ECLI:NL:GHSHE:2026:193

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/35 ev ochtend
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:56 AwbArt. 8:68 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken recente volmacht in belastingzaken

In een groot aantal belastingzaken heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van diverse belanghebbenden behandeld, waarbij dezelfde gemachtigde namens hen optrad. Het hof had de gemachtigde verzocht om een recente volmacht en/of een uittreksel uit de Kamer van Koophandel te overleggen, die niet ouder mocht zijn dan zes maanden vanaf het moment van indiening van het beroepschrift. Ondanks meerdere verzoeken en een reactietermijn heeft de gemachtigde deze documenten niet tijdig aangeleverd.

De zittingen vonden digitaal plaats op 31 oktober 2025 en 18 december 2025, waarbij de heffingsambtenaren niet aanwezig waren. Het hof beperkte de behandeling tot de vraag of de belanghebbenden ontvankelijk waren in hoger beroep, gelet op het ontbreken van de vereiste volmachten. De gemachtigde voerde aan dat hij vertegenwoordigingsbevoegd was vanwege eerdere vertegenwoordiging in andere procedures en aanwezigheid van volmachten in rechtbankdossiers, maar het hof oordeelde dat dit onvoldoende was omdat expliciet een recente volmacht was vereist.

Het hof wees ook het verzoek tot heropening van het onderzoek af wegens gebrek aan motivatie. Daarnaast oordeelde het hof dat de uitnodigingen voor de zittingen rechtsgeldig waren verzonden en dat de gemachtigde voldoende informatie had om te weten welke zaken behandeld werden. Het hof concludeerde dat het ontbreken van een recente volmacht een verzuim is dat niet binnen de gestelde termijn is hersteld, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Verzoeken om immateriële schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een recente volmacht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummers: 24/35, 24/36, 24/37, 24/38, 24/133, 24/134, 24/135, 24/136, 24/220, 24/221, 24/222, 24/293, 24/295, 24/296, 24/302, 24/303, 24/304, 24/305, 24/308, 24/692, 24/705, 24/707, 24/708, 24/712, 24/713, 24/714, 24/715, 24/716, 24/717, 24/718, 24/719, 24/720, 24/737, 24/738, 24/739, 24/740, 24/741, 24/742, 24/743, 24/744, 24/745, 24/746, 24/747, 24/748, 24/749, 24/750, 24/751, 24/752, 24/753, 24/754, 24/760, 24/763, 24/764, 24/773, 24/774, 24/775, 24/776, 24/798, 24/799, 24/809, 24/810, 24/811, 24/812, 24/813, 24/814, 24/815, 24/816, 24/817, 24/818, 24/819, 24/1093, 24/1098, 24/1099, 24/1102, 24/1103, 24/1104, 24/1530, 24/1589, 24/1851, 24/1852, 24/1853, 24/1854, 24/1911, 24/1925, 24/1931, 24/1934, 24/1935, 24/1936
Uitspraken op het door [gemachtigde] , namens [kantoornaam] ingestelde hoger beroep in het geding tussen
elke belanghebbende genoemd in de bijlage bij deze uitspraak,
hierna: belanghebbenden,
en
elke heffingsambtenaar genoemd in de bijlage bij deze uitspraak,
hierna: de heffingsambtenaren.
Het hof verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak waarop vermeld staat tegen welke uitspraak van welke rechtbank hoger beroep is ingesteld.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaren hebben uitspraken op bezwaar gedaan.
1.2.
Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken evenzoveel beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft uitspraken gedaan. Daartegen is hoger beroep ingesteld door [gemachtigde] , namens [kantoornaam] (hierna: [gemachtigde] ).
1.3.
[gemachtigde] heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.4.
De zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 31 oktober 2025 met gebruikmaking van Microsoft Teams. Aan de digitale zitting heeft [gemachtigde] deelgenomen. De heffingsambtenaren zijn door het hof in de gelegenheid gesteld om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, maar hebben niet aan het hof laten weten dat zij daarbij aanwezig willen zijn. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende volmacht is overgelegd. Daarbij heeft het hof zijn bevindingen op voorhand kenbaar gemaakt, belanghebbenden in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en vermeld dat er vanuit het hof geen vragen zijn. [gemachtigde] heeft niet gereageerd op deze bevindingen. Op deze zitting zijn gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld de nummers 24/35, 24/36, 24/37, 24/38, 24/133, 24/134, 24/135, 24/136, 24/220, 24/221, 24/222, 24/293, 24/295, 24/296, 24/302, 24/303, 24/304, 24/305, 24/308, 24/692, 24/693, 24/705, 24/707, 24/708, 24/712, 24/713, 24/714, 24/715, 24/716, 24/717, 24/718, 24/719, 24/720, 24/737, 24/738, 24/739, 24/740, 24/741, 24/742, 24/743, 24/744, 24/745, 24/746, 24/747, 24/748, 24/749, 24/750, 24/751, 24/752, 24/753, 24/754, 24/760, 24/763, 24/764, 24/773, 24/774, 24/775, 24/776, 24/798, 24/799, 24/809, 24/810, 24/811, 24/812, 24/813, 24/814, 24/815, 24/816, 24/817, 24/818, 24/819, 24/1093, 24/1098, 24/1099, 24/1102, 24/1103, 24/1104, 24/1516, 24/1517, 24/1530, 24/1589, 24/1851, 24/1852, 24/1853, 24/1854, 24/1911, 24/1925, 24/1931, 24/1934, 24/1935, 24/1936.
1.5.
Vanwege verbindingsproblemen is het onderzoek ter zitting geschorst. De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Ook die zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden met gebruikmaking van Microsoft Teams. Aan deze zitting heeft [gemachtigde] deelgenomen. De heffingsambtenaren zijn door het hof wederom in de gelegenheid gesteld om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, maar hebben niet aan het hof laten weten daarbij aanwezig te willen zijn.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek in elke afzonderlijke zaak gesloten.
1.7.
Van de zitting en de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen worden verzonden.
1.8.
Op 23 december 2025 is bij het hof een brief van 18 december 2025 van [gemachtigde] binnengekomen, waarin hij onder meer verzoekt om een heropening van het onderzoek in elke zaak. Op 30 december 2025 is bij het hof een afschrift van diezelfde brief van 18 december 2025 van [gemachtigde] binnengekomen, waarin hij – handgeschreven – zijn brief van 18 december 2025 in herinnering brengt.
1.9.
Hoewel het om verscheidene belanghebbenden gaat, doet het hof hierbij in één geschrift uitspraken in alle in de aanhef genoemde zaken. Gelet op de algemene wijze waarop [gemachtigde] heeft geprocedeerd middels gelijkluidende brieven en de omstandigheid dat in alle zaken – al dan niet ter zitting – in meer of mindere mate dezelfde stellingen zijn betrokken door [gemachtigde] , doet het hof uitspraken in de zaken in één geschrift.

2.Feiten

2.1.
Aan de indiener van het hoger beroep heeft de griffier van het hof verzocht een recente op naam gestelde volmacht in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan is tevens verzocht een recent uittreksel uit de Kamer van Koophandel toe te voegen (hierna gezamenlijk aangeduid als: volmacht). De volmacht mag niet ouder zijn dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het beroepschrift in hoger beroep.
2.2.
De griffier van het hof heeft geconstateerd dat in het verzoek om een volmacht in de zaken 24/692, 24/705, 24/707, 24/708, 24/712 t/m 714, 24/715 t/m 720, 24/737 en 738, 24/739 t/m 745, 24/746 t/m 754, 24/760, 24/763 en 764, 24/773 t/m 776, 24/798 en 799, 24/809 t/m 819 weliswaar alle zaaknummers zijn benoemd, maar onder “procedure van” alleen [A BV] en BsGW is vermeld. Daarom heeft de griffier van het hof bij brief van 22 september 2025 voor deze zaaknummers nogmaals verzocht om het toesturen van een recente volmacht. Daarbij is een reactietermijn geboden van vier weken tot en met 20 oktober 2025.
2.3.
De gevraagde volmachten zijn in alle in de bijlage genoemde zaken niet dan wel niet binnen de door het hof gestelde termijn aangeleverd.
2.4.
Het hof heeft voorafgaand aan de zitting van 31 oktober 2025 aan partijen bericht dat de behandeling ter zitting is beperkt tot de vraag of belanghebbenden kunnen worden ontvangen in hoger beroep.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de belanghebbenden kunnen worden ontvangen in hoger beroep.
3.2.
Belanghebbenden concluderen dat dat het geval is.

