ECLI:NL:GHSHE:2026:336

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
20-002229-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor ernstige verkeersovertreding met hoge snelheid en gevaarlijk inhalen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in Maastricht, waarin verdachte was veroordeeld voor overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter had verdachte vrijgesproken van enkele feiten, maar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden.

In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege onvoldoende motivering door de politierechter. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte op 8 maart 2023 in Kerkrade met een personenauto binnen de bebouwde kom meermalen met circa 150/160 km/uur reed en een vrachtwagen over het trottoir inhaalde, waardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel werd veroorzaakt. Verdachte werd vrijgesproken van het feit dat hij na inlevering van zijn rijbewijs een voertuig bestuurde, omdat dit niet was vastgesteld.

De herkenningen van verdachte door twee verbalisanten werden door het hof als betrouwbaar beoordeeld, ondanks het verweer van de verdediging. Het hof legde een taakstraf van 120 uur op, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke ontzegging werd afgewezen vanwege het tijdsverloop en onopportuunheid.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en voorwaardelijke ontzegging rijbevoegdheid van 12 maanden met proeftijd van 2 jaar, vrijgesproken van besturen na inlevering rijbewijs.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002229-24
Uitspraak : 9 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 augustus 2024, parketnummer 03-193316-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 96-204012-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans uit anderen hoofde verblijvende in DC Rotterdam te Rotterdam.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Voorts is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 4) schuldig verklaard zonder oplegging van een straf. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, te weten de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden, afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is beperkt ingesteld en richt zich niet tegen de vrijspraak door de politierechter van hetgeen onder feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 4 bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van feit 4 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van een straf. Tevens heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 96-204012-20 dient te worden afgewezen.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van hetgeen onder feit 4 is tenlastegelegd. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Tevens heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 96-204012-20 dient te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering en het hof tot andere beslissingen komt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Merksteinstraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- een stopteken te negeren; en/of
- meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, althans met een veel hogere snelheid dan aldaar toegestaan te rijden; en/of
- een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir in te halen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Merksteinstraat,
- een stopteken heeft genegeerd; en/of
- meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, althans met een veel hogere snelheid dan aldaar toegestaan heeft gereden; en/of
- een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir heeft ingehaald,
door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;
4.
hij te Gronsveld, in de gemeente Eijsden-Margraten, op of omstreeks 14 maart 2023, zijnde een tijdstip gelegen na het tijdstip als bedoeld in artikel 30, eerste lid van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, als degene van wie ingevolge die wet de inlevering van het rijbewijs was gevorderd, dan wel als degene wiens rijbewijs krachtens die wet was ingenomen, op de weg, de A2, een motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat uit het procesdossier niet blijkt dat van de verdachte op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs was gevorderd dan wel dat zijn rijbewijs op grond van die wet was ingenomen. Nu het hof dit niet kan vaststellen, zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- meermalen binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, en
- een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir in te halen,
door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de herkenningen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte slechts eenmaal eerder gezien, wat niet als frequent kan worden aangemerkt en niet kan worden vastgesteld dat het contact intensief is geweest. Verbalisant [verbalisant 2] zou de verdachte hebben herkend op grond van eerdere controles, maar uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat van intensief en frequent contact tussen hem en de verdachte sprake is geweest. Daarnaast blijkt uit beide processen-verbaal niet op grond van welke specifieke, onderscheidende kenmerken de herkenningen van de verdachte hebben plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Zoals door de raadsman aangevoerd, staat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag vanaf welke afstand en onder welke omstandigheden de waarnemingen zijn gedaan en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Daarnaast overweegt het hof dat herkenning van een persoon plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning immers positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
Het hof is van oordeel dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ter zake opgemaakte en tot het bewijs gebezigde herkenningen van de verdachte door de verbalisanten. Daartoe overweegt het hof dat beide verbalisanten hebben gerelateerd dat zij de verdachte ambtshalve kennen vanuit hun werkzaamheden als [functie 1], respectievelijk [functie 2]. Het hof stelt uit de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verbalisant [verbalisant 1] op 23 februari 2023, zo’n twee weken voor de pleegdatum van het onderhavige feit, de verdachte heeft gecontroleerd, waarbij hij enige tijd met de verdachte bezig is geweest om zijn identiteit vast te stellen wegens het ontbreken van de juiste documentatie. Hieruit leidt het hof af dat het contact tussen [verbalisant 1] en de verdachte toen niet vluchtig, maar meer intensief is geweest. [verbalisant 1] gaf in zijn proces-verbaal van bevindingen omtrent het tenlastegelegde feit te kennen dat hij op 8 maart 2023 op twee meter afstand duidelijk de verdachte als de bestuurder van de auto heeft gezien. Gelet op voornoemd intensief contact tussen [verbalisant 1] en de verdachte van twee weken daarvoor en de korte afstand tussen hen op 8 maart 2023, oordeelt het hof dat [verbalisant 1] een betrouwbare herkenning van de verdachte heeft kunnen doen. Dat [verbalisant 1] niet de precieze persoonskenmerken heeft omschreven op basis waarvan hij de verdachte herkende, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat ook de Duitse verbalisant [verbalisant 2] in zijn proces-verbaal heeft aangegeven dat de verdachte op 22 september 2022 al door hem werd aangehouden en gecontroleerd als bestuurder van een personenvoertuig. De verbalisanten hebben onafhankelijk van elkaar in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal gerelateerd dat zij de verdachte op 8 maart 2023 als bestuurder van de auto hebben herkend en het hof heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze herkenningen te twijfelen. Het hof neemt daarbij bovendien nog in aanmerking dat de verdachte vaker tezamen met mevrouw [betrokkene] in een auto is aangetroffen bij een controle. De omstandigheid dat de verdachte op 8 maart 2023 wederom tezamen met [betrokkene] in een auto werd aangetroffen, draagt te meer bij aan de betrouwbaarheid van de herkenningen.
Gelet op het hierboven beschreven holistisch proces bij herkenning van personen, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de processen-verbaal over de herkenning, is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de herkenningen betrouwbaar zijn en bezigt deze tot het bewijs.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om, in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij dermate gevaarlijk en roekeloos heeft gereden dat de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht. Bij het overtreden van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft de verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, en daarmee de lichamelijke integriteit van anderen in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezen verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij weer als stratenmaker wil gaan werken als hij uit de gevangenis komt, dat hij het contact met zijn kinderen weer wil opbouwen en dat hij vrijwillig medicatie gebruikt tegen psychoses.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Daarnaast acht het hof passend en geboden om – ter bescherming van de verkeersveiligheid – aan de verdachte voorwaardelijk de bevoegdheid te ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Met oplegging van een gedeeltelijke voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie te Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg van 19 augustus 2022 onder parketnummer 96-204012-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsman heeft het hof verzocht om de vordering af te wijzen.
Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het, mede gelet op het tijdsverloop, niet opportuun is om de vordering toe te wijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Limburg van 25 maart 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Maastricht van 19 augustus 2022, parketnummer 96-204012-20, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 9 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.