Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/442744 / KG ZA 25-658)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met memorie van grieven en producties;
- de memorie van antwoord, ontvangen op 12 januari 2026.
3.De beoordeling
[XX]), op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
- [XX] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw en bij de vrouw staat ingeschreven;
- partijen bij een voorgenomen verhuizing vooraf met elkaar in overleg treden en dat het uitgangspunt is dat ouders binnen een straal van maximaal 40 reisminuten van elkaar blijven wonen;
- zij uitvoering geven aan een co-ouderschap waarbij [XX] iedere week op maandag en dinsdag bij de man verblijft en iedere week op donderdag en vrijdag bij de vrouw. Verder verblijft [XX] om de week op woensdag bij de man, alsmede om het weekend;
- het de voorkeur verdient om [XX] bij één van de ouders te laten verblijven en dat opvang van [XX] door derden alleen aan de orde is als geen van de ouders de mogelijkheid heeft om haar op te vangen. De verantwoordelijkheid ligt echter bij de ouder bij wie [XX] volgens het schema verblijft. De ouders informeren elkaar als deze situatie zich voordoet.
- zij gezamenlijk een keuze maken voor een (type) school (3.6).
Bij de rechtbank
de vrouw:
de man:
- aan de man, ter vervanging van de toestemming van de vrouw, vervangende toestemming verleend om [XX] in te schrijven op een door partijen in onderling overleg aan te wijzen basisschool in [D] of [C] en voor zover partijen hierover uiterlijk 5 januari 2026 geen overeenstemming hebben bereikt, om [XX] in te schrijven op [school C] te [D] ;
- in afwijking van de door partijen bij ouderschapsplan van 13 juli 2025 overeengekomen zorgregeling, een voorlopige, in afwachting van een te voeren bodemprocedure, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vastgesteld volgens het navolgende tweewekelijkse schema, conform het primair door de man gevorderde onder 22 en 23:
Standpunt van de vrouw in hoger beroep
- de ene week van dinsdag na school tot en met zondag 12.00 uur bij de vrouw waarna de vrouw [XX] op zondag naar de man brengt, waarna [XX] tot dinsdag vóór school bij de man verblijft en de man [XX] op dinsdagochtend naar school brengt;
- de andere week is [XX] dan van dinsdag na school tot en met vrijdag na school (korte schooldag) bij de vrouw, waarna ze tot dinsdag voor school bij de man verblijft.
Verweer van de man in hoger beroep;
Advies van de raad aan het hof
tijdelijke ordemaatregelte worden genomen omdat [XX] in december 2025 de basisschoolleeftijd heeft bereikt en de voorzieningenrechter het met partijen eens was dat het in het belang van [XX] is dat zij zo snel mogelijk naar een basisschool gaat. Met deze achtergrondinformatie, overweegt het hof het volgende.
beidepartijen vervolgens hebben gemaakt voor respectievelijk [B] (de vrouw in augustus 2025) en [D] (de man verblijft na verkoop van de echtelijke woning bij een bevriend gezin in [C] (vlak bij [D] ) en kocht in mei 2025 een woning in [D] waar hij gaat wonen in maart 2026). Door deze keuzes zagen partijen zich ineens voor het ‘schoolprobleem’ geplaatst toen de basisschoolleeftijd van [XX] steeds dichterbij kwam en hun afspraak hierover in het ouderschapsplan om samen een school uit te kiezen, niet langer houdbaar bleek. Nu partijen ieder hun eigen woonkeuzes hebben laten prevaleren boven een onderlinge afstemming van de schoolkeuze en zorgregeling voor [XX] , is de afstand en het heen en weer rijden een gegeven.
partijenweinig of geen verschil, maar de raad gaat echter voorbij aan de reisbewegingen die [XX] dan moet maken. Zij moet dan iedere week op maandag, dinsdag en soms op woensdag vanuit [D] naar haar school [B] worden gebracht en naderhand weer terug naar [D] . [XX] wordt hiermee niet in staat gesteld om af te spreken met klasgenootjes en zij zit een groot deel van de schoolweek relatief lang in de auto om van en naar school te gaan. Het spreekt voor zich dat het voor [XX] fijner is als zij te voet of op de fiets naar een school kan gaan die dichtbij haar woning is, zodat het hof ook het voorstel van de raad afwijst vanwege strijd met het belang van [XX] .
4.De uitspraak
W. de Weijer, bijgestaan door mr. D. van der Horst als griffier, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 januari 2026.