4.Gronden

Vooraf
4.0.1.
Het hof merkt de onder 1.8 vermelde brieven aan als verzoeken tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb). Het hof heeft in dat wat [gemachtigde] aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan omdat hij niet heeft gemotiveerd waarom het onderzoek ter zitting onvolledig is geweest. Het hof rekent de brieven van [gemachtigde] niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
4.0.2.
In een aantal zaken – 24/133, 24/304, 24/305, 24/707, 24/739 tot en met 24/745, 24/760, 24/1852, 24/1853 en 24/1925 – is belanghebbende failliet verklaard, voordat de uitnodiging voor de zitting is verzonden. De curator heeft het hof daags voor het doen van deze uitspraken laten weten de zaken met de nummers 24/133, 24/304, 24/707, 24/739, 24/760, 24/1852 en 24/1925 niet over te nemen. Om redenen van proceseconomie, zoals volgt uit het navolgende, heeft het hof voor het doen van uitspraak niet een eventueel verzoek van de andere partij om ontslag van instantie afgewacht. Ook in de zaken met de nummers 24/305, 24/740 tot en met 24/745 heeft het hof om redenen van proceseconomie niet de reactie van de curator en een eventueel verzoek van de andere partij om ontslag van instantie afgewacht.
Ten aanzien van het geschil
Ontvankelijkheid
4.1.
De volgende beoordeling is van toepassing op alle hoger beroepen met een in de bijlage genoemd zaaknummer.
4.2.
Het hof heeft [gemachtigde] schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen een daarvoor gestelde termijn een recente, schriftelijke, volmacht aan te leveren. Het hof heeft daarbij vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als van de geboden herstelmogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt. Het hof is hiertoe overgegaan omdat in diverse andere zaken waarin [gemachtigde] als (gesteld) gemachtigde optrad twijfels zijn gerezen over de bevoegdheid van [gemachtigde] om namens de desbetreffende belanghebbende (hoger) beroep in te stellen. [1] [gemachtigde] heeft binnen de daarvoor gestelde termijn géén recente schriftelijke volmacht aangeleverd.
4.3.
Het hof ziet geen aanleiding om de gestelde termijn voor het overleggen van een recente, schriftelijke volmacht te verlengen. [gemachtigde] heeft daar niet voor het verstrijken van de termijn om verzocht en ook geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een eventuele termijnoverschrijding voor het overleggen van een recente, schriftelijke volmacht verschoonbaar moet worden geacht.
4.4.
Aangezien het ontbreken van een schriftelijke volmacht als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb Pro moet worden aangemerkt en [gemachtigde] dat verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
4.5.
Dat in een deel van de zaken in een later stadium alsnog een volmacht is overgelegd, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het buiten de gestelde termijn overleggen van de volmacht herstelt het eerder geconstateerde gebrek immers niet. Het hof heeft die volmachten dan ook niet beoordeeld.
4.6.
[gemachtigde] heeft ter zitting betoogd dat er geen aanleiding bestond om te twijfelen aan zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid omdat enkele van de belanghebbenden al jaren door hem in WOZ-zaken worden vertegenwoordigd. Daarnaast is in elk onderliggend rechtbankdossier een volmacht aanwezig. Het hof is echter, gelet op de in 4.2 genoemde aanleiding tot het opvragen van de volmacht, van oordeel dat er voldoende aanleiding was te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [gemachtigde] . Dat [gemachtigde] de betreffende belanghebbenden ook in andere procedures vertegenwoordigt, geeft echter geen uitsluitsel of [gemachtigde] ook in de onderhavige zaken is gemachtigd de belanghebbenden te vertegenwoordigen. Ook de aanwezigheid van een volmacht in het rechtbankdossier maakt dat niet anders. Het hof heeft namelijk, gelet op de in 4.2 genoemde aanleiding tot het opvragen van de volmacht, uitdrukkelijk verzocht om een volmacht die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hoger beroep, zodat een volmacht die in de bezwaar- of beroepsfase is overgelegd in elk geval niet voldoet.
