AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak verkrachting, veroordeling poging verkrachting en bezit pepperspray
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. De verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde feit van verkrachting (feit 1). Wel is hij veroordeeld voor het bezit van een busje pepperspray (feit 2) en poging tot verkrachting (feit 3).
De zaak draait om een seksafspraak tussen verdachte en het slachtoffer op 28 november 2021, waarbij de verklaringen over de gebeurtenissen in de auto uiteenlopen. Het slachtoffer verklaarde dat zij onder dwang en bedreiging seksuele handelingen moest ondergaan, terwijl de verdachte stelde dat de seksuele handelingen consensueel waren en het geweld ontstond door een discussie over de duur van de afspraak. Het hof achtte niet bewezen dat sprake was van verkrachting, maar wel van poging tot verkrachting en het bezit van pepperspray.
De verdediging verzocht om het slachtoffer opnieuw als getuige te horen, maar dit verzoek werd afgewezen omdat het slachtoffer reeds door de rechter-commissaris was gehoord en er geen nieuwe feiten waren die een herhaling rechtvaardigden. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, met korting wegens een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ruim negen maanden. Het in beslag genomen busje pepperspray werd onttrokken aan het verkeer.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van verkrachting, maar veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor poging tot verkrachting en bezit van pepperspray.
Uitspraak
Parketnummer : 20-000303-25
Uitspraak : 12 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-122936-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1999,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van de tenlastegelegde verkrachting (feit 1). Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte schuldig verklaard ter zake van ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 2) en bepaald dat voor dit feit geen straf wordt opgelegd.
Verder heeft de rechtbank bij dit vonnis een bus pepperspray onttrokken aan het verkeer en ten aanzien van een oplader en een enveloppe de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde – zoals dat luidt na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
De raadsman van de verdachte heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om [slachtoffer] als getuige te horen. Daarnaast heeft hij vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 3. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman verzocht de afdoening door de rechtbank te volgen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
1. hij op of omstreeks 28 november 2021 in de gemeente Venlo door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,
die [slachtoffer] in een personenauto heeft meegenomen en/of (vervolgens) die personenauto heeft geparkeerd op een (doodlopende) weg bij een bosgebied (de [locatie 1] ) en/of
(vervolgens) (dreigend) een mes heeft getoond aan die [slachtoffer] en/of dat mes tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of
de personenauto waarin die [slachtoffer] en verdachte op dat moment verbleven heeft afgesloten en/of gedurende enige tijd afgesloten heeft gehouden;
de telefoon van die [slachtoffer] heeft afgenomen en/of weggegooid en/of
aan de haren van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of
een vloeistof/substantie in het gezicht van die [slachtoffer] heeft gespoten en/of
tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze op de achterbank moest plaatsnemen en/of
tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uitdoen en/of de kleding van die [slachtoffer] met kracht heeft uitgetrokken en/of
die [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of
die [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt;
2. hij op of omstreeks 28 november 2021 in de gemeente Venlo een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een busje met pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
3. hij op 28 november 2021 in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, waaronder het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer] ,
de personenauto waarin hij, verdachte, met die [slachtoffer] op dat moment verbleef, heeft afgesloten en/of gedurende enige tijd afgesloten heeft gehouden en/of
terwijl die [slachtoffer] aangaf geen (anale) seks te willen hebben en/of vervolgens probeerde de personenauto te ontgrendelen en/of te verlaten, met kracht die [slachtoffer] bij de bovenarm heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden, waardoor die [slachtoffer] werd belet daarheen te gaan waar zij wilde gaan en/of
tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze nog 15 minuten hadden en/of
vervolgens, toen die [slachtoffer] hem, verdachte, in het gezicht sloeg en/of in de nek beet, die [slachtoffer] hierop meermalen met een vuist in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of
die [slachtoffer] vervolgens meermalen met haar hoofd tegen het interieur van de auto heeft geslagen en/of gestoten en/of
die [slachtoffer] meermalen heeft gekrabd en/of
een vloeistof/substantie in het gezicht van de [slachtoffer] heeft gespoten;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om [slachtoffer] andermaal als getuige te horen voor het geval het hof ervan uitgaat dat de mevrouw [slachtoffer] die tegenover de politie aangifte heeft gedaan (het hof begrijp: die tegenover de politie heeft verklaard dat zij is verkracht) dezelfde mevrouw [slachtoffer] is die op 4 oktober 2024 door de rechter-commissaris is gehoord. De verdediging wil haar nogmaals vragen voorleggen om duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde zaken.
