ECLI:NL:GHSHE:2026:292

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
20-000062-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 404 lid 5 Wetboek van StrafvorderingArt. 68 Wetboek van StrafrechtArt. 63 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens weigering bloedonderzoek en ne bis in idem bij fietsendiefstal

De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van een tenlastelegging onder parketnummer 02-266377-23, maar stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk omdat hoger beroep tegen een vrijspraak niet openstaat volgens artikel 404 lid 5 Sv Pro.

Ten aanzien van de tenlastelegging onder parketnummer 02-270922-23 onder 2, die betrekking had op fietsendiefstal in België, oordeelde het hof dat vervolging in Nederland niet mogelijk is vanwege het ne bis in idem-beginsel, omdat de verdachte reeds onherroepelijk in België was veroordeeld en de straf volledig had uitgezeten.

Voor het onder 1 tenlastegelegde, het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek op 12 juli 2023 in Roosendaal, werd de verdachte wel schuldig bevonden. Het hof veroordeelde hem tot twee weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 10 maanden. De strafmaat werd mede bepaald vanwege eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De redelijke termijn werd overschreden met bijna een maand, maar dit leidde niet tot gevolgen vanwege aanhouding op verzoek van de verdediging.

Uitkomst: Verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen vrijspraak, OM niet-ontvankelijk wegens ne bis in idem, veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en tien maanden rijontzegging wegens weigering bloedonderzoek.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000062-24
Uitspraak : 2 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 januari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-266377-23 en 02-270922-23, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Grave te Grave.
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof:
  • de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, voor zover dit gericht is tegen de vrijspraak van het onder parketnummer 02-266377-23 primair en subsidiair tenlastegelegde;
  • het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van het onder parketnummer 02-270922-23 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde;
  • het vonnis voor het overige zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en
  • aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden.
Namens de verdachte is ten aanzien van het onder parketnummer 02-266377-23 primair en subsidiair tenlastegelegde de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep bepleit, nu de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van die feiten. Ten aanzien van het onder parketnummer 02-270922-23 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde is de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit wegens schending met het ne bis in idem-beginsel.
Ten aanzien van het onder parketnummer 02-270922 onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 02-266377-23 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
parketnummer 02-270922-23:1.
hij op of omstreeks 12 juli 2023 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig met kenteken [kenteken] te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
2.
hij op of omstreeks de periode 11 juli 2023 tot en met 12 juli 2023 te Stabroek, in elk geval in België, één of meerdere fietsen (merk Cube en/of Kona), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juli 2023 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, één of meerdere fietsen, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de strafvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 02-270922-23 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging ten aanzien van opgemelde feiten.
De raadsman heeft eveneens bepleit om het Openbaar Ministerie ter zake van opgemelde feiten niet-ontvankelijk te verklaren en daartoe een beroep gedaan op strijd met het
ne bis in idem-beginsel. Hij heeft daartoe, verwijzend naar het door hem overgelegde arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 8 januari 2025, aangevoerd dat de verdachte ter zake van onder meer genoemde feiten onherroepelijk is veroordeeld en dat de aan de verdachte onder meer voor deze feiten opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren volledig is uitgezeten.
Het hof stelt het volgende voorop.
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met het zogenoemde 'ne bis in idem'-beginsel is het volgende artikel van belang:
Artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht:
'1. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba onherroepelijk is beslist.

2. Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van:

1°. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;
2°. veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

3. Niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde staat onherroepelijk is afgedaan door de voldoening aan een voorwaarde, door de bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van strafvervolging.'

Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen onder meer veroordeeld voor de diefstal van meerdere fietsen, waaronder de fietsen toebehorende aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in de periode van 11 juli 2023 tot en met 12 juli 2023 te Stabroek, België. Het staat voor het hof, gezien de in voornoemd arrest genoemde pleegplaats en pleegdata en de specificaties van de gestolen goederen vast dat de feiten waarvoor verdachte in de zaak met parketnummer 02-270922-23 onder 2 primair en subsidiair wordt vervolgd dezelfde feiten zijn als de feiten waarvoor hij door het Hof van beroep te Antwerpen reeds is veroordeeld en dat de mede daarvoor opgelegde straf geheel is uitgevoerd. Een vervolging voor die feiten zou dan ook strijd opleveren met het ne bis in idem-beginsel, zoals neergelegd in artikel 68 lid 2 aanhef Pro en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof zal het Openbaar Ministerie derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van het onder parketnummer 02-270922-23 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-270922-23 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
parketnummer 02-270922-23:1.
op 12 juli 2023 te Roosendaal, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig met kenteken [kenteken] te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-270922-23 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij geweigerd heeft gevolg te geven aan een bevel om mee te werken aan een bloedonderzoek. Door aldus te handelen heeft hij de controle op de naleving van de voorschriften ter bescherming van de verkeersveiligheid bemoeilijkt en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 januari 2026, eerder ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die mede door hem ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, leiden niet tot een ander oordeel.
Het hof zal, anders dan door de raadsman is bepleit, niet in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte in België gedetineerd is geweest, nu die detentie ziet op andere strafbare feiten door hem in België gepleegd.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Als uitgangspunt in zaken met een niet-gedetineerde verdachte heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 12 juli 2023, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 4 januari 2024. In eerste aanleg is derhalve geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
De verdachte heeft op 4 januari 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 2 februari 2026, derhalve 2 jaar en bijna één maand na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van bijna één maand.
Het hof constateert dat de zaak op 20 januari 2025 inhoudelijk behandeld had kunnen worden. De zaak is toen evenwel aangehouden op verzoek van de verdediging wegens de langdurige detentie van de verdachte in België en zijn uitdrukkelijke wens om bij de behandeling de zaak in persoon aanwezig te zijn. Gelet hierop zal hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daar enig gevolg aan te verbinden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 02-266377-23 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-270922-23 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-270922-23 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-270922-23 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-270922-23 onder 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
10 (tien) maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 164 WVW Pro 1994.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,
en op 2 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.