ECLI:NL:GHSHE:2026:232

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
200.342.347_02
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 5:52 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens hinder door zonnepanelen en dakaanpassing

In deze civiele zaak vordert appellant [A] schadevergoeding en aanpassing van het dak van de berging van geïntimeerde [B] vanwege vermeende onrechtmatige hinder door zonnepanelen. [A] stelt dat de zonnepanelen leiden tot felle reflecties, brandgevaar, versnelde veroudering van verf, verslechtering van wifi en afwatering op zijn perceel.

Het hof overweegt dat het plaatsen van zonnepanelen door de eigenaar van de berging in beginsel is toegestaan, tenzij sprake is van onrechtmatige hinder. Uit een reflectiestudie blijkt dat de reflecties beperkt en plaatsgebonden zijn, en dat de stellingen over brandgevaar en wifi-verslechtering onvoldoende zijn onderbouwd. Ook de vordering tot schadevergoeding wegens versnelde veroudering van de verf wordt afgewezen vanwege gebrek aan bewijs.

Ten aanzien van de afwatering oordeelt het hof dat het filmmateriaal onvoldoende aantoont dat het water daadwerkelijk over de dakgoot schiet en op het perceel van [A] terechtkomt. Bovendien is het feit dat sneeuw op het perceel valt niet voldoende om te concluderen dat het dak niet voldoet aan artikel 5:52 BW Pro. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt [A] in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen wegens hinder door zonnepanelen en dakaanpassing worden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.347/02
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellant sub 1] ,wonende te [appellante sub 2] ,
[appellante sub 2] ,wonende te [appellante sub 2] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [A] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. H.H.G. Theunissen te Leusden,
tegen
[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [appellante sub 2] ,
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [appellante sub 2] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [B] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. N.J.W.M. de Leeuw te 's-Hertogenbosch,
Dit arrest is het vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 augustus 2024 in het hoger beroep van het vonnis van 22 februari 2024 van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (zaaknummer 9918992 \ CV EXPL 22-2639). Dit vonnis is gewezen tussen [A] als eiser en [B] als gedaagde.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 6 augustus 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 16 oktober 2024;
  • de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis, met producties 8 tot en met 16;
  • de memorie van antwoord met producties 7 tot en met 13;
  • de mondeling behandeling van 7 januari 2026 die in verband met weersomstandigheden digitaal heeft plaatsgevonden en waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd;
  • de bij H12-formulier van 22 december 2025 door [A] toegezonden producties 17 tot en met 20, die [A] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6.De beoordeling

Kern van de zaak
6.1.
De percelen van [A] en [B] grenzen aan elkaar. Op het perceel van [B] staat een berging. Op deze berging heeft [B] zonnepanelen geplaatst. Volgens [A] veroorzaken deze zonnepanelen onrechtmatige hinder.
Het hof oordeelt in dit arrest dat hiervan geen sprake is en wijst de vorderingen van [A] af.
De feiten
6.2.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
De achterzijde van het perceel van [B] grenst aan het perceel van
[A] . Aan de kant van [B] staat aan de achterzijde een berging. Nabij die
berging staat op het perceel van [A] zijn woning.
6.2.2.
Op 28 oktober 2021 heeft [B] 16 zonnepanelen laten leggen op het dak van
zijn berging.
6.2.3.
[A] heeft [B] per brief van 11 februari 2022 gesommeerd om de
zonnepanelen binnen vier weken te verwijderen. [B] heeft geen gevolg gegeven
aan deze sommatie.
Het geschil in eerste aanleg
6.3.1.