Ten aanzien van dit voorwaardelijk verzoek overweegt het hof het volgende.
Op verzoek van de verdediging is op 4 oktober 2024 door de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Limburg, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2001, gehoord als getuige. Dit verhoor vond plaats met behulp van een videoverbinding met een rechtbank in Roemenië. Voorafgaand aan het verhoor heeft de rechter-commissaris de identiteit van de getuige vastgesteld en heeft de Roemeense rechter het identiteitsbewijs van de getuige onderzocht.
Dit verhoor heeft plaatsgehad nadat de rechtbank Limburg ter terechtzitting van 13 oktober 2023 de stukken in handen van de rechter-commissaris had gesteld teneinde als getuige te horen: [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ), geboren op [geboortedag 2] 2001 te [geboorteplaats 2] en ingeschreven op een adres in [plaats] (Roemenië).
Het hof heeft geen reden om eraan te twijfelen dat deze door de rechter-commissaris gehoorde getuige dezelfde persoon is als de [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2001 in [geboorteplaats 2] , die door de politie is gehoord en heeft verklaard dat zij over een bankpas beschikte die was afgegeven in de stad [plaats] (het hof leest: [plaats] , p. 14 proces-verbaal politie) én dezelfde persoon als de [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2001, afkomstig uit [plaats] ( Roemenië ) , genoemd in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2023. Dat de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd dat de mevrouw [slachtoffer] die voor de camera verscheen in Roemenië niet leek op de vrouw waarvan zich foto’s in het dossier bevinden (overigens zonder toe te lichten welke verschillen door hem zouden zijn waargenomen), doet hieraan niet af. Het hof wijst er daarbij op dat de raadsman ten tijde van het verhoor van de getuige kennelijk niet nodig heeft geacht om hierover een opmerking te maken. Het hof acht al met al niet aannemelijk geworden dat van een relevant verschil in gelijkenis tussen beide personen sprake is geweest.
Aan de voorwaarde die door de verdediging aan het verzoek tot het horen van getuige [slachtoffer] is gesteld, is voldaan. Nu, gelet op wat hiervoor is overwogen, [slachtoffer] in het bijzijn van de raadsman is gehoord door de rechter-commissaris, is de verdediging reeds in de gelegenheid geweest het haar toekomende ondervragingsrecht van deze getuige uit te oefenen, van welke gelegenheid de verdediging op dat moment ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt. Door de verdediging is voorts niet onderbouwd waarover aan deze getuige nadere vragen gesteld zouden moeten worden. Er zijn bovendien geen nieuwe feiten of omstandigheden die het opnieuw horen van [slachtoffer] rechtvaardigen.
Ook overigens ziet het hof niet de noodzaak [slachtoffer] opnieuw als getuige horen.. Het hof wijst het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging dan ook af.
Vrijspraak van feit 1
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof het volgende.
Op 28 november 2021 hebben verdachte en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) via een website een seksafspraak gemaakt. Zij hebben afgesproken op de parkeerplaats bij het [hotel] in Venlo. [slachtoffer] werd daar met de auto opgehaald door de verdachte. Over wat zich vervolgens in de auto heeft afgespeeld lopen de verklaringen uiteen.
[slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard.
Zij had een seksafspraak met een man door wie zij werd opgehaald en die zei dat zij naar zijn huis zouden gaan, omdat hij in de buurt zou wonen. Zij merkte dat de man richting het bos reed. Zij heeft toen aangegeven dat zij niet meer wilde, dat hij moest stoppen en dat zij naar huis wilde. De man heeft vervolgens een mes en pepperspray gepakt. Hij dreigde met het mes en zette dit op haar keel. De man heeft toen onder meer aan haar haren getrokken, met de pepperspray in haar gezicht gespoten, haar kleren uitgetrokken, dan wel haar gedwongen haar kleding uit te doen, en haar bedreigd met een mes. Daarna heeft zij orale en vaginale seks met hem gehad in de auto. De man is klaargekomen over haar rug. Vervolgens wilde de man anale seks. [slachtoffer] wilde dat niet en toen begonnen zij weer te vechten. Zij heeft hem twee klappen met een vuist in het gezicht gegeven en daarna lukte het haar om hem in zijn hals te bijten. Hierdoor kon zij de deur openmaken en is zij weggerend. De man heeft haar twee klappen met een vuist in haar gezicht gegeven en hij stootte haar hoofd een paar keer ergens tegenaan. Haar kleding en spullen zijn achtergebleven in de auto.
