ECLI:NL:GHSHE:2026:1977

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
20-002370-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens overtreding fosfaatrechten Meststoffenwet door onjuiste registratie melkvee

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk produceren van meer dierlijke meststoffen met melkvee dan het fosfaatrecht op zijn bedrijf toeliet in 2018. De rechtbank had hem veroordeeld tot een geldboete van €3.500, subsidiair 45 dagen hechtenis. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege een andere bewezenverklaring, maar het hof bevestigde dat de verdachte ongeveer 265 kilogram fosfaat meer produceerde dan toegestaan.

Het hof stelde vast dat de verdachte melkkoeien onterecht had omgeboekt naar weide- en zoogkoeien, waarvoor geen fosfaatrechten nodig zijn, en dat deze omboekingen met terugwerkende kracht plaatsvonden. Dit leidde tot een overschrijding van het fosfaatrecht. De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat de koeien daadwerkelijk melkkoeien waren, maar het hof verwierp dit verweer op basis van administratie, inspecties en verklaringen.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de overtreding, het economisch voordeel voor de verdachte, zijn eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden. Het hof legde een geldboete van €3.500 op, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan €1.750 en 17 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure meegewogen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €3.500, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan €1.750 en 17 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens opzettelijke overtreding van fosfaatrechten.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002370-24
Uitspraak : 24 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 82-192366-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 3.500,00, subsidiair 45 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 3.500,00, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan € 1.750,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Dat laat onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zodat het hof deze tot uitgangspunt zal nemen en grotendeels zal overnemen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in het kalenderjaar 2018 te Oeffelt, gemeente Boxmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, als landbouwer op zijn bedrijf gelegen aan of nabij [adres] , meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten (ongeveer) 312,6 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft/hebben geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in het kalenderjaar 2018 te Oeffelt, gemeente Boxmeer, opzettelijk als landbouwer op zijn bedrijf gelegen aan of nabij [adres] , meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten ongeveer 265 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het aan de verdachte tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman in de kern aangevoerd dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht. Immers, niet kan worden bewezen dat de door de verdachte in het kalenderjaar 2018 als weide- en/of zoogkoe (in de zin van de Meststoffenwet) geregistreerde koeien – met uitzondering van twee koeien die nadien drachtig zijn geweest – daadwerkelijk gemolken werden en dus melkkoeien (in de zin van de Meststoffenwet) waren. Voor het houden van weide- en zoogkoeien zijn geen fosfaatrechten vereist, zodat de verdachte in het kalenderjaar 2018 over voldoende fosfaatrechten beschikte voor de melkproductie op zijn bedrijf, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Juridisch kader
Op grond van artikel 21b van de Meststoffenwet, zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde, is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Ingevolge artikel 1, eerste lid onder kk, van de Meststoffenwet valt ‘melkvee’ uiteen in de volgende categorieën:
  • melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste eenmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken (in bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling) aangeduid met diercategorie 100);
  • jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar (in bijlage D bij de Uitvoeringsregeling aangeduid met diercategorie 101) en
  • jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren (in bijlage D bij de Uitvoeringsregeling aangeduid met diercategorie 102).
Uit het voorgaande volgt dat voor het houden van melkvee fosfaatrechten zijn vereist.
Ingevolge bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn weide- en zoogkoeien (aangeduid met diercategorie 120) koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd, niet zijnde melk- en kalfkoeien. Voor het houden van weide- en zoogkoeien zijn geen fosfaatrechten vereist.
Om het aantal benodigde fosfaatrechten te berekenen, moet worden uitgegaan van de melkproductie in kilogram melk per koe per kalenderjaar (zie tabel IIA en tabel IIB bij bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet).
Bewijsoverwegingen
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte een eenmanszaak heeft met de naam [verdachte] . Deze eenmanszaak is gestart in 1995 en heeft als activiteit het houden van melkvee. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat op het bedrijf van de verdachte in het kalenderjaar 2018 voor een hoeveelheid van 3.249 kilogram aan benutbare fosfaatrechten rustten (de door de verdachte op 3 december 2018 verleasete fosfaatrechten (zie hierna) zijn van dit totaal reeds afgetrokken).