In de procedure bij de kantonrechter vorderde [A] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om [B] te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis de zonnepanelen van de berging te verwijderen en verwijderd te houden, althans te verplaatsen en verplaatst te houden, zodanig dat geen sprake meer is van enig zicht op de zonnepanelen en zodanig dat geen sprake meer is van een felle en hinderlijke lichtstraal als gevolg van weerkaatsing van licht in de kamers van [A] c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Subsidiair vorderde [A] om [B] te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis maatregelen te nemen die strekken tot voorkoming van brandgevaar voor de woning van [A] en ook tot opheffing van rechtstreeks zicht van [A] vanaf
zijn patio, keuken en slaapkamer op de zonnepanelen en tot het voorkomen van een invallende felle en hinderlijke lichtstraal als gevolg van weerkaatsing van licht in de kamers
van [A] en opwarming van de achter- en zijgevel, op straffe van verbeurte van een
dwangsom.
In beide gevallen vorderde [A] ook veroordeling van [B] tot betaling van buitengerechtelijke kosten, proces- en nakosten (te vermeerderen met wettelijke rente).
6.3.2.
[B] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.3.3.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [A] afgewezen, met veroordeling van [A] in de proceskosten.
Het geschil in hoger beroep
6.4.1.
[A] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en zijn eis vermeerderd. [A] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot
- het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in eerste aanleg;
- veroordeling van [B] tot betaling aan [A] van een schadevergoeding van
€ 1.925,-;
- veroordeling van [B] om binnen één maand na betekening van het vonnis zorg te dragen voor een zodanige inrichting van het dak van zijn berging dat het water van het dak niet langer op het perceel van [A] afloopt, op straffe van verbeurte van een
dwangsom;
- veroordeling van [B] tot terugbetaling aan [A] van al hetgeen [A] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [B] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente, en
- veroordeling van [B] in de proceskosten in beide instanties.
6.4.2.
Het hof zal de grieven hieronder gezamenlijk behandelen.
Hinder door de zonnepanelen
6.5.1.
Het hof stelt voorop dat [B] als eigenaar van de berging in beginsel het recht heeft om zonnepanelen te plaatsen op zijn berging zoals hij dat heeft gedaan.
Hierbij geldt wel dat volgens artikel 5:37 BW Pro, een eigenaar van een erf aan eigenaars van andere erven geen hinder mag toebrengen in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is.
De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (Hoge Raad 21 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823).
Uit deze maatstaf volgt dat niet iedere vorm van hinder of ondervonden overlast onrechtmatig is in de hiervoor bedoelde zin.
6.5.2.
Volgens [A] veroorzaken de zestien zonnepanelen op de berging van [A] c.s. onrechtmatige hinder. Van onrechtmatige hinder is volgens [A] sprake omdat hij zicht heeft op zonnepanelen en deze leiden tot felle reflecties van zonlicht, vanwege brandgevaar en vanwege de gevolgen voor verf op zijn zijgevel, de wifi en afwatering van regen en sneeuw van de zonnepanelen op zijn perceel. [B] kan de zonnepanelen verplaatsen naar de voorzijde van de woning, waarbij het rendement behouden kan worden, aldus [A] .
Het hof volgt [A] hierin niet. Hiervoor is het volgende redengevend.
6.5.3.
Ter onderbouwing van de stelling dat de reflecties van zonlicht (nagenoeg) dagelijks leiden tot zeer felle en hinderlijke weerspiegelingen op de ramen en de tuin van [A] , heeft hij een Rapport Reflectiestudie van Reflectiesimulator.nl van 16 december 2025 overgelegd (hierna: het rapport). [A] heeft Reflectiesimulator.nl opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de hinder die [A] ondervindt van de reflecties van de zonnepanelen van [B] .
De conclusie van het rapport is:
“Uit de analyse volgt dat op de gevelramen van de woning geen reflecties door de zonnepanelen optreden. In de tuin kunnen in de periode april t/m augustus reflecties voorkomen. Deze treden voornamelijk op in de vroege ochtend tussen ongeveer 7:30 en 8:30 uur. Voor het grootste deel van de tuin blijft de berekende reflectieduur gemiddeld, tussen de 2,5% en 5% van de beschikbare daglichtperiode. In het achterste deel
van de tuin wordt in de maanden mei t/m juli op enkele meetpunten een lange reflectieduur berekend.