De verdachte heeft daarentegen het volgende verklaard.
De verdachte had een seksafspraak gemaakt met [slachtoffer] . Deze afspraak zou een half uur duren. [slachtoffer] is bij de verdachte in de auto gestapt en de verdachte heeft tegen haar gezegd dat zij naar een afgelegen plek zouden gaan en dat de seks in de auto zou plaatsvinden. De verdachte woonde namelijk nog bij zijn ouders. Daarmee stemde [slachtoffer] in. De verdachte had de auto op slot gedaan voordat de seksuele handelingen begonnen. De orale en vaginale seks vonden plaats met instemming van [slachtoffer] . Na vijftien minuten is verdachte klaargekomen op de rug van [slachtoffer] . Verdachte heeft vervolgens gevraagd of het mogelijk was om anale seks te hebben. Dat wilde [slachtoffer] niet en de verdachte kon dat accepteren.
Vervolgens ontstond er een discussie over de tijd die nog restte van de afspraak. Voor [slachtoffer] was het klaar; de verdachte vond dat hij nog recht had op 15 minuten seks. Deze discussie mondde uit in een handgemeen. Hierop zijn geen seksuele handelingen die (mede) bestaan uit seksueel binnendringen van [slachtoffer] meer gevolgd. De verdachte had geen mes bij zich.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , zoals verfeitelijkt in de tenlastelegging.
Zoals blijkt uit de weergave hierboven verschillen de verklaringen van [slachtoffer] en de verdachte op essentiële onderdelen over de gebeurtenissen voorafgaand aan en tijdens de seksuele handelingen die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van [slachtoffer] .
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en steun vindt in de waarnemingen van getuigen en politieagenten, alsmede in de bij [slachtoffer] geconstateerde verwondingen die volgens de advocaat-generaal niet alleen verklaard kunnen worden door geweld dat is gepleegd ná de voltooide verkrachting. Daarbij stelt de advocaat-generaal dat het alternatieve scenario dat door de verdachte is geschetst niet aannemelijk is geworden, gelet op de bij [slachtoffer] waargenomen emoties en het bij haar geconstateerde letsel. Daarbij acht de advocaat-generaal het van belang dat de verdachte pas in april 2023 met het alternatieve scenario is gekomen en dat scenario inconsistenties bevat over de locatie van de afspraak, over het vragen naar anale seks en over het gebruik van de pepperspray.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door [slachtoffer] getoonde emoties en het bij haar geconstateerde letsel net zo goed passen bij de verklaring die [slachtoffer] heeft afgelegd als bij het scenario van de verdachte. De verdachte heeft immers verklaard dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt, geslagen/gestompt, gekrabd en dat hij met pepperspray heeft gespoten, terwijl [slachtoffer] hem heeft geslagen, gebeten en aan de haren heeft getrokken. Dit geweld over en weer, in een klein formaat auto, kan de verwondingen bij [slachtoffer] verklaren en eveneens haar paniek, zeker toen ze merkte dat het autoportier was afgesloten.
Dat de verdachte eerst in april 2023 gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen en met een alternatief scenario is gekomen, maakt niet zonder meer dat zijn verklaring om die reden als onwaar terzijde moet worden geschoven. De inconsistenties waarop de advocaat-generaal heeft gewezen, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Zij zijn niet van zodanig gewicht dat zij de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig maken.
Het hof is tegen de achtergrond van het voorgaande van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft verkracht en zal de verdachte daarom van feit 1 vrijspreken.