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) op 12 november 2019 bij het bedrijf van de verdachte een inspectie heeft uitgevoerd ter controle op de naleving van de meststoffenwetgeving. Daarbij is onder meer gecontroleerd of op het bedrijf van de verdachte in het kalenderjaar 2018 meer dierlijke meststoffen met melkvee zijn geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Naar aanleiding van voornoemde controle hebben ambtenaren van de NVWA nader onderzoek uitgevoerd en hun bevindingen gerelateerd in het proces-verbaal met referentienummer 155219/122157/6027295/2, opgemaakt en afgesloten op 11 juni 2020. De zakelijke weergave van dit proces-verbaal maakt onderdeel uit van de bewijsmiddelen.
De NVWA heeft onder meer de veesaldoadministratie en bedrijfsoverzichten betreffende het bedrijf van de verdachte, zoals deze door hemzelf zijn opgesteld, onderzocht. Uit deze administratie en overzichten volgt dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 gemiddeld 49 melk- en kalfkoeien en gemiddeld 13,1 weide- en zoogkoeien heeft gehouden. Uit de administratie volgt verder dat de verdachte in 2018 van 32 melk- en kalfkoeien (diercategorie 100) de registratie heeft gewijzigd naar weide- en zoogkoe (diercategorie 120).
Anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal en de rechtbank, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, kan worden vastgesteld dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 koeien van diercategorie 100 (melk- en kalfkoeien) ten onrechte heeft ‘omgeboekt’ naar koeien van diercategorie 120 (weide- en zoogkoeien). Daarbij acht het hof het volgende van belang:
- Uit de door de verdachte opgestelde administratie volgt dat in het kalenderjaar 2018 door gemiddeld 49 melkkoeien (diercategorie 100) een productie van gemiddeld 11.670 kilogram melk per melkkoe is gerealiseerd. Een dergelijke productie is niet realistisch voor een jaargemiddelde van 49 melkkoeien, althans niet op een bedrijf als dat van de verdachte. Het hof ziet deze vaststelling bevestigd in de door de verdachte geregistreerde melkproductie over de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019, waarbij telkens een aanzienlijk lagere gemiddelde melkproductie per melkkoe is gerealiseerd. Daarbij valt op dat de verdachte in het jaar 2018 opvallend minder melk- en kalfkoeien (diercategorie 100) en opvallend meer weide- en zoogkoeien (diercategorie 120) heeft geadministreerd dan in de vijf andere jaren. Ter verduidelijking: uit de door de verdachte opgestelde administratie volgt dat in 2018 per melkkoe gemiddeld 3.164 kilogram
meermelk is geproduceerd dan in het jaar daarvoor – hetgeen neerkomt op een stijging van 37,2% – terwijl de verdachte in 2017 gemiddeld 15,8 meer melkkoeien heeft gehouden dan in 2018.
Voor de hiervoor genoemde vaststelling – dat een productie van gemiddeld 11.670 kilogram melk per melkkoe niet realistisch is voor een jaargemiddelde van 49 melkkoeien – ziet het hof voorts steun in de door voedingsadviseur [betrokkene 1] , een medewerker van [bedrijf 1] , de heer [betrokkene 2] , en dierenarts [arts] afgelegde verklaringen, waaruit kan worden afgeleid dat het zeer onwaarschijnlijk is dat bij de door de verdachte gehanteerde bedrijfsvoering en het door hem gebruikte rantsoen door gemiddeld 49 koeien in één jaar tijd een gemiddelde melkproductie van 11.670 kilogram per koe kan worden gerealiseerd.
