te komen met mijn auto. Ik gooide mezelf uit de auto, ik zat klem, ik was doodsbang, ik kon geen kant op. Ik pakte mijn wapen uit de rechterzak van mijn bodywarmer en begon terug te schieten op [verdachte] .
V: Hoe deed jij dat?
A: Dit gebeurde echt binnen 2 seconden dat ik viel, mijn wapen pakte, doorlaadde en terug schoot. Ik probeerde omhoog te komen maar stond nog gebukt achter mijn auto op de plaats waar ik mij uit de auto had laten vallen. Dus naast mijn auto aan de bestuurderszijde.
V: Hoe had [verdachte] dat wapen vast?
A: Hij had het vuurwapen eerst met twee handen vast toen hij op mij schoot, maar toen ik terug schoot zag ik dat hij het vuurwapen met één hand vast hield. Terwijl [verdachte] schoot liep hij achteruit. Ik zag dat [verdachte] achteruit rende langs de bestuurderszijde van zijn auto in de richting van een boom welke voor de auto van [verdachte] stond. Ik zag dat [verdachte] zich verstopte achter deze boom. Op het moment dat [verdachte] naar deze boom liep, liep ik terug vanaf de achterzijde van mijn auto naar mijn bestuurdersportier.
p. 1361
V: Op het moment dat jij weer terug bij je bestuurdersportier bent, wat heb je toen gedaan?
A: Ik zag toen de enige mogelijkheid dat ik weer in mijn auto kon stappen en weg kon rijden, omdat hij achter de boom was. Ik ben direct in de auto gestapt en met kapotte band en velg weggereden.
2.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (Jan Dercksstraat 36 Bergen op Zoom) d.d. 27 november 2021, pagina’s 28-34 van het dossier Forensische Opsporing TGO Sealink, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
p. 28
Op 12 oktober 2021 werd omstreeks 18.14 uur melding gedaan van een schietpartij op de Jan Dercksstraat in Bergen op Zoom.
p. 29De onderzoekslocatie betrof een openbare parkeerplaats gelegen aan de Jan Dercksstraat te Bergen op Zoom. De parkeerplaats is gelegen tussen het appartementencomplex met huisnummers 19 t/m 36 en het appartementencomplex met huisnummers 37 t/m 54. De parkeerplaats bestond uit parkeervakken gelegen aan weerszijden van de Jan Dercksstraat.
Aan de ene zijde grensden de in totaal zes parkeervakken aan diverse schuurtjes. Aan de andere zijde grensden de in totaal vijf parkeervakken aan een grasveld.
p. 30
Wij zagen dat op de openbare weg ter hoogte van de Mercedes Sprinter een cluster van zeven hulzen lag.
Wij zagen dat een tweede cluster van hulzen en fragmenten zich gecentreerd hadden ter hoogte van parkeervakken 3 en 4 aan de zijde van het grasveld
(het hof begrijpt: de parkeervakken waarnaast de auto van de verdachte zich bevond). Deze aangetroffen sporen(dragers) werden gemarkeerd met markeringsborden 7 t/m 22.
Alle aangetroffen hulzen zijn van het kaliber 9 millimeter.
De navolgende sporendragers werden veiliggesteld en gewaarmerkt:
- Markering #7 - huls, Lugur - SIN AALP3123NL
- Markering #8 - huls, Luger - SIN AAOB4103NL
- Markering #9 - huls. S&B - SIN AAOB4102NL
- Markering #10 - huls. S&B - SIN AAOB4101NL
- Markering #11 - huls. S&B - SIN AAOB4100NL
- Markering #12- huls, Luger - SIN AAOB4099NL
- Markering #13 - huls. Luger - SIN AANS8548NL
- Markering #14 - manteldeel - SIN AAOB4098NL
- Markering #15 - onbekend fragment, mogelijk steenmateriaal - SIN AAOB4097NL
- Markering #16 - huls. S&B - SIN AAOB4096NL
- Markering #17 - huls. S&B - SIN AAOB4095NL
- Markering #18 - huls. S&B - SIN AAOB4094NL
- Markering #19 - onbekend metalen voorwerp - SIN AANS8547NL
- Markering #20 - huls, S&B - SIN AAOB4093NL
- Markering #21 - huls, S&B - SIN AAOB4092NL
- Markering #22 - manteldeel - SIN AAOB4091NL
- Manteldeel (later) aangetroffen nabij markering #17 - SIN AAOB4088NL
In totaal zijn er 19 hulzen aangetroffen op de parkeerplaats/openbare weg gelegen aan de Jan Dercksstraat te Bergen op Zoom.