De beoordeling van de reflectiesterkte laat zien dat reflecties in de tuin in de meeste situaties aanwezig en beperkt van aard zijn, Op enkele plekken, met name achter in de tuin, kan onder specifieke omstandigheden een duidelijker waarneembare reflectie optreden waarbij maskerende verblinding kan optreden. Dichter bij de woning neemt deze kans af. Een meer uitgesproken reflectie is uitsluitend mogelijk in de directe nabijheid van de zonnepanelen en alleen wanneer er een onbelemmerde zichtlijn aanwezig is.
In samenhang bezien zijn de berekende reflecties waarneembaar in april t/m augustus in de tuin en kunnen op specifieke plekken in de tuin enige hinder veroorzaken. De resultaten geven daarmee een genuanceerd en plaatsgebonden beeld van de mogelijke reflecties in de onderzochte situatie.”
Hierbij is van belang dat in het rapport staat dat
“(…) is uitgegaan van een worst-case benadering waarbij iedere dag wordt verondersteld dat sprake is van helder weer. In de praktijk is circa tweederde van de dagen bewolkt waardoor de feitelijke kans op zichtbare reflectie lager ligt dan in de berekeningen wordt weergegeven. Atmosferische verstrooiingen, zoals mist en smog, zijn eveneens niet meegenomen.”
Naar het oordeel van het hof is hiermee onvoldoende onderbouwd dat de zonnepanelen van [B] leiden tot zeer felle en hinderlijke weerspiegelingen op de ramen en de tuin van [A] . Het gaat, zo volgt uit het rapport, immers slechts om reflecties van beperkte duur (tussen 7.30u en 8.30u), uitsluitend in de periode april t/m augustus, die slechts op enkele punten achterin de tuin duidelijker waarneembaar zijn en waarbij verblinding kan optreden, en waarbij ook nog eens geldt dat is uitgegaan van helder weer, hetgeen zich feitelijk slechts op ongeveer een derde van de dagen voordoet.
6.5.4.
[A] heeft nog aangevoerd dat Reflectiesimulator.nl geen meetpunten heeft gebruikt aan de zijkant en op de tweede verdieping van zijn woning en dat het rapport niet de hinder weerspiegelt die hij dagelijks ervaart. Dit leidt echter niet tot een ander conclusie. Het had immers, mede gezien de brede opdracht die [A] aan Reflectiesimulator.nl heeft verstrekt (zie rov. 6.5.3. hiervoor), op de weg van [A] gelegen om nader te onderbouwen dat hij ondanks de uitkomsten van het rapport toch te maken heeft met zeer felle en hinderlijke weerspiegelingen op de ramen en de tuin als gevolg de zonnepalen door het overleggen van bijvoorbeeld beeldmateriaal of nader onderzoek.
6.5.5.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de zonnepanelen zorgen voor een specifiek gevaar op brand, heeft [A] aangevoerd dat een fout in de installatie of aansluiting van zonnepanelen, oververhitting van de omvormer of een gebrek aan ventilatie achter de zonnepanelen brandgevaar oplevert. Dat hiervan ook daadwerkelijk sprake is, is door [A] echter niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Bovendien volgt uit het door [B] overgelegde e-mailbericht van het installatiebedrijf van 6 juni 2022 dat de installatie voldoet aan de toepasselijke normen InstalQ en NeN1010. [B] heeft voorts aangevoerd dat hij subsidie heeft ontvangen voor de aanleg van zonnepanelen en dat dit alleen mogelijk is indien de zonnepanelen worden aangelegd door een erkend bedrijf, en dat de zonnepanelen al sinds 2021 naar tevredenheid functioneren.
