ECLI:NL:GHSHE:2026:1911

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
20-000953-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanpassing locatie- en gebiedsverbod en toewijzing schadevergoeding in hoger beroep

In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd, met uitzondering van het locatie- en gebiedsverbod en de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 9 voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden waaronder een locatie- en gebiedsverbod.

De verdediging voerde aan dat het locatieverbod problematisch was omdat het centrum van de plaats waar het verbod gold ook het treinstation omvatte, waardoor de verdachte het verbod zou overtreden bij gebruik van openbaar vervoer naar de reclassering. Het hof heeft het verbod daarom aangepast zodat het gebruik van openbaar vervoer door het gebied is toegestaan zolang de verdachte het vervoer niet verlaat.

De benadeelde partij had een vordering tot immateriële schadevergoeding van €3.500 ingediend, waarvan de rechtbank €1.500 toekende. Het hof heeft de volledige vordering van €3.500 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2022. Tevens is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling. De overige onderdelen van het vonnis zijn bevestigd.

Uitkomst: Het hof past het locatie- en gebiedsverbod aan en wijst de volledige schadevergoeding van €3.500 toe met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000953-25
Uitspraak : 17 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 24 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-298880-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als,
  • ‘belaging’(feit 1), en
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd’(feit 2),
de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, begeleiding door [organisatie] , een contactverbod en een locatieverbod. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd voor de duur van 5 jaren inhoudende een contactverbod en een gebiedsverbod. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. De vordering van de benadeelde partij is tot een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, toegewezen. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
Namens de verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust behalve voor wat betreft de aan de voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarde betreffende het locatieverbod, het gebiedsverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Aanvulling strafoverweging
Door de verdediging is aangevoerd dat het door de rechtbank opgelegde gebiedsverbod en de aan de voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarde betreffende het locatieverbod een probleem oplevert voor de verdachte, nu de hij afhankelijk is van het openbaar vervoer. Nu het door de rechtbank opgelegde locatieverbod het centrum van [plaats] omvat, waar ook het treinstation ligt, zal de verdachte reeds bij aankomst in [plaats] het locatieverbod overtreden. Dit is ook het geval wanneer de verdachte vanuit het treinstation met de bus naar de reclassering moet reizen.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het door de rechtbank opgelegde locatieverbod en gebiedsverbod omvat het centrum van [plaats] dat wordt omsloten door de volgende straten en met inbegrip van deze straten: [locatie 1] , [locatie 2] , [locatie 3] , [locatie 4] , [locatie 5] , [locatie 6] , [locatie 7] en [locatie 8] . Het treinstation van [plaats] ligt buiten dit gebied. Het kantoor van de reclassering waar de verdachte zich dient te melden, ligt buiten dit gebied. Indien de verdachte gebruik maakt van het openbaar vervoer voor een bezoek aan de reclassering doorkruist hij het gebied in kwestie echter wel. Het hof zal voornoemde bijzondere voorwaarde en het gebiedsverbod zodanig herformuleren dat indien de verdachte gebruik maakt van het openbaar vervoer voor een bezoek aan de reclassering en waarbij de route van het gekozen openbaar vervoer door het betreffende gebied leidt, er geen sprake is van overtreding van het locatieverbod en gebiedsverbod zolang de verdachte dat vervoer in het omsloten gebied niet verlaat.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente.
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering tot een bedrag van € 1.500,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft, in lijn met de bepleite vrijspraak, primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering af te wijzen wegens een onvoldoende onderbouwing dan wel de vordering bij toewijzing te matigen. Vanuit de verdachte is het vermoeden ontstaan dat de benadeelde partij een dubbele agenda heeft en dat de aangifte mede zou zijn ingegeven door financiële motieven. Voorts heeft de benadeelde partij gesteld dat zij een diepe depressie door heeft gemaakt en paniekaanvallen heeft gehad waarvoor ze een GGZ-behandeling heeft ondergaan. Deze stellingen zijn niet onderbouwd met medische gegevens. Mocht het hof komen tot toewijzing van een bedrag aan immateriële schade dan dient dit volgens de verdediging te begroot worden op maximaal € 550,-.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De verdachte heeft door zijn handelen herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij en heeft daarbij ook bedreigende woorden gebruikt. De verdachte heeft daarnaast ook contact gezocht met de werkgever en de zoon van de benadeelde partij. Hierdoor heeft de verdachte de benadeelde partij aanzienlijk leed toegebracht en angst veroorzaakt. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen hiervan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek sprake is. Het hof acht het gevorderde bedrag alleszins redelijk en zal dit integraal toewijzen.
Voorts zal het hof beslissen het toe te wijzen bedrag, zoals gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de gemaakte en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 3.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de aan de voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarde betreffende het locatieverbod, het gebiedsverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
bijzondere voorwaarde:
dat verdachte zich niet zal begeven in het centrum van [plaats] , omsloten door de volgende straten en met inbegrip van deze straten: [locatie 1] , [locatie 2] , [locatie 3] , [locatie 4] , [locatie 5] , [locatie 6] , [locatie 7] en [locatie 8] te [plaats] . Indien de verdachte gebruik maakt van het openbaar vervoer voor een bezoek aan de reclassering en waarbij de route van het gekozen openbaar vervoer door het hiervoor genoemde gebied leidt, is er geen sprake van overtreding zolang de verdachte dat vervoer in het omsloten gebied niet verlaat;
gebiedsverbod ex artikel 38v Sr:
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 5 jaar zich niet zal begeven in het centrum van [plaats] , omsloten door de volgende straten en met inbegrip van deze straten: [locatie 1] , [locatie 2] , [locatie 3] , [locatie 4] , [locatie 5] , [locatie 6] , [locatie 7] en [locatie 8] te [plaats] . Indien de verdachte gebruik maakt van het openbaar vervoer voor een bezoek aan de reclassering en waarbij de route van het gekozen openbaar vervoer door het hiervoor genoemde gebied leidt, is er geen sprake van overtreding zolang de verdachte dat vervoer in het omsloten gebied niet verlaat;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2022 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 17 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Koning en mr. Korver zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.