Door de verdediging zijn twee (mogelijke) verklaringen gegeven voor de significant hogere gemiddelde melkproductie per melkkoe in het jaar 2018 ten opzichte van de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019. Allereerst heeft de verdediging aangevoerd dat de melkkoeien van de verdachte in het kalenderjaar 2018 ander voer kregen, hetgeen ertoe geleid zou kunnen hebben dat deze koeien meer melk gingen produceren. Ten tweede is aangevoerd dat de verdachte in 2018 de op zijn bedrijf aanwezige niet of slecht producerende koeien uit de selectie van melkkoeien had gehaald, hetgeen een hogere gemiddelde melkproductie per melkkoe tot gevolg zou hebben gehad. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof deze verklaringen van de verdediging, die overigens nauwelijks zijn onderbouwd, niet aannemelijk. Daarbij heeft het hof eveneens in aanmerking genomen dat de verdachte op 28 maart 2018 bezwaar heeft gemaakt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) tegen de toekenning van fosfaatrechten. In het handgeschreven bezwaarschrift is opgenomen dat de verdachte financiële verplichtingen is aangegaan met de nieuwbouw van stallen en daarom eist dat RVO hem voor 5.265,9 kilogram aan fosfaatrechten toekent. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in dit bezwaarschrift niet heeft gerekend met een gemiddelde melkproductie per koe van 11.670 kilogram, maar met een gemiddelde melkproductie per koe van 8.625 tot 9.124 kilogram.
- Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte op 3 december 2018 een deel van de op zijn bedrijf rustende fosfaatrechten ter waarde van 150 kilogram fosfaat heeft verleased. Dat is opmerkelijk, omdat de verdachte ingevolge zijn veesaldokaarten op die dag enkel melkvee van diercategorie 100 (en jongvee) op zijn bedrijf aanwezig had en het waarschijnlijk was dat hij daardoor een tekort aan fosfaatrechten zou hebben. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof evenwel vast dat de verdachte na de verkoop van een deel van zijn fosfaatrechten, te weten op vier tijdstippen in december 2018 en zelfs nog medio 2019, een deel van zijn runderen met terugwerkende kracht heeft ‘omgeboekt’ van diercategorie 100 naar diercategorie 120. Sommige ‘omboekingen’ zouden betrekking hebben op een categoriewijziging van bijna één jaar eerder, terwijl de registratie van omboekingen wettelijk binnen drie dagen na de desbetreffende wijzigingen dienen plaats te vinden.
Door de verdediging is aangevoerd dat de gang van zaken omtrent het met terugwerkende kracht administratief ‘omboeken’ van de koeien te maken had met het feit dat het fosfaatrechtenstelsel pas in 2018 is ingevoerd. In de jaren daaraan voorafgaand was het voor de verdachte minder of zelfs niet relevant of de door hem gehouden koeien onder de juiste diercategorie geregistreerd waren. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de adviseur van de verdachte in 2018 ernstig ziek was, zodat hij bij de administratie van zijn veesaldo geen professionele hulp kreeg. Met de rechtbank acht het hof deze verklaringen geenszins aannemelijk. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de bedrijfsresultaten van de verdachte na de hiervoor vermelde ‘omboekingen’ van runderen van diercategorie 100 naar diercategorie 120 ‘op papier’ (exact!) bleven passen binnen de op zijn bedrijf rustende fosfaatrechten. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte na 3 december 2018 vier door hem bij veehouder [naam] aangekochte hoogproductieve melkkoeien met terugwerkende kracht op de aanvoerdatum heeft geregistreerd als weide- en zoogkoe. Omdat het bedrijf van de verdachte gericht is op melkproductie, acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte deze vier koeien heeft aangekocht om deze vervolgens niet in te zetten als melkkoe. Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat twee van de door de verdachte met terugwerkende kracht van diercategorie 100 naar diercategorie 120 ‘omgeboekte’ koeien na de omboekingsdatum nog gekalfd hebben. Koeien die gekalfd hebben, moeten gemolken worden, en kunnen derhalve niet als weide- en zoogkoe geregistreerd worden.