Er bevonden zich twee clusters van hulzen en/of munitiedelen. Waarbij aan de voorzijde van de parkeerplaats 7 hulzen werden aangetroffen en aan de achterzijde van de parkeerplaats 12 hulzen, 3 manteldelen en 2 onbekende fragmenten werden aangetroffen.
3.
Het herziene rapport Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Bergen op zoom op 12 oktober 2021, van 21 december 2021, pagina’s 400-405 en verder van het dossier Forensische Opsporing TGO Sealink, voor zover inhoudende de bevindingen van [deskundige 1] , NFI-deskundige wapens en munitie:
p. 404
De resultaten van het indicatief onderzoek worden verwacht wanneer de twaalf hulzen [AALP3123NL, AANS8548NL, AAOB40921NL t/m -96NL, -99NL en -4100NL t/m - 4103NL] zijn verschoten met één vuurwapen.
De afvuursporen in de 12 hulzen [AALP3123NL, AANS8548NL, AAOB4092NL t/m - 96NL, -99NL en -4100NL t/m -4103NL] worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Ceska Zbrojovka, model P-7 of P-10.
4.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Audi [kenteken 1] ) d.d. 24 december 2021, p. 122-128 van het dossier Forensische Opsporing TGO Sealink, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
p.123
Visueel onderzoek en veiligstellen (micro)sporen
Aan de rechterachterzijde van de personenauto zagen wij in totaal 11 beschadigingen.
Wij zagen dat deze beschadigingen verspreid waren vanaf de velg tot aan de geïntegreerde dakrails. Wij zagen dat de beschadigingen in de carrosserie cirkelvormige perforaties betroffen, waarvan de randen naar binnen toe vervormd waren. Aan de uiterlijke kenmerken konden wij concluderen dat voornoemde beschadigingen zeer waarschijnlijk schotbeschadigingen betroffen, welke waren veroorzaakt door het binnendringen van een kogel (inschotbeschadigingen).
p. 124
Reconstructie schootsbaan en -richting
#08 In de achterste zijruit aan de passagierszijde zagen wij een cirkelvormige perforatie met daaromheen diverse, regelmatig verlopende, radiale breuklijnen. Aan de uiterlijke kenmerken konden wij concluderen dat dit gat waarschijnlijk een (door)schotbeschadiging betrof.
#09 Wij zagen dat de inschotbeschadiging zich bevond in de D-stijl aan de passagierszijde van het voertuig.
#10 In de geïntegreerde dakrails zagen wij een beschadiging die waarschijnlijk was veroorzaakt door het binnendringen van een kogel (inschotbeschadigingen).
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2023 (los bijgevoegd), inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Naar aanleiding van het herziene rapport ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Bergen Op Zoom op 12 oktober 2021’, opgemaakt door [deskundige 1] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) op 21 december 2021, werd er door het Openbaar Ministerie de vraag gesteld onder welk artikel/categorie van de Wet Wapens en Munitie de genoemde vuurwapens vallen.
In het NFI-rapport wordt er onder andere gesproken over: “een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Ceska Zbrojovka, model P-7 of P-10”.
Op 6 oktober 2023 heb ik telefonisch contact opgenomen met de Afdeling Wapens en Munitie van het NFI en heb ik gesproken met forensisch vuurwapendeskundige [deskundige 2] . Ik hoorde hem het volgende verklaren:
“Het NFI heeft onderzoek gedaan naar sporen op hulzen en (mantel) delen in dit proces en heeft de genoemde vuurwapens niet fysiek in handen gehad. In principe zijn de genoemde vuurwapens semiautomatisch, maar het zou kunnen dat een dergelijk pistool bewerkingen heeft ondergaan, waardoor het automatisch is geworden. Vandaar dat “semi” tussen haakjes staat”.
Van fabriek af worden de CZ (Ceska Zbrojovka) pistolen van het model P-7 en P-10 als semiautomatisch pistool gefabriceerd.
Juridische beschrijving vuurwapen:
Een vuurwapen is een voorwerp dat bestemd/geschikt is om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve zijn genoemde pistolen vuurwapens in de zin van artikel I, onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder I van de Wet
Wapens en Munitie.
