ECLI:NL:GHSHE:2026:354

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
20-000930-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens geslaagd beroep op noodweer bij zware mishandeling

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter waarin verdachte was vrijgesproken van zware mishandeling maar veroordeeld voor mishandeling. De verdachte werd beschuldigd van het toebrengen van een gebroken kaak aan het slachtoffer door slaan en mogelijk schoppen.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer een vuistslag op de kaak had gegeven, wat zwaar lichamelijk letsel veroorzaakte. Er was echter onvoldoende bewijs dat verdachte het slachtoffer had geschopt. De verdediging voerde een beroep op noodweer(exces) aan, omdat verdachte zich bedreigd voelde door een dreiging met een mes door het slachtoffer.

Na beoordeling van de feiten en getuigenverklaringen oordeelde het hof dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat de vuistslag proportioneel was als noodzakelijke verdediging. Hierdoor verviel de wederrechtelijkheid en werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Ook de subsidiaire mishandeling werd vrijgesproken. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken en ontslagen van alle rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000930-25
Uitspraak : 6 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-023465-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kinderrechter de verdachte vrijgesproken ter zake van het primair tenlastegelegde feit, te weten zware mishandeling, en veroordeeld ter zake van het subsidiaire feit van mishandeling tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Voorts heeft de kinderrechter een beslissing genomen op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen voor het primair tenlastegelegde feit tot een taakstraf, inhoudende een werkstraf van 60 uur. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft gevorderd ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde schoppen/trappen en ten aanzien van het tenlastegelegde slaan een beroep gedaan op noodweer(exces), wat zou moeten leiden tot vrijspraak en/of ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft tevens bepleit dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Hulst, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd te schoppen en/of trappen en/of (met kracht) te slaan en/of stompen.
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden,
hij, op of omstreeks 1 januari 2025 te Hulst, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of hoofd te schoppen en/of trappen en/of (met kracht) te slaan en/of stompen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel te weten een gebroken kaak, althans pijn of letsel, althans pijn of letsel heeft bekomen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op 1 januari 2025 te Hulst, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] eenmaal tegen het gezicht (met kracht) te slaan en/of stompen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde
De advocaat-generaal heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal – in de kern weergegeven – aangevoerd dat hoewel de verklaringen van de getuigen uiteen lopen, de verklaring van getuige [getuige 1] het meest betrouwbaar is. Volgens deze getuige zijn er woorden geweest tussen de aangever, de verdachte en een vriend van de verdachte, waarna de verdachte de aangever een klap tegen zijn kaak geeft en vervolgens – wanneer de aangever op de grond ligt – nog een schop geeft met geschoeide voet, terwijl de verdachte een schoen draagt met een stalen neus. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige dit nogmaals verklaard. Er zou sprake zijn van zware mishandeling, gezien de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. De verdachte had in ieder geval voorwaardelijk opzet omdat hij had moeten weten dat trappen in het gezicht van aangever met geschoeide voet – helemaal met een schoen met stalen neuzen – zwaar letsel kan opleveren. Er was geen sprake van een noodweer situatie omdat de verklaring van verdachte dat de aangever naar zijn tasje greep om een mes te pakken geen steun vindt in het dossier. Het beroep op noodweer dient daarom te worden verworpen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde schoppen/trappen en dat voor het overige de verdachte een beroep toekomt op noodweer(exces). De verdachte heeft verklaard dat de aangever zou hebben geroepen dat hij een mes bij zich had en zou gaan steken. De verdachte heeft verklaard dat op het moment dat hij denkt dat aangever zijn vriend [getuige 3] gaat steken, raakt hij in paniek. Hierdoor, voelde de verdachte zich bedreigd en vreesde hij voor zijn eigen veiligheid, alsmede die van zijn vriend [getuige 3] , omdat hij dacht dat [getuige 3] zou worden gestoken. Daarom raakte hij in paniek. Dat de aangever dit zou hebben geroepen en een beweging maakte, komt tevens naar voren uit de verklaring van [getuige 3] . Het was ook algemeen bekend dat de aangever vaak een mes bij zich droeg. De getuige [getuige 1] zou ook hebben gezien dat de aangever met zijn hand in zijn zak ging, waarna het mes eruit viel. Het mes is later weggeschopt door [getuige 3] en vervolgens meegenomen door de verdachte.