Met de rechtbank ziet het hof in de hiervoor beschreven gang van zaken omtrent het met terugwerkende kracht ‘omboeken’ van runderen van diercategorie 100 naar diercategorie 120 juist steun in de conclusie van de NVWA dat (in elk geval een deel van) de 13,1 gemiddeld door de verdachte in 2018 gehouden melkkoeien (met terugwerkende kracht) onjuist zijn geadministreerd en daarmee ten onrechte in diercategorie 120 zijn geplaatst.
- In zowel het bedrijfsbehandelplan als het bedrijfsgezondheidsplan betreffende het bedrijf van de verdachte voor het kalenderjaar 2018 wordt geen melding gemaakt van de aanwezigheid van weide- en zoogkoeien op het bedrijf van de verdachte in 2018. Beide plannen zijn door de verdachte en door dierenarts [arts] ondertekend. Ook in het Koekompas, ingediend op 19 december 2018 en digitaal ondertekend door de verdachte en dierenarts [arts] , wordt geen enkele opmerking gemaakt over de aanwezigheid van weide- en zoogkoeien.
Zoals reeds overwogen, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, kan worden vastgesteld dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 koeien van diercategorie 100 (melk- en kalfkoeien waarvoor wel fosfaatrechten vereist zijn) ten onrechte heeft ‘omgeboekt’ naar koeien van diercategorie 120 (weide- en zoogkoeien waarvoor geen fosfaatrechten vereist zijn). Dit betekent dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 meer melkkoeien heeft gehouden en daarmee meer fosfaat heeft geproduceerd dan op grond van het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht was toegestaan.
Het hof stelt vast dat de NVWA in haar berekening van het door de verdachte in 2018 ten opzichte van het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht te veel geproduceerde fosfaat, is uitgegaan van het gegeven dat op het bedrijf van de verdachte louter melk- en kalfkoeien (te weten gemiddeld 62,1) en jongvee aanwezig waren en geen enkele weide- en zoogkoe. De tenlastelegging is gebaseerd op deze berekening van de NVWA.
Hoewel het hof, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel is dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 meer melkkoeien heeft gehouden en daarmee meer fosfaat heeft geproduceerd dan op grond van het op zijn bedrijf rustende fosfaatrecht was toegestaan, acht het hof niet aannemelijk dat op het bedrijf van de verdachte in het kalenderjaar 2018 geen enkele weide- of zoogkoe aanwezig is geweest. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de door de verdachte opgestelde administratie volgt dat op het bedrijf van de verdachte in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 ook weide- en zoogkoeien zijn geregistreerd, te weten gemiddeld 0,3 in 2014, 0 in 2015, 2,8 in 2016, 2,5 in 2017 en 4,5 in 2019. Gelet hierop, acht het hof aannemelijk dat op het bedrijf van de verdachte in 2018 gemiddeld 2,02 weide- en zoogkoeien (het gemiddelde van de vijf andere jaren) aanwezig waren, in die zin dat van de 13,1 in 2018 geregistreerde gemiddeld gehouden weide- en zoogkoeien er 2,02 stuks daadwerkelijk als weide- en zoogkoe kunnen worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande, acht het hof aannemelijk dat op het bedrijf van de verdachte in 2018 gemiddeld 60,08 melk- en kalfkoeien (62,1 – 2,02) aanwezig waren.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte in 2018 in totaal 571.843 kilogram melk heeft geleverd aan handelshuis [bedrijf 2] . In het voordeel van de verdachte is het hof bij de berekening van de hiervoor benodigde fosfaatrechten uitgegaan van de gemiddelde geleverde melk per koe in plaats van de gemiddelde geproduceerde melk per koe. Het hof stelt vast dat op het bedrijf van de verdachte in het kalenderjaar 2018 gemiddeld 9.518 kilogram melk (afgerond naar beneden) per melkkoe is geleverd (571.843 / 60,08 = 9.518,03). Uit tabel IIA en tabel IIB bij bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze gold ten tijde van het tenlastegelegde, volgt dat bij deze hoeveelheid melk een fosfaatexcretienorm wordt gehanteerd van 44,9 kilogram fosfaat per koe per jaar. Dit betekent dat de verdachte voor de op zijn bedrijf in 2018 gemiddeld aanwezige 60,08 melk- en kalfkoeien voor
(60,08 x 44,9 =) 2.697,592 kilogram aan fosfaatrechten nodig had.
