ECLI:NL:GHSHE:2026:277

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
20-000775-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling, bedreiging en belediging ambtenaar tijdens dienst

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 26 januari 2026 het vonnis van de politierechter in hoger beroep vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte werd bewezenverklaard van eenvoudige belediging van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, en mishandeling van zijn levensgezel.

De feiten betreffen een incident op 4 mei 2024 te Oosterhout waarbij de verdachte zijn partner mishandelde en bedreigde, en een politieambtenaar beledigde door hem tweemaal 'mafkees' te noemen. De mishandeling bestond uit schoppen tegen de benen en krachtig vastpakken van de arm, waarbij het slachtoffer meerdere blauwe plekken opliep. De bedreiging betrof woorden die angst en vrees voor het leven van het slachtoffer en haar familie aanjoegen.

De verdediging voerde vrijspraak aan en stelde dat de verdachte leed aan PTSS waardoor hem de feiten niet konden worden toegerekend. Het hof oordeelde echter dat hoewel PTSS bij de verdachte is vastgesteld, er geen bewijs is dat dit zijn gedrag tijdens de feiten beïnvloedde in die mate dat strafbaarheid uitgesloten is. De strafoplegging bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Het hof benadrukte dat hoewel de belediging jegens de politieambtenaar strafbaar is, deze relatief onschuldig is en niet meeweegt in de strafoplegging. De ernst van de mishandeling en bedreiging tegen het slachtoffer woog zwaarder. De verdachte toonde geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en heeft een justitiële voorgeschiedenis, wat mede in de strafoplegging is betrokken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 weken voorwaardelijke gevangenisstraf en 60 uur taakstraf voor mishandeling, bedreiging en belediging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000775-25
Uitspraak : 26 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-151483-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
BRP-adres te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (feit 1),
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 2) en
  • ‘mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot’ (feit 3),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit ter zake van alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu sprake zou zijn van een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen. Meer subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 4 mei 2024 te Oosterhout opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent (werkzaam bij de politie Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: (meermalen) "mafkees", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 4 mei 2024 te Oosterhout [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Hij haar een knietje zou geven en zij dan onder de tegels zou liggen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij in of omstreeks de periode van 25 april 2024 tot en met 4 mei 2024 te Oosterhout zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door (meermalen) tegen haar benen te schoppen en/of te trappen en/of (met kracht) bij/in haar arm te pakken/knijpen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 4 mei 2024 te Oosterhout opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: meermalen "mafkees";
2.hij op 4 mei 2024 te Oosterhout [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Hij haar een knie zou geven en zij dan onder de tegels zou liggen", althans woorden van gelijke aard of strekking;
3.hij in de periode van 25 april 2024 tot en met 4 mei 2024 te Oosterhout zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door tegen haar benen te schoppen en met kracht bij haar arm te pakken;
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , agent bij de politie, registratienummer PL2000-2024111760, gesloten d.d. 5 mei 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-67. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2024, dossierpagina 6, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 4 mei 2024, omstreeks 20.50 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met een dienst ten behoeve van de incidentenafhandeling, in het district Baronie, in de gemeente Oosterhout. Op bovengenoemde dag, datum en tijdstip kreeg ik de melding van het Operationeel Centrum te Bergen op Zoom, om te gaan naar [adres] . Aldaar zou er huiselijk geweld plaatsvinden door de later te noemen verdachte [verdachte] .
Ik hoorde dat [verdachte] mij tot tweemaal toe een mafkees noemde. Ik zag dat er buurtbewoners op de galerij stonden. Daarop voelde ik mij in mijn goede naam en eer aangetast.
[verbalisant 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtseed.
2.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2024, dossierpagina’s 9-11, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 4 mei 2024 omstreeks 20.00 uur werden wij opgeroepen door het operationeel centrum om te gaan naar [adres] . Ik hoorde dat de verdachte tot 2 keer toe tegen mijn collega zei dat hij een mafkees is.
3.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2024, dossierpagina’s 14-18, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op 4 mei 2024 omstreeks 20.40 uur gingen wij ter plaatse aan [adres] .
