ECLI:NL:GHSHE:2026:1978

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
20-002371-24 (OWV)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 21b Meststoffenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel fosfaatrechten overschrijding

In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit de overschrijding van fosfaatrechten door de betrokkene in 2018. De rechtbank had eerder een bedrag van €12.477,70 vastgesteld, maar het hof kwam tot een andere schatting.

Het hof baseerde zijn oordeel op het proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, waarin werd vastgesteld dat de betrokkene ongeveer 265 kilogram fosfaat meer produceerde dan het fosfaatrecht toeliet. Door geen fosfaatrechten aan te schaffen of te leasen, bespaarde hij leasekosten en legeskosten.

De leaseprijs per kilogram fosfaat werd vastgesteld op €39,50, wat resulteerde in een besparing van €10.467,50 aan leasekosten plus €100 aan legeskosten. Het hof rondde dit bedrag af naar beneden en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €10.500,00.

Daarnaast bepaalde het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 105 dagen, gebaseerd op de betalingsverplichting. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht door deze nieuwe vaststelling en oplegging van de betalingsverplichting.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €10.500,00 en legt een betalingsverplichting met een gijzelingsduur van 105 dagen op.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002371-24 (OWV)
Uitspraak : 24 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 september 2024 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-192366-22 (ontneming) tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 12.477,70 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag. Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 97 dagen.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de betrokkene heeft het hof verzocht, gelet op het in de strafzaak jegens de betrokkene gevoerde verweer tot vrijspraak, de vordering tot ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het zich daarmee niet kan verenigen. Meer in het bijzonder komt het hof tot een andere geschatte omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bewijsmiddelen
Het hof baseert zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen op het hierna te vermelden wettige bewijsmiddel en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van de omvang van bedoeld voordeel.
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal met bijlagen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, referentie 155219/122157/6027295/2, op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , en gesloten d.d. 11 juni 2020, doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-322.
1.
Het proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit d.d. 11 juni 2020, referentie 155219/122157/6027295/2, digitale dossierpagina’s 1-65, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
[pag. 50] Door mij werden de gegevens van de gemiddelde melkproductie/melkkoe/jaar en de aantallen stuks melkvee ingevoerd in een Excelberekening: Overschrijding Fosfaatrecht Melkvee 2018. [1] In deze Excelberekening is conform het gestelde in artikel 21b, lid 1, van de Meststoffenwet gebruik gemaakt van de forfaitaire gehaltes vermeld in Bijlage D diergebonden forfaitaire gehalten tabel I en IIA bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Ik berekende daarin dat het op [betrokkene] rustende fosfaatrecht van 3.249 kilogram fosfaat in 2018 werd overschreden. Het overzicht van geregistreerde fosfaatrecht van 09 januari 2020 is bij dit proces-verbaal gevoegd. [2]
[pag. 64] Voor het produceren van dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogrammen fosfaat door melkvee moet de landbouwer op zijn bedrijf beschikken over voldoende fosfaatrecht. Het fosfaatrecht van een bedrijf wordt eveneens uitgedrukt in kilogrammen fosfaat per bedrijf en is geregistreerd bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Indien een landbouwer met melkvee meer dierlijke meststoffen wil gaan produceren op zijn bedrijf dan het fosfaatrecht, kan de landbouwer extra fosfaatrecht verwerven door dit te kopen of te leasen. Deze transactie moet gemeld worden aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, waarvoor leges per transactie betaald moet worden. De leges bedragen € 100,-- per transactie.
Aanwijzing ontneming 2009A003 van het College van Procureurs-Generaal geeft aan:
Wederrechtelijk voordeel kan ook worden verkregen door middel van bespaarde kosten, de kosten die noodzakelijkerwijs zouden moeten zijn gemaakt om de betreffende activiteiten legaal te kunnen uitvoeren, maar die nu niet gemaakt zijn. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van de besparing van de kosten die nodig zijn om extra fosfaatrecht te leasen en de besparing van het bedrag aan leges, dat betaald had moeten worden voor deze transactie.
Door de NVWA, Inlichtingen- en Opsporingsdienst, zijn de kosten van het leasen per kalenderjaar berekend.
De berekening van de leaseprijs per kilogram fosfaat voor het wederrechtelijk verkregen voordeel in kalenderjaar 2018 is uitgewerkt in de nota “Leaseprijzen fosfaatrecht 2018. 20190423”, datum 23 april 2019 met de daarbij behorende “Nota Leaseprijzen fosfaatrechten 2018 BIJLAGEN”. [3] De berekende leaseprijs is € 39,50 per kilogram fosfaat.
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van heden, 24 juli 2026, onder parketnummer 20-002370-24, veroordeeld ter zake van ‘overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan’. In voormeld arrest is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij in het kalenderjaar 2018 te Oeffelt opzettelijk als landbouwer op zijn bedrijf meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten ongeveer 265 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Door geen fosfaatrechten aan te schaffen en/of te leasen voor de productie van voornoemde kilogrammen fosfaat heeft de betrokkene kosten bespaard. Aldus is het hof van oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene als landbouwer op zijn bedrijf in het kalenderjaar 2018 meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten ongeveer 265 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Op grond van de inhoud van het hiervoor weergegeven bewijsmiddel stelt het hof vast dat in 2018 de berekende leaseprijs per kilogram fosfaat € 39,50 bedroeg. Door geen fosfaatrechten aan te schaffen en/of te leasen voor de productie van voornoemde kilogrammen fosfaat heeft de betrokkene aldus een bedrag van € 10.467,50 (265 x € 39,50) aan leasekosten bespaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de betrokkene, als hij de hiervoor bedoelde fosfaatrechten wel had aangeschaft en/of geleaset, deze transactie had moeten melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en daarvoor € 100,00 aan legeskosten had moeten betalen. Deze kosten heeft de betrokkene eveneens bespaard.
Gelet op het voorgaande, stelt het hof vast dat de betrokkene, door geen fosfaatrechten aan te schaffen en/of te leasen voor de productie van de hiervoor genoemde kilogrammen fosfaat, in totaal een bedrag van € 10.567,50 (€ 10.467,50 + € 100,00) aan kosten heeft bespaard. Deze kostenbesparing dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Alles overziend, stelt het hof het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 10.500,00 (in het voordeel van de betrokkene naar beneden toe afgerond).
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van een bedrag van
€ 10.500,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof acht geen termen aanwezig om de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting te matigen.
Gijzeling
Gelet op het elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zal het hof bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 100,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 105 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 10.500,00 (tienduizend vijfhonderd euro);
legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 10.500,00 (tienduizend vijfhonderd euro);
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 105 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies en mr. N. van Abeelen, griffiers,
en op 24 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. A.R. Hartmann en A.C. van Campen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijlage 29, pag. 249: berekening overschrijding fosfaatrecht. melkvee 2018.
2.Zie bijlage 3, pag, 86 t/m 90: overzicht geregistreerde fosfaatrechten voor [betrokkene] .
3.Zie bijlage 35, pag. 277 t/m 284: Nota leaseprijzen fosfaatrechten 2018.