De verdachte zou in paniek zijn geraakt door de woorden en beweging van aangever. Er was derhalve sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zichzelf en zijn vriend heeft verdedigd. De verdachte heeft vervolgens één klap op de kaak van de aangever gegeven. Hij zou niet hebben geschopt. Er is ook onvoldoende bewijs dat de verdachte zou hebben geschopt. De verbalisant [verbalisant] heeft in het proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2025 opgenomen dat te zien is dat de verdachte een schoppende beweging maakt maar dat ziet de verdediging niet. Getuige [getuige 1] heeft een schoppende beweging gezien maar dit kan ook de schoppende beweging van [getuige 3] zijn geweest om het mes weg te schoppen. De getuige kan onbewust beïnvloed zijn doordat ze het letsel van aangever heeft gezien. [getuige 3] en verdachte verklaren nadrukkelijk dat aangever niet geschopt is en het is niet uitgesloten dat het letsel van aangever is veroorzaakt door een klap.
In het licht van het vorenstaande overweegt het hof als volgt.
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat er op 1 januari 2025 bij de Jumbo het volgende is gebeurd.
Op 1 januari 2025 zijn verdachte en zijn vriend [getuige 3] bij de Jumbo. Bij het verlaten van de winkel zien zij aangever bij de flessenautomaat met zijn broertje. Zij besluiten om aangever aan te spreken over eerdere negatieve berichten die over en weer zijn gestuurd. De verdachte en [getuige 3] spreken aangever aan bij de flessenautomaat en, zoals ook te zien is op de camerabeelden, vragen ze aangever om naar buiten te komen om te kunnen spreken. Vervolgens loopt aangever achter de verdachte en diens vriend aan en zijn vanaf dat moment alleen de benen en voeten van de drie personen nog op de camerabeelden waar te nemen. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat aangever in gesprek gaat met [getuige 3] en dat verdachte op dat moment schuin achter de verdachte staat.
Uit de verklaringen van verdachte en [getuige 3] komt naar voren dat aangever tijdens het gesprek met [getuige 3] iets zegt over een mes en steken. Getuige [getuige 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar vaag nog iets bij staat dat iemand iets zou hebben geroepen over een mes maar of dat correct is, weet ze niet meer zeker. Uit alle verklaringen komt naar voren dat de verdachte de aangever vervolgens een vuistslag op de kaak heeft gegeven.
Vanaf dit moment lopen de getuigenverklaringen uiteen. [getuige 3] en verdachte verklaren dat de aangever vervolgens op de grond viel en dat [getuige 3] het mes van aangever – dat zou zijn gevallen – heeft weggeschopt. Getuige [getuige 1] verklaart dat de aangever daarna nog eenmaal is geschopt door de verdachte. Het broertje van de aangever, [getuige 2] , verklaart dat de verdachte aangever drie à vier keer heeft geschopt. De aangever zelf heeft verklaard dat verdachte hem ongeveer drie keer tegen zijn gezicht heeft geschopt.
Niet wordt betwist dat er op 1 januari 2025 een woordenwisseling is geweest tussen de aangever, verdachte en zijn vriend [getuige 3] . Ook staat vast dat de verdachte de aangever heeft geslagen met zijn vuist op zijn kaak. Evenmin wordt betwist dat aangever aan verdachtes handelen zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden.