6.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 7 juli 2026, voor zover inhoudende:
Er was op 12 oktober 2021 in Bergen op Zoom op de Jan Dercksstraat een schietincident waar [benadeelde] en ik bij betrokken waren. Ik reed die dag in een Volkswagen Tiguan met kenteken [kenteken 2] . Ik heb op 12 oktober 2021 meerdere keren geschoten. Ik heb heel snel geschoten in een paar seconden. Het was een pistool.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, in de kern het volgende aangevoerd.
In de eerste plaats is volgens de verdediging geen sprake van een poging tot moord. De verklaring van getuige [getuige 1] , waar de rechtbank de voorbedachte raad op heeft gebaseerd, zou immers door de rechtbank onjuist geïnterpreteerd zijn. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verklaring van [benadeelde] niet als meer waarachtig dient te worden beschouwd dan die van de verdachte. Daarbij wordt onder meer gewezen op de omstandigheid dat de verdachte direct na het incident – toen hij zich niet goed voelde – door de politie is gehoord, terwijl [benadeelde] zeven maanden na het incident pas voor het eerst is gehoord en een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd nadat hij door verbalisanten uitgebreid zou zijn geïnformeerd over de inhoud van het dossier. Ook zou de verklaring van [benadeelde] kunnen worden gefalsificeerd aan de hand van de verklaring van zijn broer.
In de visie van de verdediging kan het schieten door de verdachte voorts niet als een poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling worden aangemerkt, nu de verdachte bewust laag heeft geschoten en niet de intentie had om [benadeelde] te raken, maar om hem af te schrikken. Zo zijn de ramen van de auto van [benadeelde] intact gebleven en heeft de verdachte niet op [benadeelde] geschoten toen deze in zijn auto wegreed. Hoogstens had het incident als een bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht kunnen worden gekwalificeerd, maar dit is niet tenlastegelegd.
Gelet op het voorgaande verzoekt de verdediging om vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Vaststaande feiten
Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat er op 12 oktober 2021 op de Jan Dercksstraat in Bergen op Zoom een schietpartij heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte en [benadeelde] elkaar hebben beschoten, waarbij de verdachte twaalf schoten en [benadeelde] zeven schoten heeft afgevuurd.
De verklaringen van de verdachte en van [benadeelde]
Het hof stelt vast dat de verklaringen van de verdachte en [benadeelde] over de gang van zaken met betrekking tot de schietpartij en meer in het bijzonder over de vraag wie als eerste het vuur heeft geopend, uiteenlopen.
[benadeelde] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 12 oktober 2021 met zijn auto op de rotonde met de Rooseveltlaan te Bergen op Zoom reed, alwaar hij de verdachte in een Volkswagen Tiguan zag rijden. De verdachte zou vervolgens achter [benadeelde] zijn aangereden en met zijn verlichting naar [benadeelde] hebben geseind, waarop [benadeelde] zijn auto in een nabijgelegen parkeervak heeft geparkeerd. De verdachte kwam naast hem staan en nadat beiden hun autoraam openden, zei de verdachte tegen [benadeelde] : “Hé, kom eens even praten”. [benadeelde] zei tegen de verdachte dat dit goed was. Hierna reed de verdachte verder en reed [benadeelde] achter de verdachte aan, totdat de verdachte zijn auto in de Jan Derkcsstraat parkeerde. [benadeelde] zette zijn auto iets verderop midden op de weg stil en zag, toen hij zijn gordel afdeed om uit te stappen, in de binnenspiegel van zijn auto dat de kofferbak van de auto van de verdachte open stond en dat de verdachte hier iets uit haalde. [benadeelde] zag dat de verdachte een zwart wapen vasthield dat hij meteen doorlaadde en dat de verdachte, toen hij zich op vier à vijf meter afstand van de auto van [benadeelde] bevond, begon te schieten op de rechterzijde van diens auto. Omdat [benadeelde] met zijn hoofd weg moest duiken onder het stuur en er niet in slaagde om weg te rijden, liet hij zich uit zijn auto vallen, pakte hij een pistool uit de rechterzak van zijn bodywarmer en schoot hij in de richting van de verdachte.