Dit maakt dat [A] zijn stelling dat de zonnepanelen zorgen voor een specifiek gevaar op brand onvoldoende heeft onderbouwd. Dat het installatiebedrijf op 23 juli 2014 in staat van faillissement is verklaard en dat uit nieuwsberichten blijkt dat in de zonne-energiebranche veel ‘cowboys’ actief zijn, is in het licht van het voorgaande onvoldoende.
6.5.6.
Het feit dat de zonnepanelen niet zijn gecertificeerd conform SCIOS Scope 12, leidt niet tot een andere conclusie. Volgens [A] zelf is deze certificering niet verplicht, maar zou dit hem een gerust gevoel zou geven, terwijl uit het hiervoor genoemde e-mailbericht van het installatiebedrijf juist volgt dat is voldaan aan de aan de toepasselijke normen InstalQ en NeN1010.
6.5.7.
[A] heeft in verband met het door hem gestelde brandgevaar nog aangevoerd dat het huis van [A] van hout is en [B] zelf geen direct zicht op de zonnepanelen heeft.
Een eigenaar van een houten huis moet er in zijn algemeenheid rekening mee houden dat brand andere gevolgen kan hebben dan in geval van een huis van steen. Dat het huis van een buur van hout is, heeft naar het oordeel van het hof niet tot gevolg dat de eigenaar van een perceel geen enkele activiteit mag ontplooien die in theorie kan leiden tot brand. Dit kan slechts anders zijn in geval van een specifiek gevaar op brand, maar dat hiervan sprake is, is onvoldoende onderbouwd (zie rov.6.5.5. hiervoor).
Voor wat betreft het zicht op de zonnepanelen geldt dat er meerdere situaties denkbaar zijn waarin op een perceel brand ontstaat zonder dat de eigenaar daar zicht op heeft. Dit maakt op zichzelf niet dat de zonnepanelen in verband met een theoretisch brandgevaar hinder opleveren, ook niet indien brand tot gevolg heeft dat zonnepaneeldeeltjes vrijkomen (zoals blijkt uit het door [A] overgelegde nieuwsberichten).
6.5.8.
Voor wat betreft de verslechtering van de wifi, geldt dat nergens uit blijkt dat de wifi in de woning van [A] is verslechterd sinds de plaatsing van de zonnepanelen en dat [A] zijn stelling dat de verslechtering van de wifi het gevolg is van de plaatsing van de zonnepanelen onvoldoende heeft onderbouwd. Dat volgens [A] uit een korte zoektocht op internet blijkt dat de oorzaak van verslechtering van de wifi doorgaans is gelegen in de omvormer van zonnepanelen, is hiervoor onvoldoende.
6.5.9.
Uit het voorgaande volgt dat de door [A] gestelde hinder door felle lichtstralen als gevolg van reflectie op de zonnepanelen en/of door brandgevaar en/of door verslechtering van de wifi, door hem onvoldoende is onderbouwd.
Voor wat betreft de door [A] gestelde versnelde veroudering van de verf op zijn zijgevel als gevolg van de gestelde lichtweerkaatsing op de zonnepanelen (welke laatste stelling overigens onvoldoende is onderbouwd, zie rov. 6.6.2. hierna), het feit dat hij zicht heeft op de zonnepanelen en dat er volgens het rapport sprake is van enige reflectie in de tuin, en het feit dat bij extreme regenval en sneeuw, de regen en de sneeuw van de zonnepanelen afwatert op het perceel van [A] (in plaats van in de dakgoot), geldt dat dit niet leidt tot onrechtmatige hinder. Ook niet indien een en ander in onderling verband wordt beschouwd, in samenhang met de plaats van de zonnepanelen en het feit dat de woning van [A] van hout is. Naar het oordeel van het hof hebben buren deze gevolgen van het plaatsen van zonnepanelen van elkaar te dulden, zeker gezien de positieve duurzaamheidsbijdrage van zonnepanelen.
Hierbij is van belang dat [B] naar aanleiding van de memorie van grieven een bouwbedrijf heeft ingeschakeld om de dakgoot onder de zonnepanelen te inspecteren en zonodig aan te passen, maar dat hem en het bouwbedrijf de toegang tot het perceel van [A] is geweigerd, en dat [B] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij bereid is om te helpen met sneeuwruimen indien nodig.