Op 4 mei 2024, omstreeks 20.42 uur ben ik de woning binnengetreden. Ik hoorde geen stemmen. Ik liep een kamer in waar het licht uit was. Ik zag dat er een bed in de kamer stond. Toen ik in de kamer stond hoorde ik een stem. Ik zag dat er iemand in het bed lag. Ik zag dat hoofdagent [verbalisant 5] het licht van de kamer aan deed. Ik zag dat er twee personen in het bed lagen. Ik zag dat de deken die op het bed lag, werd omgeslagen. Ik zag dat er in het bed, onder de deken, een vrouw (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer] ) en een kind lagen. Ik zag dat de vrouw haar armen om het kind had geslagen. Ik zag dat de vrouw ineengekrompen was. Ik zag dat de vrouw een angstige blik had. Ik zag dat de vrouw haar kleding aan had. Ik vroeg aan de vrouw hoe het met haar ging. Ik hoorde dat de vrouw zei dat ze bang was. Ik zag dat de vrouw aan het trillen was. Ik vroeg aan de vrouw wat er was gebeurd. Ik hoorde dat de vrouw zei dat hij erg boos was geworden.
Ik hoorde dat de vrouw zei dat ze erg bang was.
Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze niet in haar woning kon blijven omdat haar man haar dan iets aan zou doen. Ik vroeg aan [slachtoffer] waarom ze dacht dat hij dat zou gaan doen. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat haar man tegen haar had gezegd dat hij haar wel even een knie tegen haar hoofd zou geven en ze dan zo onder de tegels zou liggen. Ik vroeg aan [slachtoffer] wanneer haar man voor het eerst fysiek agressief naar haar is geweest. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat dit vorige week donderdag, 25 april, was geweest. Ik vroeg aan [slachtoffer] of ze hier zichtbaar letsel aan had over gehouden. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze een grote blauwe plek op haar linkerbeen had. Ik zag links op de zijkant van haar linkerbeen een grote blauwe plek. Ik zag dat de plek blauw, paars en geel van kleur was. Ik zag aan de voorkant van haar rechterbeen een blauwe plek. Ik zag dat deze plek blauw en geel van kleur was. Ik zag dat op de rechterarm van [slachtoffer] een blauwe plek zat. Ik zag dat de plek geel en paars van kleur was. Ik zag dat [slachtoffer] op haar linkerarm een blauwe plek had. Ik zag dat de plek blauw en paars van kleur was. Ik hoorde dat de vrouw zei dat zij deze verwondingen afgelopen donderdag (
het hof begrijpt:2 mei 2024) had opgelopen. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat haar man haar op haar been had geschopt en dat hij haar arm had vastgepakt.
4.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2024, dossierpagina’s 26-30, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Ik en politiemedewerker [verbalisant 4] , betraden de woning. Ik liep de donkere kamer in en ik zag een tweepersoonsbed staan. Ik deed de verlichting aan en ik zag een silhouet van een lichaam die roerloos onder de deken lag.
Ik riep nog een keer dat wij van de politie zijn en tot mijn grote opluchting zag ik dat de deken werd weggeduwd en ik herkende de vrouw die ik eerder had gezien tijdens onze eerste melding, mevrouw [slachtoffer] .