Bewezenverklaring van de feiten 2 en 3
Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2. hij op 28 november 2021 in de gemeente Venlo een wapen van categorie II, onder 6, van de Wet wapens en munitie, te weten een busje met pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
3. hij op 28 november 2021 in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, waaronder het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer] ,
de personenauto waarin hij, verdachte, met die [slachtoffer] op dat moment verbleef, gedurende enige tijd afgesloten heeft gehouden en
terwijl die [slachtoffer] aangaf geen (anale) seks te willen hebben en vervolgens probeerde de personenauto te ontgrendelen en te verlaten, met kracht die [slachtoffer] bij de bovenarm heeft vastgepakt, waardoor die [slachtoffer] werd belet daarheen te gaan waar zij wilde gaan en
tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze nog 15 minuten hadden en
vervolgens, toen die [slachtoffer] hem, verdachte, in het gezicht sloeg en/of in de nek beet, die [slachtoffer] hierop meermalen met een vuist in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en
die [slachtoffer] vervolgens meermalen met haar hoofd tegen het interieur van de auto heeft gestoten en
die [slachtoffer] heeft gekrabd en
een vloeistof/substantie in het gezicht van de [slachtoffer] heeft gespoten;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van politie eenheid Limburg, registratienummer PL2379-2021187076, gesloten d.d. 16 mei 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 133/136 – waar paginanummers worden gescheiden met /, is het eerste nummer het paginanummer van het fysieke dossier en het tweede nummer het paginanummer van het digitale dossier). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle bewijsmiddelen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 28 november 2021, dossierpagina’s 13 tot en met 16, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Wij verklaren het volgende met betrekking tot het informatief gesprek met het slachtoffer [slachtoffer] op 28 november 2021.
Slachtoffer geeft aan dat ze een afspraak had met een man.
Ze is naar een hotel in Venlo gebracht. Dit was om 02.00 uur vannacht. Zij is vervolgens in de auto gestapt en hij (het hof begrijpt: de man met wie zij een afspraak had)reed weg. Ze bemerkte dat hij richting het bos reed.
Eerst heeft ze orale seks gehad met die man. Daarna heeft ze seks in de vagina met hem gehad. Daarna wilde hij seks hebben tussen de billen (anus). Zij wilde dat niet. Ze begonnen te vechten. Zij gaf hem twee klappen met een vuist in zijn gezicht en
uiteindelijk lukte het haar ook om hem in zijn hals te bijten waarna ze is weggerend.
Hij heeft haar twee klappen met een vuist in haar gezicht gegeven en hij stootte haar
hoofd een paar keer ergens tegenaan. Haar hoofd en gezicht doen pijn. Ze heeft last
van hoofdpijn.
De man sprayde met een spray in het gezicht, wat pijn deed.
Ze zegt dat haar kleding en andere spullen in de auto zijn achtergebleven van de man. Toen ze wegrende had ze alleen haar sokken aan. Ze heeft aangebeld bij een woning en daar heeft ze een badjas gekregen en die bewoners hebben de politie gebeld.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 28 november 2021, dossierpagina’s 17 tot en met 18, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Op zondag 28 november 2021 omstreeks 04.10 uur was ik thuis aan het slapen.
Ik ben woonachtig op [adres 3] . Aan de achterzijde van onze woning bevinden zich een spoorlijn en bosgebied . Ik schrok op bovengenoemde datum en tijdstip wakker van geschreeuw. Ik kon horen dat het een vrouwenstem betrof welke aan het schreeuwen was en dat er luidkeels “Help, help” werd geroepen. Dit geschreeuw ging mij door merg en been en het was duidelijk dat er iemand hulp nodig had. Nog geen minuut later hoorde ik de voordeurbel gaan van mijn woning.
Er werd tientallen keren aangebeld waarop ik besloot de deur te gaan openen.
Ik opende de voordeur en zag een compleet naakte vrouw/jongedame voor de deur staan. Ik zag dat deze vrouw een bebloed gezicht had en zag dat deze compleet overstuur was en huilde. Ik hoorde dat zij in de Engelse taal, welke ik machtig ben, tegen mij riep: “Ik ben van de Escort en mijn klant heeft me wat gedaan.”
3. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2021, dossierpagina 8, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op 28 november 2021 was ik aan het politiebureau samen met [slachtoffer] . Ik hoorde dat [slachtoffer] mij het volgende vertelde.