Uit het hiervoor geschetste juridisch kader volgt evenwel dat ook voor het gehouden jongvee fosfaatrechten nodig waren. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op het bedrijf van de verdachte in het kalenderjaar 2018 gemiddeld 17,1 stuks jongvee van jonger dan 1 jaar aanwezig waren alsmede gemiddeld 29,8 stuks jongvee van 1 jaar en ouder. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte voor het op zijn bedrijf in 2018 aanwezige jongvee in totaal voor 816,78 kilogram aan fosfaatrechten nodig had.
Het hof stelt vast dat de verdachte voor het op zijn bedrijf in 2018 aanwezige melkvee (melk- en kalfkoeien en jongvee) in totaal voor 3.514,372 (2.697,592 + 816,78) kilogram fosfaat aan rechten nodig had. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op het bedrijf van de verdachte in het kalenderjaar 2018 slechts voor een hoeveelheid van 3.249 kilogram aan benutbare fosfaatrechten rustten. De verdachte kwam aldus voor 265,372 kilogram aan fosfaatrechten tekort.
Alles overziend, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte in het kalenderjaar 2018 op zijn bedrijf ongeveer 265 kilogram meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het met terugwerkende kracht ‘omboeken’ van runderen van categorie 100 naar categorie 120 is overwogen, acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt verworpen.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 3.500,00, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan € 1.750,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het ontbreken van documentatie en het ontbreken van vergelijkbare overtredingen in latere jaren.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in het kalenderjaar 2018 op zijn melkveebedrijf opzettelijk meer fosfaat heeft geproduceerd dan de op zijn bedrijf rustende fosfaatrechten toelieten. Daarmee heeft de verdachte gehandeld in strijd met het doel en de strekking van het stelsel van fosfaatrechten, dat via het terugdringen van het mestoverschot beoogt te waarborgen dat de mestproductie in de melkveehouderij in termen van stikstof en fosfaat beheersbaar blijft. Bovendien heeft de verdachte door het plegen van het hiervoor bewezenverklaarde feit economisch voordeel gehad ten opzichte van andere bedrijven die zich wel aan de geldende wet- en regelgeving hebben gehouden. Het gemak waarmee de verdachte de wet heeft overtreden door het simpelweg ‘omboeken’ van dieren waardoor de verdachte met minder fosfaatrechten toe zou kunnen, terwijl de verdachte een aantal van zijn fosfaatrechten is gaan verleasen, vindt het hof zeer kwalijk.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie
d.d. 27 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, doch niet recent.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat zijn bedrijf door de onderhavige strafzaak moeilijke jaren heeft gehad, dat zijn vrouw geen baan meer heeft en een uitkering ontvangt en dat hij diverse zakelijke- en privéschulden heeft.
Alles afwegende, acht het hof, evenals de rechtbank, in beginsel oplegging van een geldboete ter hoogte van € 3.800,00 passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – meer in het bijzonder zijn financiële situatie – ziet het hof, in navolging van de vordering van de advocaat-generaal, aanleiding de helft van deze geldboete voorwaardelijk op te leggen. Derhalve zal het hof een geldboete ter hoogte van € 3.800,00, subsidiair 38 dagen hechtenis, waarvan € 1.900,00, subsidiair 19 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren als uitgangspunt nemen.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.
De verdachte is op 4 maart 2020 voor het eerst verhoord. De rechtbank heeft vervolgens op 3 september 2024 vonnis gewezen. Aldus is niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vonnis gewezen en is die termijn in eerste aanleg met tweeënhalf jaar overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen geldboete zal verlagen met € 300,00. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 3.500,00, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan € 1.750,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 21b van de Meststoffenwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis;
bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
17 (zeventien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies en mr. N. van Abeelen, griffiers,
en op 24 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. A.R. Hartmann en A.C. van Campen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.