Hiertegenover staat de verklaring van de verdachte inhoudende dat niet hij, maar [benadeelde] is begonnen met schieten. De verdachte heeft ten overstaan van de politie en de rechtbank verklaard dat [benadeelde] vanaf de rotonde achter hem reed en hem volgde. Toen is de verdachte afgeslagen en heeft hij zijn auto in de Jan Dercksstraat geparkeerd, naar eigen zeggen om te kijken of [benadeelde] door zou rijden. Hij voelde zich bedreigd en angstig. Maar [benadeelde] stopte zijn auto midden op de weg, stapte uit en begon gelijk met schieten. De verdachte bevond zich op dat moment nog in zijn auto. [benadeelde] schoot over zijn eigen auto heen en heeft daarna een paar keer vanaf de voorkant van zijn auto richting de verdachte geschoten. Hierop zou de verdachte zijn uitgestapt en zich achter een boom hebben verscholen. [benadeelde] bleef in de richting van de verdachte schieten. De verdachte heeft toen de keuze gemaakt om naar de kofferbak van zijn auto te rennen en het wapen dat zich daarin bevond, te pakken, terwijl [benadeelde] onverminderd bleef schieten in de richting van de verdachte. De verdachte is vervolgens van dichtbij gaan schieten op de achterkant van de auto van [benadeelde] , die zich op dat moment (nog steeds) aan de voorzijde van zijn auto bevond, in de hoop dat [benadeelde] zou vertrekken. [benadeelde] is vervolgens ingestapt en weggereden. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte daaraan toegevoegd dat [benadeelde] niet alleen over zijn auto heen heeft geschoten, maar zich ook heeft verplaatst in de richting van de boom waarachter de verdachte zich schuilhield. [benadeelde] zou voor de ter plaatse geparkeerde witte bus langs naar de boom zijn gelopen. Op het moment dat [benadeelde] zich voor de boom bevond waarachter de verdachte stond, zou hij nogmaals van korte afstand in de richting van de verdachte hebben geschoten. De verdachte zou vervolgens naar zijn kofferbak zijn gerend, het wapen uit zijn kofferbak hebben gepakt en toen pas op de achterkant van de auto van [benadeelde] hebben geschoten, terwijl [benadeelde] daarop naar de voorzijde van zijn auto zou zijn gerend en is weggereden.
Het hof merkt allereerst op dat beide verklaringen op onderdelen niet goed te volgen zijn. Voor de verklaring van [benadeelde] geldt in dit verband dat het hof niet goed begrijpt waarom [benadeelde] op een eerder moment (nadat beiden elkaar op de rotonde waren tegen tegengekomen) bij de laminaatwinkel wel in een parkeervak is gaan parkeren, maar dat [benadeelde] later, nadat hij achter verdachte aan was gereden om te gaan praten en de verdachte zijn auto in een parkeervak had geparkeerd, zijn auto er niet naast heeft gezet in een parkeervak, maar iets verderop midden op de weg is gestopt. Ook begrijpt het hof niet goed waarom [benadeelde] de relatieve veiligheid van de bestuurderszijde van zijn auto heeft verlaten en naar de achterkant van zijn auto is gelopen om richting verdachte te schieten. Vanaf die plek was hij zelf immers veel kwetsbaarder.
Voor de verklaring van de verdachte geldt in dit verband dat het hof niet goed begrijpt waarom de verdachte, die naar eigen zeggen achtervolgd werd door [benadeelde] en bang was, zijn auto een woonwijk inrijdt en parkeert in een parkeervak met de neus richting de speeltuin om te kijken of [benadeelde] wel of niet zou doorrijden. Het hof heeft verder veel moeite met het verhaal van de verdachte dat hij, terwijl hij werd beschoten, de relatieve veiligheid van de boom waarachter hij zich schuilhield, heeft verlaten om naar de kofferbak van zijn auto te gaan, die te openen en daaruit een wapen te pakken. Vanaf die plek, direct achter de kofferbak, stond verdachte immers direct in de schootslijn van [benadeelde] .
De schoten
Het hof kan, anders dan de rechtbank, niet uit het dossier afleiden dat er in twee aparte salvo’s is geschoten, dus eerst twaalf keer door verdachte en vervolgens zeven keer door [benadeelde] , dan wel dat dit andersom is gebeurd. De getuigen die verklaard hebben over twee aparte salvo’s hebben daarvoor te verschillend verklaard over de aantallen schoten die ze hebben gehoord en niet alle getuigen hebben twee verschillende salvo’s gehoord. Het hof gaat er, mede gelet op de verklaringen die zich in het dossier bevinden, van uit dat de verdachte en [benadeelde] in ieder geval deels tegelijkertijd op elkaar geschoten hebben. Dit sluit ook beter aan bij de verklaringen die zij zelf hebben afgelegd.
De verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4]
De drie getuigen, [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , die daadwerkelijk iets hebben gezien van de schietpartij, hebben alle drie eerst knallen gehoord, zijn vervolgens naar buiten gaan kijken en met de politie gaan bellen waarbij sommige getuigen tijdelijk even niet meer naar buiten hebben gekeken. De drie getuigen hebben bovendien alle drie vanuit een andere hoek gekeken en telkens maar een deel van de schietpartij kunnen waarnemen.
Het hof kan uit de verklaringen van deze drie getuigen niet afleiden welke verklaring, die van [benadeelde] of die van verdachte, het meest overeenstemt met hetgeen daadwerkelijk is gebeurd. Geen van de getuigen heeft gezien wie er als eerste heeft geschoten. De getuige [getuige 2] heeft toen zij naar buiten keek nadat zij knallen had gehoord, in eerste instantie [benadeelde] zien schieten vanuit het open bestuurdersportier met zijn hand op het dak van de auto op een andere auto die geparkeerd stond in een parkeervak bij het speeltuintje. Bij deze auto bevond zich de verdachte, die vanuit de rechterzijde van zijn auto naar de kofferbak liep, deze opende en er een groot wapen uithaalde dat hij met twee handen moest vasthouden. De getuige heeft de verdachte echter niets met dit wapen zien doen. Toen de getuige weer richting [benadeelde] keek, zag ze dat deze wegreed. Het hof stelt vast dat deze verklaring weliswaar deels overeen lijkt te komen met hetgeen de verdachte heeft verklaard, maar dat deze verklaring niet kan kloppen, omdat de verdachte weldegelijk twaalf keer heeft geschoten met het wapen dat hij naar eigen zeggen (en ook volgens [benadeelde] ) uit de kofferbak van zijn auto heeft gehaald.
De getuige [getuige 3] heeft schoten gehoord op het moment dat ze aan het telefoneren was. Zij keek daarop naar buiten en zag de verdachte staan bij de open kofferbak van zijn auto met een machinegeweer in zijn handen. Zij hoorde nog altijd knallen toen zij het telefoongesprek afbrak en de politie belde om door te geven wat ze zag. Op een gegeven moment gooide de man het wapen in de kofferbak en even later was de auto verdwenen. De getuige heeft tijdens het bellen niet de hele tijd naar buiten gekeken. Het hof kan uit deze verklaring niet afleiden wie wanneer geschoten heeft en evenmin wie begonnen is met schieten. Het is immers heel goed mogelijk dat de knallen die de getuige heeft gehoord, (ook) afkomstig waren van het wapen van [benadeelde] .
De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op de bank zat, tien tot twaalf schoten hoorde, naar buiten is gaan kijken en toen [benadeelde] vanaf de achterzijde van zijn auto naar het bestuurdersportier heeft zien lopen, het bestuurdersportier heeft zien openen, waarna hij over het lagere gedeelte van zijn auto drie of vier keer heeft geschoten richting – naar het hof begrijpt – de verdachte, waarna hij wegreed. Het hof stelt vast dat [benadeelde] zeven keer heeft geschoten, ook vanaf de achterzijde van zijn auto, en dat de getuige dus alleen de laatste drie of vier schoten heeft gezien. Deze verklaring zegt met andere woorden evenmin iets over wie is begonnen met schieten en ondersteunt evenmin de verklaring van [benadeelde] dat hij zich uit zijn auto heeft laten vallen, is gaan schieten vanaf de bestuurderszijde en aansluitend vanaf de achterzijde van zijn auto en toen terug in de auto is gaan zitten en weg is gereden.
Conclusie
Het hof is gelet op de bewijsmiddelen en bovenstaande overwegingen van oordeel dat de verdachte op 12 oktober 2021 op [benadeelde] heeft geschoten. Het hof kan echter niet vaststellen wie van beiden als eerste is gaan schieten. De verklaringen van de getuigen voegen hier onvoldoende aan toe qua bewijs. Het enkele feit dat verdachte mogelijkerwijs een motief had om op [benadeelde] te schieten en dat [benadeelde] , voor zover het hof weet, geen motief had om op de verdachte te schieten, maakt een en ander niet anders.
Opzet
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat in de auto van [benadeelde] op verschillende plekken (door- en in)schotbeschadigingen zijn aangetroffen, waaronder in de achterste zijruit en de D-stijl van de passagierszijde van het voertuig. Uitgaande van bovengenoemde gang van zaken heeft de verdachte als ongeoefend schutter van korte afstand op de auto van [benadeelde] , waar die [benadeelde] zich in dan wel achter bevond, geschoten. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Dat de verdachte stelt geen opzet te hebben gehad op de dood van [benadeelde] omdat hij gericht op de onderkant van zijn auto zou hebben geschoten en [benadeelde] daarbij niet zou hebben willen raken, blijkt niet uit de aangetroffen schotbeschadigingen en doet aan het voorgaande niets af.
Voorbedachte raad
Mede gelet op het feit dat het hof niet kan bewijzen dat de verdachte de eerste is geweest die het vuur heeft geopend, kan het hof evenmin bewijzen dat de verdachte met voorbedachte rade op [benadeelde] heeft geschoten. Het hof kan niet bewijzen dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van feit 2
De beslissing dat het onder 2 bewezenverklaarde feit door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Het hof overweegt ambtshalve dat wanneer een wapen is omgebouwd er sprake is van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 2, lid 1, categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie. Dat het wapen was omgebouwd, kan echter niet onomstotelijk worden vastgesteld omdat het wapen niet is gevonden en derhalve niet is onderzocht.
Het hof stelt dan ook vast dat er in ieder geval sprake is geweest van het voorhanden hebben van een vuurwapen van de categorie II of III.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of III.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Het was volgens de verdediging niet de verdachte, maar [benadeelde] die begon met schieten, zodat de verdachte zich moest verdedigen tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer kan slagen indien er sprake is van een verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is.
Het hof heeft hierboven reeds geoordeeld dat het niet kan vaststellen wie als eerste geschoten heeft: de verdachte of [benadeelde] . Het hof zal daarom uitgaan van de verklaring van de verdachte dat [benadeelde] als eerste op hem geschoten heeft en dat de verdachte heeft teruggeschoten. De feitelijke grondslag van het verweer is daarmee voldoende aannemelijk geworden. Uitgaande van de verklaring van de verdachte was evident sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.
De verdachte had zich verschuild achter de boom waarin nadien drie kogelinslagen zijn aangetroffen, maar kon naar eigen zeggen geen kant op. Als hij zou wegrennen via de speeltuin, liep hij immers het risico te worden neergeschoten. Onder deze omstandigheden mocht de verdachte de keuze maken om naar zijn auto te rennen en uit de kofferbak van zijn auto een vuurwapen te pakken en terug te schieten. Het hof is van oordeel dat dit handelen in redelijke verhouding staat tot de wederrechtelijke aanranding door [benadeelde] die er aan vooraf is gegaan. Dat betekent dat het beroep op noodweer slaagt en verdachte voor de bewezenverklaarde poging doodslag van feit 1 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II of III van de Wet wapens en munitie(feit 2). Uit de aard van de zaak volgt hoe kwalijk het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is en waartoe dat kan leiden.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet recentelijk onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij vier kinderen heeft en dat zijn vrouw alleen voor de kinderen zorgt. Op dit moment gaat het goed met de verdachte, maar in het verleden kampte hij met psychische problemen waarvoor hij EMDR-therapie heeft gevolgd en in Marokko is behandeld door een psychiater.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Gelet op het vorenoverwogene zou het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden achten.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, dient de zaak echter in iedere procesfase binnen zestien maanden te worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in eerste aanleg met ruim een maand is overschreden, nu de verdachte op 13 oktober 2021 voor het eerst is verhoord en het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 21 november 2023. Het hof stelt tevens vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim een jaar en drie maanden is overschreden, nu bij akte van 1 december 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof bij arrest van heden, te weten 21 juli 2026, einduitspraak doet. Van bijzondere omstandigheden die in dit geval noodzaken tot het hanteren van een langere termijn dan 16 maanden, dan wel de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf zal matigen met twee weken.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof zal, gelet op de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, het bevel voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
In hoger beroep is een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] aan de orde ten bedrage van € 7.500,00 ter zake van immateriële schade.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair dat het hof de vordering zal matigen. De verdediging heeft het hof in dit verband verzocht om acht te slaan op het eigen aandeel van de benadeelde partij in het incident, alsmede de omstandigheid dat ter onderbouwing van de vordering wordt verwezen naar jurisprudentie waarin sprake is van lichamelijk letsel, terwijl daar in dit geval geen sprake van is.
Het hof overweegt met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding als volgt.
Het hof zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaringen in zijn vordering tot schadevergoeding, nu het hof de verdachte voor het bewezenverklaarde van feit 1 zal ontslaan van alle rechtsvervolging en de verdachte daarom geen straf of maatregel zal opleggen.
Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;
heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 21 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Pelsser en Burgmeijer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.