6.5.10.
Dat het mogelijk is de zonnepanelen aan de voorkant te plaatsen maakt dit niet anders, nog daargelaten dat aan het verplaatsen kosten zijn verbonden en dat [B] gemotiveerd heeft betwist dat er dan evenveel rendement zou worden gerealiseerd. Uit het door [B] overgelegde e-mailbericht van het installatiebedrijf van 12 juli 2022 volgt immers dat verplaatsing ongunstig zou zijn voor de opbrengst van de panelen omdat deze dan meer dan gehalveerd zou worden. Het had vervolgens op de weg van [A] gelegen om zijn stelling dat verplaatsing mogelijk is met behoud van rendement nader te onderbouwing. [A] heeft in dit verband echter slechts een opbrengstberekening van ChatGPT overgelegd en aangevoerd dat hij zelf energieadviseur is, dat installateurs van zonnepanelen vaak de gemakkelijke weg kiezen door de panelen te leggen op een plek waarvoor geen kraan nodig is en dat de panelen nu weliswaar op het zuiden liggen maar dat daarmee niet is gezegd dat het beste rendement wordt gerealiseerd. Dit is naar het oordeel van het hof onvoldoende gezien de inhoud van het e-mailbericht van het installatiebedrijf en hetgeen hiervoor in rov. 6.5.9. is overwogen.
6.5.11.
Ook de door [A] overgelegde verklaring van de makelaar van 21 november 2025 leidt niet tot een andere conclusie. In deze verklaring schrijft de makelaar dat de reflectie van de zonnepanelen in de tuin een negatief effect zal hebben op de verkoopprijs van de woning. Uit de verklaring blijkt niet dat makelaar ter plaatse is geweest en zelf reflectie heeft waargenomen. Hierbij komt dat uit het rapport blijkt dat de reflectie in de tuin beperkt is (zie rov. 6.5.3. hiervoor). De makelaar had nog niet de beschikking over het rapport. Zijn e-mailbericht dateert immers van daarvoor.
Dit alles maakt dat [A] zijn stelling dat de zonnepanelen leiden tot waardevermindering van zijn woning onvoldoende heeft onderbouwd.
6.5.12.
De conclusie is dan ook dat de kantonrechter de vorderingen van [A] zoals omschreven in rov. 6.3.1. hiervoor terecht heeft afgewezen.
De vordering van [A] tot betaling van een schadevergoeding van € 1.925,-
6.6.1.
In hoger beroep vordert [A] betaling van een schadevergoeding van € 1.925,- omdat de levensduur van de verf op de zijgevel van hun woning wordt verkort als gevolg van indirect zonlicht afkomstig van de zonnepanelen. In rov. 6.5.9. is reeds overwogen dat de door [A] gestelde versnelde veroudering van de verf op de zijgevel geen onrechtmatige hinder oplevert.
6.6.2.
Hierbij komt dat [A] zijn stelling dat sprake is van versnelde veroudering als gevolg van indirect zonlicht afkomstig van de zonnepanelen, onvoldoende heeft onderbouwd. In het e-mailbericht van de schilder van 4 februari 2025 staat het volgende:
“Het lijkt erop dat het schilderwerk op de zijgevel vlak voor het moment van schilderen (april 2022) een stuk fletser was dan de achterzijde.
Ik kan hieruit niet anders dan concluderen dan dat de gerichte zonlichtreflectie vanaf de nabijgelegen zonnepanelen een nadelig effect hebben op de kleur (levensduur) van de verf op de zijgevel. Zodanig, dat deze korter is dan die door de zon beschenen achtergevel (en voorgevel).”