Het hof is echter van oordeel dat niet voldoende vast is komen staan dat verdachte de aangever heeft geschopt en spreekt hem daarvan partieel vrij. De verklaringen hierover lopen te veel uiteen. Bovendien is niet uit te sluiten dat de schoppende beweging die de onafhankelijke getuige [getuige 1] heeft gezien, de schoppende beweging is die werd gemaakt bij het toebrengen van de vuistslag of het wegtrappen van het mes. Ook is niet uit te sluiten dat getuige [getuige 1] onbedoeld is beïnvloed door het achteraf zien van het letsel van de aangever en/of contact met aangever. Hoewel de getuige zich bij de raadsheer-commissaris niet meer kan herinneren of zij de aangever heeft gesproken, blijkt dat wel uit het dossier. Bovendien is de verklaring van verdachte en zijn broertje dat verdachte hem 3 à 4 keer zou hebben geschopt niet aannemelijk nu er dan – in het bijzonder gelet op het feit dat de verdachte schoenen met stalen neuzen droeg – heftiger letsel zou zijn te verwachten en dit bovendien niet strookt met de verklaring van getuige [getuige 1] .
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt ten aanzien van de toegebrachte vuistslag.
Het hof stelt voorop dat voor de aanvaarding van een beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de gedraging was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Zowel de verdachte als zijn vriend [getuige 3] hebben verklaard dat er een ruzie tussen [getuige 3] en aangever ontstond en dat de aangever daarbij iets zou hebben gezegd over het steken met een mes en een beweging maakte. Ook zou het een feit van algemene bekendheid zijn dat aangever een mes bij zich droeg.
Het hof acht de verklaringen van de verdachte en [getuige 3] hierover aannemelijk en betrouwbaar, nu zij vanaf het begin hierover consistent hebben verklaard. Daarnaast komt uit het dossier naar voren dat aangever daadwerkelijk altijd een mes bij zich droeg. Zijn broertje heeft verklaard dat aangever dat mes bij zich heeft als hij buiten loopt om zich daarmee te kunnen verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat hij aangever al eens eerder met een mes had gezien en wist dat aangever altijd een mes bij zich droeg. [getuige 3] heeft verklaard dat aangever boos was en het mes trok, althans een beweging maakte, nadat hij [getuige 3] verbaal had bedreigd en iets zei over steken en mes. De verdachte, die schuin achter aangever stond, heeft verklaard dat aangever tegen [getuige 3] zei: “Ik ga je neersteken.” Getuige [getuige 1] verklaart bij de raadsheer-commissaris ook te hebben gezien dat het slachtoffer met zijn hand in zijn zak ging en dat haar vaag iets bij staat dat zij iemand iets heeft horen roepen over een mes, maar dat zij niet weet of dat laatste correct is. Het mes van aangever is door meerdere getuigen gezien en zou zijn gevallen tijdens de confrontatie.
Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [getuige 3] in de zin van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De verdachte mocht zich daartegen verdedigen. Het onder deze omstandigheden door de verdachte geven van een enkele vuistslag om een aanval met een mes te voorkomen, is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Concluderend stelt het hof derhalve vast dat sprake is van een geslaagd beroep op noodweer. Aan de gedraging van de verdachte komt daarmee de wederrechtelijkheid te ontvallen. Daarom moet de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde feite te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde
Nu het hof niet tot een veroordeling komt ter zake van het primair tenlastegelegde, zal het hof ook moeten oordelen over de subsidiair tenlastegelegde mishandeling.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat alleen het tenlastegelegde slaan wettig en overtuigend bewezen is en dat de verdachte ten aanzien van deze geweldshandeling een beroep toekomt op noodweer. Dat beroep op noodweer komt de verdachte ook toe ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde slaan. Daarmee vervalt de wederrechtelijkheid van die gedraging. Omdat de wederrechtelijkheid impliciet bestanddeel is bij mishandeling, zal de verdachte van het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
De gevoerde verweren behoeven tegen de achtergrond van het voorgaande voor het overige geen bespreking.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.436,45, bestaande uit materiële schade tot een bedrag van € € 436,45 en immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering niet worden ontvangen.
Het hof dient ook in geval van vrijspraak een beslissing te nemen over de proceskosten, voor zover die kosten betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij. Gelet op de aard van de zaak acht het hof termen aanwezig te bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde
nietstrafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,
en op 6 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.