Ik zag dat zij met haar lichaam hun kindje probeerde af te schermen van een mogelijk gevaar. Ik zag dat zij met haar kleding aan in bed lag. Ik zag in haar gelaat dat zij zeer angstig keek. Ik deelde haar mede dat zij veilig is, dat ik haar partner zojuist uit de woning had getrokken en dat mijn collega's met hem bezig zijn. Ik zag dat hun kindje ontzettend angstig was en ik zag hoe hij zich stevig vastklampte aan zijn moeder. Ik zag dat mevrouw [slachtoffer] , hierna genoemd als zijnde slachtoffer 1 in tranen uitbarstte. Ik en politiemedewerker [verbalisant 4] gaven beide slachtoffers even de ruimte om bij te komen. Nadat slachtoffer 1 enigszins was bijgekomen sprak zij haar angsten uit. Ik hoorde dat zij verklaarde dat zij eerder op de dag tijdens de 1e melding het niet durfde uit te spreken dat zij zo bang was en dat zij eigenlijk wel de hulp wilde, maar dit niet deed. Dat zij vreesde voor haar eigen leven en het leven van haar ouders. Ik hoorde dat zij verklaarde dat hij, haar partner, haar had bedreigd om haar iets aan te doen, Dat hij haat heeft voor haar ouders en dat hij ervoor ging zorgen dat zij er niet meer zouden zijn. Dat hij haar ouders zou dood slaan. Dat hij dit had uitgesproken met de volgende woorden:" Met een klap sla ik hen onder de stenen." Dat hij meerdere keren had uitgesproken dat hij haar ouders zou pakken en ook haar broer. Dat hij ook haar had bedreigd met het nemen van haar leven en dat hij in woorden van gelijke strekking ook haar onder de stenen zou leggen.
5.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 5 mei 2024 (pg. 41-49), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte.
O: Opmerking verbalisant (als niet in pv of niet gebruikt wordt dan weglaten)
V: Bij jouw vrouw zijn gisteren meerdere blauwe plekken aangetroffen. Op beide armen en beide benen. Wat kun je hierover verklaren?
V: Dit zou gebeurd moeten zijn op 25 april 2024. Je zou geschopt hebben tegen haar been hebben geschopt en haar arm hebben vastgepakt. Kan dit kloppen?
A: Ja dat kan kloppen. (…) Ik denk niet dat zij dit verzint.
A: Ik vind het ontzettend erg dat het gebeurd is.
O: Zoals al eerder aangegeven, word je in dit onderzoek ook verdacht van bedreiging.
V: Kun je daar iets over vertellen?
A: Ik heb een scherpe mond. Af en toe flappen er dingen uit.
V: Op zaterdag 4 mei 2024 zou jij jouw vrouw bedreigd hebben. Weet je daar iets van?
A: Ik was echt overstuur, ik heb misschien dingen gezegd waar ik ontzettend veel spijt van heb.
6.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof op 12 januari 2026, voor zover inhoudende:
Kickboksen doe ik nog steeds. Ik train 5 dagen per week, soms twee keer per dag.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, in de kern aangevoerd dat er met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde geen sprake is van een strafbare belediging. Hierbij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat gelet op de omstandigheden van het geval, de belediging niet als een strafrechtelijke verwijtbare belediging gekwalificeerd dient te worden. Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ten aanzien van feit 1
Het hof stelt voorop dat een uitlating die in iemands tegenwoordigheid wordt aangedaan, als beledigend moet worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer of goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte tweemaal het woord ‘mafkees’ heeft geroepen tegen hoofdagent [verbalisant 1] . Dit betreft een uitlating die in het algemene dagelijkse spraakgebruik een beledigend karakter heeft. In het gebruik en de aard van dergelijke woorden ligt de strekking en daarmee het opzet om te beledigen besloten. Dat de uitlating van de verdachte een uiting van frustratie en boosheid zou zijn geweest, doet hier niet aan af. Deze uitlating heeft immers, ook mede gezien de context, de strekking gehad aangever aan te randen in zijn eer en goede naam.
Ten aanzien van feit 2 en 3
Het betoog van de raadsman, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde, wordt naar het oordeel van het hof weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zodat dit verweer geen verdere bespreking behoeft. Het hof ziet immers geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de op ambtsbelofte opgestelde processen-verbaal van verbalisanten te twijfelen.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling, nu de bij [slachtoffer] aangetroffen blauwe plekken ook spontaan zouden kunnen zijn ontstaan, is het hof van oordeel dat deze stelling niet aannemelijk is geworden, temeer nu de blauwe plekken zijn aangetroffen op de plekken waar [slachtoffer] zegt te zijn geknepen en getrapt.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, aangezien de verdachte de feiten in de visie van de verdediging geheel onder invloed van PTSS heeft gepleegd op grond waarvan deze de verdachte niet kunnen worden toegerekend.