Uitnodiging mondelinge behandeling
4.7.
[gemachtigde] heeft in hoger beroep gesteld dat hij geen – zoals hij dat noemt – formele uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen. [gemachtigde] wijst er daarbij op dat het hof in de uitnodiging slechts zaaknummers vermeldt en geen namen van belanghebbenden. Omdat zijn administratie is ingericht op basis van klantnaam was het voor hem niet duidelijk welke zaken op zitting zouden worden behandeld.
4.8.
Aan [gemachtigde] is op 22 september 2025 schriftelijk medegedeeld dat op 31 oktober 2025 om 10.00 uur een zitting zal plaatsvinden. Bij deze brief zijn bijlagen gevoegd waarin per zaak het zaaknummer van het hof en de betrokken procespartijen zijn opgenomen. Ook is vermeld dat de zitting via digitale weg zal plaatsvinden. Op 10 oktober 2025 is nogmaals aan [gemachtigde] medegedeeld welke zaaknummers op de zitting van 31 oktober 2025 zullen worden behandeld.
4.9.
[gemachtigde] heeft bij brief, ontvangen door het hof op 17 oktober 2025, als volgt gereageerd:
“Let wel: ik mocht tot op dit moment géén enkele formele uitnodiging (op tijd) ontvangen! Wát bent u eigenlijk van plan?”
4.10.
Na ontvangst van die brief heeft het hof op 23 oktober 2025 nogmaals bevestigd dat op 31 oktober 2025 om 10.00 uur een digitale zitting plaatsvindt. Alle in de aanhef van deze uitspraak genoemde zaaknummers zijn in deze brief opgenomen.
4.11.
Op 27 en 28 oktober 2025 heeft het hof stukken van [gemachtigde] ontvangen. [gemachtigde] heeft de bijlagen van het hof bij de brief van 22 september 2025 bijgevoegd en deze als grondslag gebruikt voor de indeling van zijn bijlagen.
4.12.
Op 31 oktober 2025 heeft de digitale zitting plaatsgehad. In verband met verbindingsproblemen is het onderzoek ter zitting geschorst en is aan [gemachtigde] een nieuwe zitting aangekondigd.
4.13.
Bij brief van 6 november 2025 is schriftelijk gemeld dat op 18 december 2025 de nadere zitting zal plaatsvinden waarin de zaken die initieel gepland stonden op 31 oktober 2025, tussen 9.00 uur en 12.00 uur, zullen worden behandeld. Op verzoek van [gemachtigde] heeft het hof ingestemd met een digitale zitting en is het aanvangstijdstip verlaat naar 10.15 uur. Dit is [gemachtigde] bij brief van 4 december 2025 medegedeeld. Ook in deze brief zijn alle in de aanhef van deze uitspraak genoemde zaaknummers opgenomen.
4.14.
Op grond van artikel 8:56 Awb Pro worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. Op grond van dat wat hiervoor onder 4.8, 4.10 en 4.13 is overwogen, is voldaan aan artikel 8:56 Awb Pro. Dat er ook bij [gemachtigde] geen twijfel kon bestaan welke zaken ter zitting zouden worden behandeld volgt uit 4.11 hiervoor.
Tussenconclusie
4.15.
De slotsom is dat de hoger beroepen niet-ontvankelijk zijn.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.16.
[gemachtigde] heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Indien degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie heeft veroorzaakt. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
F. Marcolina M.J.C. Pieterse
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:742.
2.Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, r.o. 3.3.1 tot en met 3.3.4.