De bevindingen van de schilder zijn gebaseerd op foto’s uit 2022, voordat [A] zijn woning opnieuw heeft laten schilderen. Dat de kleur van de zijgevel op die foto’s fletser is dan op de achtergevel, is naar het oordeel van hof onvoldoende onderbouwing van de stelling dat de verf op zijgevel versneld veroudert als gevolg van indirect zonlicht afkomstig van de zonnepanelen. Voor het kleurverschil van de foto’s zijn immers nog tal van andere oorzaken denkbaar, waaronder de belichting van de foto’s, de kwaliteit van de verf en de specificaties van de ondergrond. Ook om deze reden kan de vordering tot schadevergoeding van [A] niet worden toegewezen.
De vordering van [A] tot aanpassing van het dak van de berging in verband met de afwatering
6.7.1.
Op grond van artikel 5:52 BW Pro is een eigenaar verplicht de afdekking van zijn gebouwen en werken zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op het erf van een ander afloopt. Volgens [A] blijkt uit de door hem overgelegde filmpjes dat bij sneeuwval en flinke regenval, de sneeuw en de regen als het ware over de dakgoot schieten en op zijn perceel terechtkomen.
6.7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de berging van [B] ter plaatse van de zonnepanelen is voorzien van een dakgoot. Het door [A] overgelegde filmmateriaal is naar het oordeel van het hof niet voldoende onderbouwing van zijn stelling dat de inrichting van het dak van de berging niet aan het bepaalde in artikel 5:52 BW Pro voldoet.
Op het filmmateriaal van de flinke regenbui is te zien dat het regenwater van de zonnepanelen afglijdt, maar niet dat het vervolgens ook daadwerkelijk over de dakgoot schiet. Door [A] is ook niet toegelicht waar dit uit zou blijken. [A] heeft een foto overgelegd waaruit blijkt dat er water blijft staan op zijn perceel, maar nergens uit blijkt dat dit wordt veroorzaakt door het over de dakgoot schieten van regenwater. Dit kan immers ook zijn veroorzaakt door uitsluitend de hevige regenval.
Uit het filmmateriaal en overgelegde foto’s blijkt dat na een sneeuwbui, sneeuw van de zonnepanelen op het perceel is terechtgekomen. De mondelinge behandeling vond plaats in een periode met sneeuwval, en door [A] is toegelicht dat er in die periode ook sneeuw van het dak van de berging op zijn perceel is terechtgekomen. Dit betekent, mede gezien het feit dat sneeuwval in het huidige Nederlandse klimaat niet vaak voorkomt, naar het oordeel van het hof echter op zichzelf niet dat de inrichting van het dak van de berging niet aan artikel 5:52 BW Pro voldoet.
Bij dit alles is van belang dat [B] naar aanleiding van de memorie van grieven een bouwbedrijf heeft ingeschakeld om de dakgoot onder de zonnepanelen te inspecteren en zonodig aan te passen, maar dat hem en het bouwbedrijf de toegang tot het perceel van [A] is geweigerd, en dat [B] bereid is om te helpen met sneeuwruimen indien nodig.
6.7.3.
Uit het voorgaande volgt dat deze vordering van [A] niet wordt toegewezen.
Slotsom
6.8.1.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de grieven van [A] niet slagen en dat zijn vorderingen worden afgewezen. Aan bewijslevering en/of het gelasten van een descente komt het hof gezien het voorgaande niet toe, nog daargelaten dat een voldoende specifiek bewijsaanbod ontbreekt.
Het hof zal het bestreden vonnis dan ook bekrachtigen, met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure in hoger beroep.
6.8.2.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [B] zullen vastgesteld worden op:
- Griffierechten € 349,-
- Salaris advocaat € 3.642,- (3 punten x tarief II)
- Nakosten € 178,- (plus de verhoging conform de beslissing)
Totaal € 4.169,-

7.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
wijst af hetgeen door [A] is gevorderd;
veroordeelt [A] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.169,- , te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [A] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [A] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, J.B. Smits en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 februari 2026.
griffier rolraadsheer