Voor zover de verdediging met het voorgaande een beroep op het bepaalde in artikel 39 Sr Pro, psychische overmacht, heeft willen doen, overweegt het hof als volgt.
Op grond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, heeft het hof wel willen aannemen dat de verdachte lijdt aan PTTS. Uit de brief van psychiater [psychiater] d.d. 6 januari 2026 blijkt evenwel dat het niet mogelijk is om vast te stellen dat PTSS van invloed is geweest op de reactie van de verdachte ten tijde van de feiten waarvan hij wordt verdacht. Het is voor het hof ook overigens uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de PTSS van de verdachte zodanig van invloed is geweest bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten, dat deze feiten in het geheel niet aan hem kunnen worden toegerekend. Het verweer van de verdediging zal worden verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om de op te leggen straf te matigen en aan de verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke taakstraf, dan wel deze te matigen tot 30 uur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudige belediging van hoofdagent [verbalisant 1] , een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, door hem meermalen “mafkees” te noemen. Hoewel hier sprake is van een strafbaar feit en het ingevolge het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel aan het Openbaar Ministerie is om te beslissen of een bepaalde verdachte al dan niet wordt vervolgd, is het hof van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van de bewoordingen en gelet op de omstandigheden waarin de verdachte deze bewoordingen tegen de verbalisant heeft gebezigd, deze belediging bij de bepaling van de straf niet zal worden meegenomen. Het hof is weliswaar van oordeel dat juist ook politieambtenaren die vaak optreden in ook voor henzelf risicovolle omstandigheden de bescherming van het recht verdienen. Hun professionele taakuitoefening brengt echter ook mee dat zij relatief onschuldige uitroepen die menselijkerwijs vallen te verwachten van verdachten die met geweld worden aangehouden, ondergaan/verdragen. De uitroep ‘mafkees”, hoewel beledigend maar anderzijds relatief onschuldig, valt daaronder.
Tevens is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer] , door tegen haar benen te schoppen en met kracht bij haar arm te pakken. Met het gebruik van dat geweld heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en gehandeld zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn handelwijze. Tot slot is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer] , door haar te zeggen dat hij haar een knie zou geven en dat zij dan onder de tegels zou liggen. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar vrees aangejaagd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard, temeer nu hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.. Dat de partner van de verdachte later bij de raadsheer-commissaris een ongeloofwaardig vergoelijkende verklaring heeft afgelegd, baart het hof zorgen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, doch niet voor soortgelijke strafbare feiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat de pleegzoon van hem en [slachtoffer] na het incident van 4 mei 2024 uit huis is geplaatst. De raadsman gaf in dat verband te kennen dat de procedure omtrent de uithuisplaatsing van de pleegzoon reeds is afgerond. De verdachte mag via een omgangsregeling één keer in de drie maanden zijn pleegzoon zien. De verdachte verklaarde voorts dat de relatie tussen hem en mevrouw [slachtoffer] momenteel goed verloopt. Verdachte gaat een nieuwe woning bezichtigen aangezien het hem te veel stress oplevert om in zijn oude woning te verblijven. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij nog steeds kampt met psychische problemen. De vader en moeder van de verdachte zijn overleden en hij heeft tweemaal een suïcidepoging ondernomen.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de brief van [psychiater] , psychiater, waaruit blijkt dat verdachte sinds 4 september 2025 is opgenomen op de afdeling High Care van [verslavingskliniek] te Vught, wegens een stoornis in het gebruik van alcohol. De einddatum van de opname is nog onbekend. De verdachte is gemotiveerd om aan zijn alcoholproblematiek te werken en is sinds aanvang opname abstinent. Uit de brief van [psychiater] blijkt tot slot dat bij de verdachte een post-traumatische stress stoornis is vastgesteld die is ontwikkeld door gebeurtenissen in zijn vroege jeugd.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 24 juli 2024, waaruit onder meer volgt dat het risico op recidive als laag tot gemiddeld wordt ingeschat en dat de reclassering geen meerwaarde ziet in het stellen van bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 266, 267, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis;
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en J.C. Verhoeven, griffiers,
en op 26 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.