Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2024 (dossierpagina’s 17 en 18), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Ik ontving een email met 3 foto’s waarop een man en vrouw te zien waren die verdacht werden van een winkeldiefstal op 5 mei 2024 bij [bedrijf] te Oosterhout. De vrouw herken ik 100 procent als [medeverdachte] , geboren [geboortedag 2] 1986. Ik herken haar aan het gezicht en haardracht. Ik herken haar en de man omdat ik camerabeelden van een winkeldiefstal gepleegd op 21 maart 2023 bij de [bedrijf] in Made had bekeken. Toen werden zij ook verdacht van het plegen van een winkeldiefstal.
Aanvulling bewijsoverweging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de goederen die de verdachte beweerdelijk zou hebben gestolen, de winkel hebben verlaten. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het enkel in de tas stoppen van goederen – in het huidige maatschappelijke verkeer – niet maakt dat er sprake is van een voltooide diefstal.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van (voltooide) diefstal van een aan een ander toebehorend goed is onder meer vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. Of daarvan sprake is, is mede afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard.Het hof overweegt daarbij ook dat volgens vaste rechtspraak niet vereist is dat de goederen de plaats delict hebben verlaten (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ3279). Het hof stelt op grond van de van het procesdossier deel uitmakende (bewegende) camerabeelden, waarvan het hof kennis heeft genomen, het volgende vast. Op 5 mei 2024 komen een vrouw en een man (hof: verdachte) samen de [bedrijf] in Oosterhout binnenlopen. De vrouw (hof: medeverdachte [medeverdachte] ) draagt een klein tasje in haar linkerhand en een grote tas met zwarte tijgerprint in haar linkerhand. Ook heeft zij een groene boodschappentas met het merk EMTE aan haar linkerarm. Beide verdachten lopen naar het winkelschap met geneesmiddelen. Medeverdachte [medeverdachte] pakt uit het bovenste vak diverse doosjes en stopt die in de tas met zwarte tijgerprint. De verdachte staat op dat moment naast de medeverdachte en kijkt om, recht in de zich achter hem bevindende beveiligingscamera. De verdachte draait zich vervolgens weer om en stapt naar rechts waardoor de handelingen van [medeverdachte] aan het zicht van de camera worden onttrokken.
Het hof interpreteert het opzij stappen van de verdachte als het opzettelijk het zicht van de beveiligingscamera belemmeren, terwijl de medeverdachte [medeverdachte] de spullen in de tas met zwarte tijgerprint stopt. Het hof neemt daarbij in overweging dat de verdachte terwijl de medeverdachte bezig is met spullen in haar tas stoppen achteromkijkt en opzij stapt nadat hij de camera ziet.
Het in de tas stoppen van de goederen – te meer nu daarbij getracht wordt de handeling af te schermen van de beveiligingscamera – is het onttrekken van het goed aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende, gelet op het eerder genoemde juridisch kader. Deswege is op het moment van het in de tas stoppen van de goederen reeds sprake van een voltooide diefstal. Het verweer van de raadsman dat geen sprake is van een voltooide diefstal is, zal mitsdien door het hof worden verworpen.
Ten overvloede overweegt het hof nog dat ook al ware dit anders, dit de verdachte niet kan baten, nu uit de voor het bewijs gebruikte camerabeelden voorts blijkt dat nadat de medeverdachte [medeverdachte] de doosjes in de tas met zwarte tijgerprint heeft gedaan, zij samen met de verdachte de winkel doorloopt richting de kassa’s, waar [medeverdachte] ten overstaan van een medewerkster van [bedrijf] de boodschappentas met het merk EMTE (niet zijnde de tas waarin zij eerder de goederen heeft gestopt) opent en aan de medewerkster toont. Vervolgens verlaten beide verdachten de winkel, zonder iets af te rekenen. Uit deze handelingen, in samenhang bezien met het vorenstaande, volgt naar het oordeel van het hof eveneens dat de wegneming van de goederen als voltooid kan gelden.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging. Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendomsrecht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van diefstal, welke veroordelingen de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan diefstal.
Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. In deze oriëntatiepunten wordt voor een eenvoudige winkeldiefstal bij veelvuldige recidive als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand genomen. Daarnaast is uit voornoemd uittreksel gebleken dat de taakstrafbeperking – zoals neergelegd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht – van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals deze door de raadsman op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Zijn cliënt wil meer stabiliteit in zijn leven en beseft dat hij dan dient af te rekenen met zijn verslaving.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het voorgaande, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof ziet hierbij in hetgeen door de raadsman namens de verdachte is aangevoerd geen termen om van de voormelde oriëntatiepunten af te wijken.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden.