ECLI:NL:GHSHE:2026:334

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
20-002565-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 342 SvArt. 6 EVRMArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met voorwaardelijke gevangenisstraf

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Breda, waarin verdachte was veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf wegens mishandeling van het slachtoffer op 28 april 2024 in Breda.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter vanwege onvoldoende motivering en verklaarde het tenlastegelegde bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door haar tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te schoppen. Het bewijs bestond uit camerabeelden, foto's van het letsel, verklaringen van het slachtoffer en de verdachte zelf.

De verdediging voerde vrijspraak aan, onder meer op grond van schending van het bewijsrecht, maar het hof verwierp dit verweer. Gelet op het justitiële verleden van verdachte en de ernst van het bewezenverklaarde, legde het hof een gevangenisstraf van 2 weken op, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De straf weerspiegelt de ernst van de mishandeling en dient tevens als preventie tegen toekomstige delicten. Het vonnis werd op 9 februari 2026 uitgesproken door de meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar wegens mishandeling.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002565-24
Uitspraak : 9 februari 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-195030-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 april 2024 te Breda, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal,
- op/tegen het gezicht te slaan, en/of
- te schoppen en/of duwen tegen de bil, althans het lichaam.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 april 2024 te Breda, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] ,
- tegen het gezicht te slaan, en
- te schoppen tegen het lichaam.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2024 (p. 11-13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 28 april 2024, omstreeks 9.40 uur kregen wij de opdracht van het operationeel centrum om te gaan naar [naam daklozencentrum] in Breda. Hier zou een vrouw zijn mishandeld door een man. Deze man zou volgens melder de volgende persoon zijn:
Naam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum 1]
Ter plaatse werd ik binnengelaten door de bewaker van de daklozenopvang. Deze liet mij binnen en bracht mij naar het slachtoffer van de mishandeling die eerder op deze locatie had plaatsgevonden. Ter vaststelling van de identiteit, vroeg ik het slachtoffer om een identiteitsbewijs. Nadat ik de identiteit verifieerde, wist ik dat ik met de volgende persoon te maken had:
Naam: [slachtoffer]
geboortedatum: [geboortedatum 2]
Nadat ik de identiteit had geverifieerd, maakte ik foto's van haar gelaat. Ik zag terwijl ik foto's maakte dat boven het rechteroog, ter hoogte van de wenkbrauw van het slachtoffer een verwonding zat. Ik zag dat de huid rond haar oog rood en opgezwollen was. Ook zag ik aan de onderzijde van het rechteroog een blauwe verkleuring.
De bewaker van de daklozenopvang vertelde dat hij camerabeelden had van de eerder gepleegde mishandeling van deze ochtend. Ik besloot om de camerabeelden te bekijken om een signalement van de verdachte te verkrijgen én te verifiëren of er daadwerkelijk een mishandeling op beeld stond. Ik zag op de camerabeelden dat er een man met het volgende signalement in beeld kwam:
- Noord Afrikaanse man
- tussen de 45 en 55 jaar oud
- Kortgeschoren donker haar
- bruine jas met matte stof
- wit bontkraagje
- djellaba van donkere stof en hierop lichte strepen
- aan zijn voeten één witte sok en aan één voet een donkere sok.
- slippers
Ik gaf dit signalement door aan het operationeel centrum. Nadat ik de camerabeelden had gezien bevroeg ik eerder de genoemde [verdachte] . Ik herkende op de beelden die ik zag [verdachte] aan de hand van een BVID foto in bevragingssyteem Bluespot van 03 mei 2022. Ik herkende [verdachte] aan zijn typerende neus en wenkbrauwen.
Ik zag op beeld dat de man ( [verdachte] ) op een agressieve manier op een persoon af liep die ik op dat moment aan de jas herkende als het slachtoffer [slachtoffer] . [slachtoffer] droeg terwijl ik eerder de foto's maakte namelijk een jas die ik herkende als dezelfde jas die ik zag op de camerabeelden. Ik zag dat beide personen onder een overkapping uit beeld verdwenen. Na enkele seconden kwamen de personen weer in beeld. Ik zag op beeld dat [verdachte] op een non-verbale agressieve manier naar [slachtoffer] toe liep. Ik zag op beeld dat [slachtoffer] werd vastgepakt door [verdachte] aan haar haar en kraag. Ik zag dat [slachtoffer] dit deed met zijn rechterhand. Ik zag dat kort hierna [verdachte] tweemaal trapte tegen het onderlijf van [slachtoffer] . Eén keer met zijn linkervoet en éénmaal met zijn rechtervoet.
2.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 juni 2024 (p. 24-29), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant
V: Wat kun jij verklaren over wat er op 28 april 2024, omstreeks 9.00 uur, is gebeurd?
A: Ik lig te slapen, komt een van die meisjes aan mijn deur kloppen. Die zeiden dat [slachtoffer] (
het hof begrijpt: slachtoffer [slachtoffer]) al mijn spullen uit mijn fiets had gehaald.
V: Jij zet tassen voor deze persoon neer. Waarna deze persoon langs jou af probeert te lopen. Op dat moment pak jij deze persoon bij de nek vast. Wat kun jij hierover verklaren?
A: Ik heb aan die vrouw een stomp verkocht en vervolgens is ze naar de beveiliging gegaan om daar zielig te doen.
V: Op de camerabeelden bij de fietsenstalling aan [adres 2] ben jij te zien. Wat kun je hierover verklaren?
O: Verdachte wordt opstandig en wil de beelden zien, deze worden getoond en verdachte geeft aan het weer te weten.
V: Kan je nu bevestigen na de beelden dat jij het bent?
A: Jazeker dat ben ik.
3.
De eigen waarneming van het hof op de afbeelding (Foto 3) die als fotoblad met onderschrift ‘letsel van het slachtoffer’ (p. 41) in het procesdossier is gevoegd, inhoudende:
Omschrijving: Letsel van het slachtoffer
Het hof ziet een wondje op de wenkbrauw boven het rechteroog, een wondje op de neus, een verdikking rondom het rechteroog en een blauwe plek onder het rechteroog van de vrouw op de foto.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – de aangifte van aangeefster niet tot het bewijs kan worden gebezigd omdat de verdediging niet in staat is geweest om de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te toetsen. Het tot het bewijs bezigen van deze aangifte zou daarmee een schending zijn van artikel 6, derde lid, aanhef en sub d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Nu het hof de verklaring(en) van aangeefster niet tot het bewijs heeft gebezigd, behoeft dit verweer geen verdere bespreking.
Voorts heeft de raadsman bepleit dat het niet tot het bewijs bezigen van de aangifte moet leiden tot vrijspraak, aangezien zonder de aangifte niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er is zonder de aangifte onvoldoende steunbewijs voor de specifiek tenlastegelegde geweldshandelingen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat [verbalisant 1] op 28 april 2024 een melding kreeg om naar [naam daklozencentrum] te gaan in verband met een mishandeling die daar had plaatsgevonden. Ter plaatse trof hij het slachtoffer [slachtoffer] aan en constateerde hij letsel op haar gezicht. Op de foto’s van haar gezicht die zich in het procesdossier bevinden, heeft het hof ook letsel op de wenkbrauw, rondom het oog en op de neus van het slachtoffer waargenomen. [verbalisant 1] heeft vervolgens de camerabeelden bekeken van de locatie met een overkapping, waar het incident zich heeft voorgedaan. Door die overkapping is niet het gehele incident op de camerabeelden te zien. [verbalisant 1] zag op de camerabeelden wel dat de verdachte het slachtoffer tweemaal tegen haar onderlichaam schopte. De verdachte heeft zichzelf tijdens zijn politieverhoor ook herkend op de camerabeelden en verklaarde daarnaast dat hij [slachtoffer] die dag een stomp heeft gegeven. De verklaring van de verdachte over een stomp vindt ook bevestiging in (onder meer) het die ochtend door verbalisant [verbalisant 1] waargenomen en gefotografeerde letsel.
Voornoemde omstandigheden tezamen maken dat het hof uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is voorts geen sprake van schending van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zoals door de verdediging bepleit. Het hof verwerpt daarmee het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft het hof verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij heeft het slachtoffer tegen haar lichaam geschopt en tegen haar gezicht geslagen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en haar pijn toegebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) geweldsfeiten, laatstelijk twee maal in 2020. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezen is verklaard. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.
Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 9 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , agent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024105400, gesloten d.d. 9 augustus 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-44. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.