“Wij hebben elkaar ontmoet bij het [hotel] gelegen aan [adres 2] . Ik werd opgehaald door de man met wie ik telefonisch contact heb gehad voor een seksafspraak. We zijn naar het bos gereden, daar waar ik jullie heb aangewezen.”
Ik, verbalisant, weet dat [slachtoffer] hiermee de locatie aan de rand van het bos bij [locatie 1] bedoelde, gelegen aan de achterzijde van [locatie 2] .
4. Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 19 februari 2022, dossierpagina’s 80/82 tot en met 83/85, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 28 november 2021 kwam ik voor forensisch onderzoek aan op het politiebureau te Venlo. Ik zag de navolgende verwondingen bij het slachtoffer [slachtoffer] :
- een (bloedende) huidbeschadiging met onderhuidse bloeduitstorting op de linker bovenarm;
- drie krasvormige oppervlakkige huidbeschadigingen (lengte ongeveer 25 mm) op de rug onder het rechter schouderblad;
- een krasvormige huidbeschadiging, lengte ongeveer 20 mm en een krasvormige huidbeschadiging, lengte ongeveer 10 mm op de rug op het rechter schouderblad ter hoogte van de oksel;
- onderhuidse bloeduitstortingen op de rechterschouder;
- twee krasvormige huidbeschadigingen boven de rechterborst, lengte ongeveer 70 mm en 15 mm;
- enkele lichte onderhuidse bloeduitstortingen op de rechter bovenarm;
- twee kleine wondjes aan de rechterduim;
- een oppervlakkige snij/krasvormige huidbeschadiging, lengte ongeveer 50 mm op het linker scheenbeen;
- een klein oppervlakkig wondje, lengte ongeveer 6 mm op het rechter bovenbeen;
- een onderhuidse bloeduitstorting bij het linkeroog en aan de zijkant van het hoofd ter hoogte van het linkeroog;
- een onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd, boven het linkeroog;
- een krasvormige huidbeschadiging, lengte ongeveer 15 mm bij de linker oorlel.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2029, voor zover inhoudende:
Op 28 november 2021 had ik een seksafspraak met een dame. We hadden afgesproken voor een half uur. Ik haalde haar op bij het [hotel] in Venlo en reed naar een bepaalde plek toe. Ik heb haar € 100,- betaald en toen begonnen we met de seks.
Na 15 minuten – we waren toen achterin de auto – ben ik klaargekomen. Zij ging vervolgens naar de bijrijdersstoel en was bezig met haar telefoon. Ik heb aangekaart dat ik verder wilde, maar zij wilde stoppen. Ik gaf aan dat ik de volle 30 minuten seks wilde, maar zij stemde hier niet mee in. Ze was van plan haar kleren weer aan te doen. Daar was ik het niet mee eens. De sfeer werd grimmiger. Ik heb doorgehamerd om de 30 minuten vol te maken. Ik pakte haar bovenarm vast. Op dat moment was de auto op slot. Dit wist zij niet. Ik ben vanuit de achterbank naar de voorstoel gegaan, omdat ik verder wilde met de seks.
Zij heeft tikken uitgedeeld; ik heb tikken uitgedeeld.
Links in de auto had ik pepperspray. Ik heb ermee gespoten.
Ik heb haar geslagen, geduwd en getrokken. Mogelijk heb ik haar ook gekrabd.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 7 januari 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat wij seks hadden op z’n hondjes en dat ik in die positie heb gevraagd voor anale seks. Toen ging inderdaad het gesprek van start dat ik nog een kwartier had. Ik heb [slachtoffer] wel gevraagd of zij anale seks wilde, maar dat wilde zij niet. Ik kon accepteren dat zij geen anale seks wilde, maar we moesten wel 15 minuten volmaken met andere seksuele handelingen. Ik had betaald voor 30 minuten en dat was de afspraak. Ik wilde de volle 30 minuten. Ik had betaald, dus als zij zich bedenkt, neem ik seks als ik dat wil.
In de auto is het gevecht ontstaan. Zij wilde de auto uit. Ik pakte haar hand vast omdat ik verder wilde. Zij begon mij te slaan en vervolgens reageerde ik en sloeg ik terug. Het klopt dat het gevecht erover ging dat ik verder wilde met de seks.
