Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:370

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
20-000028-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 63 SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor medeplegen witwassen en gewoonte maken

In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd, waarbij de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken. De rechtbank had een geldboete van €53.000 opgelegd, subsidiair 360 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof vernietigde de opgelegde straf omdat de duur van de vervangende hechtenis niet in overeenstemming was met de landelijke afspraken, maar bevestigde de rest van het vonnis. De verdediging had vrijspraak bepleit, maar het hof vond dat de rechtbank de verweren juist en voldoende had gemotiveerd.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het feit was gepleegd, en de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder zijn slechte medische gesteldheid. Het hof achtte een geldboete van €53.000 met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden passend en geboden.

De redelijke termijn was in eerste aanleg met bijna 9 maanden en in hoger beroep met bijna 1 maand overschreden, maar het hof achtte dit gerechtvaardigd vanwege de complexiteit van het onderzoek. Het arrest werd op 29 januari 2026 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Bevestiging van veroordeling met geldboete van €53.000 en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000028-24
Uitspraak : 29 januari 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-102627-21 tegen:

[verdachte]

geboren [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ veroordeeld tot een geldboete van € 53.000,00 subsidiair 360 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van € 50,00 per dag. Daarnaast is aan de verdachte opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Ten slotte heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevolen van de onder de verdachte in beslag genomen boksbeugel en de teruggave aan de verdachte gelast van de overige onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met:
  • verbetering van de gronden (bewijsmiddelen) door uit bewijsmiddel 10 van de kasopstelling weg te laten de passage inhoudende dat sprake zou zijn van een onverklaarbaar vermogen/wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.245,81;
  • aanvulling van de gronden (toepasselijke wettelijke voorschriften) door opneming van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte is een standpunt ingenomen omtrent de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de opgelegde straf omdat de door de rechtbank bepaalde duur van de vervangende hechtenis bij de opgelegde geldboete niet in overeenstemming is met de binnen het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde afspraken, en zal daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.
Het hof merkt op dat onder deze vernietiging van de opgelegde straf niet mede wordt begrepen een vernietiging van de beslissing omtrent de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen.
Voorts zal het hof:
  • de gronden (bewijsmiddelen) verbeteren door
  • de gronden (bewijsmiddelen) verbeteren door
  • de gronden (toepasselijke wettelijke voorschriften) overnemen van de rechtbank en aanvullen door
Hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht in het kader van de bepleite vrijspraak, betreft niet meer dan een herhaling van verweren waarop, naar het oordeel van het hof, de rechtbank juist en voldoende gemotiveerd heeft beslist. Die verweren behoeven dan ook geen bespreking en vinden hun weerlegging in de overwegingen van de rechtbank.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de medische gesteldheid van de verdachte slecht is en hij daardoor is afgekeurd en in belangrijke mate is aangewezen op zijn partner.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof neemt de gronden (strafoverwegingen) over van de rechtbank uit het vernietigde vonnis, dat aan dit arrest zal worden gehecht, en acht – evenals de rechtbank – oplegging van een geldboete van € 53.000,00 met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van € 50,00 per dag, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof voorts rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 30 maart 2021 met de inverzekeringstelling van de verdachte, en geëindigd op 22 december 2023 met het wijzen van het vonnis van de rechtbank. Daarmee is de redelijke termijn van 24 maanden in eerste aanleg overschreden met bijna 9 maanden. Het hof acht echter, vanwege de duur en omvang van het onderzoek en de in eerste aanleg gehoorde getuigen, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 3 januari 2024 met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank, en eindigt heden, 29 januari 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee overschreden met bijna 1 maand. Omdat het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, een hogere straf passend en geboden had geacht, mede omdat de opgelegde straf significant lager ligt dan de LOVS-oriëntatiepunten, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf, gelet op voormelde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 53.000,00 (drieënvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
235 (tweehonderdvijfendertig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.C. Gillesse, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 29 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.