ECLI:NL:GHSHE:2026:1979

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
000507-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a SvArt. 1:4 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beschikkingenArt. 1:9 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beschikkingenArt. 1:2 Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen schorsing voorlopige hechtenis ter uitvoering onherroepelijke gevangenisstraffen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen. De officier van justitie wilde dat verdachte eerst zijn onherroepelijke gevangenisstraffen zou uitzitten, terwijl de rechtbank en verdediging de schorsing toestonden.

Het hof overwoog dat er geen vaste lijn bestaat over het schorsen van voorlopige hechtenis ten behoeve van de executie van gevangenisstraffen en dat dit per geval door de rechter moet worden beoordeeld. Het uitgangspunt is dat een verdachte zijn berechting in vrijheid mag afwachten, tenzij er ernstige risico's zijn dat hij nieuwe strafbare feiten pleegt.

De executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties is geregeld in de ministeriële regeling, waarbij voorlopige hechtenis doorgaans voorgaat op gevangenisstraffen. Afwijken hiervan kan alleen bij persoonsgerichte belangen. In deze zaak vond het hof dat de persoonlijke belangen van verdachte zwaarder wegen dan het belang bij voortzetting van voorlopige hechtenis, mede omdat verdachte zich niet tegen een ISD-maatregel zal verzetten en het sneller starten van het ISD-traject maatschappelijk gewenst is.

Daarom wees het hof het hoger beroep van de officier van justitie af en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank om de voorlopige hechtenis te schorsen ter uitvoering van de onherroepelijke straffen.

Uitkomst: Het gerechtshof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de schorsing van de voorlopige hechtenis ter uitvoering van onherroepelijke gevangenisstraffen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Raadkamerappelnummer: AVNR. 000507-26
Parketnummer 1e aanleg: 02-169408-26
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 7 juli 2026, waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen:

[naam verdachte]

geboren [datum] te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in P.I. [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 24 juni 2026, bij welke beschikking het verzoek tot schorsing van de aan [naam verdachte] opgelegde voorlopige hechtenis werd toegewezen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman
mr. M. Prins.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 24 juni 2026 om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen, met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenisstraffen van zes weken (parketnummer [nummer] ) en twee weken ( [nummer] ) kan uitzitten. De officier van justitie heeft zich daartegen verzet.
Het hof overweegt als volgt.
Van een onweerlegbaar vaststaande lijn van de gerechtshoven over de kwestie wel of niet schorsen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf is geen sprake. De beantwoording van die vraag bij concrete verzoeken ligt in het rechterlijk domein en is daarom per definitie overgelaten aan de rechter(s) die de concrete verzoeken beoordeelt/beoordelen. Het hof meent dat het in het kader van de rechtseenheid goed zou zijn als er meer duidelijkheid komt over de te volgen lijn. Uitgangspunt bij de beoordeling van een concreet verzoek is dat de verdachte in beginsel het recht heeft zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in onderhavige zaak, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, een strafbaar feit zal plegen als bedoeld in artikel 67a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In een dergelijk geval zal de rechter, op grond van het subsidiariteitsbeginsel dienen na te gaan of niet ook op een ander, voor de verdachte minder bezwarende manier, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte.
Het hof overweegt dat de executievolgorde van de vrijheidsbenemende sancties is neergelegd in artikel 1:4 van Pro de ministeriele regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beschikkingen (hierna: de Regeling). Uit die Regeling volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en overige vrijheidsbenemende sancties. Artikel 1:9, eerste lid van de Regeling bepaalt dat van de executievolgorde niet wordt afgeweken, tenzij “uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, onder a van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen”. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat het schorsen van de voorlopige hechtenis ter fine van de executie van een onherroepelijke gevangenisstraf in zijn algemeenheid gepaard kan gaan met een aantal praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen meebrengen, is het hof van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat de schorsing niet wordt bevolen ter fine van executie van een reeds onherroepelijke straf, tenzij er wederom sprake is van zwaarwegende persoonlijke belangen. Indien er wordt besloten om te schorsen, verdient het aanbeveling om de schorsing niet direct of op de volgende dag te laten ingaan, maar pas na een aantal dagen, ter voorkoming van uitvoeringsproblemen.
Anders dan de officier van justitie en de advocaat-generaal ziet het hof mét de rechtbank en de verdediging in dit geval reden om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen ter fine van executie van de reeds onherroepelijke straffen ter zake van de parketnummers [nummer] en [nummer] en overweegt in dit verband als volgt.
Het hof ziet in hetgeen namens en door de verdachte is aangevoerd thans de zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte aanwezig die de schorsing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Het hof is namelijk van oordeel dat het belang van de voortgang van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke straffen in dit geval zwaarder weegt dan het belang bij de voortduring van de voorlopige hechtenis in onderhavige zaak. Nu uit de vordering tot inbewaringstelling volgt dat het Openbaar Ministerie het opleggen van de ISD-maatregel zal vorderen in de zaak met parketnummer 02-169408-26 en verdachte bij monde van de verdediging heeft aangegeven zich niet tegen een ISD-maatregel te zullen verzetten (nog sterker: heeft aangegeven “het te proberen te stroomlijnen”), zal verdachte, door reeds nu de onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraffen te ondergaan, bij een mogelijke daadwerkelijke veroordeling tot de maatregel van ISD, sneller toekomen aan het starten met het ISD traject. Daar is de maatschappij ook bij gebaat. Bij deze beslissing betrekt het hof het gegeven dat het hier om twee relatief korte gevangenisstraffen gaat.
Alles overwegende wijst het hof het hoger beroep van de officier van justitie af.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Wijst af het hoger beroep.
Bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 24 juni 2026 met verbetering van gronden.
Aldus gedaan op 23 juli 2026
door mr. J. Nederlof, voorzitter, mr. G.P.N. Robben en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van S.J.H. van Beekveld, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 23 juli 2026
Gezien d.d.
De directeur van P.I. [detentieplaats]