U houdt mij voor dat het slaan en haar vastpakken een reactie is en dat dat ermee te maken had dat ik door wilde met de seks. Ook ja. Het gevecht ging over en weer tot het moment dat het slot van de auto openging. Ik weet niet hoe die open is gegaan.
U, oudste rechter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik wilde voorkomen dat zij wegging omdat ik verder wilde met de seks en dat ik haar heb vastgegrepen en pepperspray heb gebruikt en dat dat ermee te maken heeft gehad dat ik verder wilde met seks. Ja.
7. Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [locatie 1] ) van 4 januari 2022, dossierpagina’s 68/70 tot en met 70/72, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 28 november 2021 kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [locatie 1] te Venlo. Ter plaatse werd ik aangesproken door [verbalisant 6] en [verbalisant 4] , beiden hoofdagent van politie. Zij deelden mij mede dat het slachtoffer [slachtoffer] de plaats delict had aangewezen. Hierna hadden zij op die plaats enkele goederen aangetroffen. Volgens het slachtoffer waren deze goederen achtergelaten door de dader.
Ter hoogte van de kruising met [locatie 3] werd onder meer veiliggesteld een blauw busje met vermoedelijk pepperspray (goednummer PL2300-2021187076-1465704).
8. Het proces-verbaal relaterende een onderzoek naar het voorwerp pepperspray van 5 april 2022, dossierpagina’s 115/117 tot en met 116/118, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Op 5 april 2022 heb ik een onderzoek ingesteld naar het op 28 november 2021 te Venlo, [locatie 1] , inbeslaggenomen voorwerp, dat mij ter beschikking werd gesteld. Ik zag hierbij het volgende:
Goednummer 1465704
Dit betreft een busje pepperspray.
Inscripties op dit voorwerp zijn onder andere:
- Protect
- Pfeffer-spray
- Anti-dog
- Oleoresin capsicum
Ik testte de spuitbus met pepperspray en rook een chemische lucht.
Voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van weerloosmakende of traanverwekkende stof.
Categorie II sub 6, geeft aan dat het wapen bestemd moet zijn om personen te raken met een weerloosmakende stof. Op deze verpakking staat vermeld: (“vertaald”), dat de spuitbus op het aanvallende dier moet worden gericht. Op de verpakking staat anti-dog vermeld. Het is mij, verbalisant, ambtshalve bekend dat dit soort spuitbussen met pepperspray ook tegen mensen worden gebruikt.
Dit busje pepperspray heeft als werkzame stof Oleoresin Capsicum.
Dit voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, sub 6, van de Wet wapens en munitie.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Verwerping van het bewijsverweer ten aanzien van feit 3
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde aangevoerd dat van een poging tot verkrachting geen sprake is geweest, omdat het vastpakken door de verdachte niet was gericht op het dwingen van [slachtoffer] tot seksuele handelingen, maar om haar aandacht te trekken.
Naar het oordeel van het hof vindt dit verweer reeds zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaringen van de verdachte zelf. Hij heeft immers verklaard dat [slachtoffer] geen seks meer wilde, dat hij de volle 30 minuten wilde, dat hij had betaald en dat als zij zich bedenkt hij seks neemt als hij dat wil, dat hij wilde voorkomen dat zij wegging omdat hij verder wilde met de seks en dat hij haar onder meer heeft vastgegrepen en pepperspray heeft gebruikt en dat dat ermee te maken heeft gehad dat hij verder wilde met seks en dat hij op haar verzet heeft gereageerd met geweld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
poging tot verkrachting.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte had een afspraak met het slachtoffer voor betaalde seks. Hij is met haar naar een afgelegen plek gereden en had seks met haar in zijn auto die hij, buiten haar medeweten om, had afgesloten. Na het verrichten van seksuele handelingen wilde het slachtoffer de afspraak beëindigen, terwijl de verdachte vond dat hij recht had op nog een kwartier seks. Om die reden pakte hij het slachtoffer vast. Toen zij zich verzette heeft de verdachte haar (terug)geslagen, gekrabd, met haar hoofd tegen het interieur van de auto gebonkt en haar met pepperspray in het gezicht gespoten. Daar het slachtoffer uiteindelijk heeft kunnen vluchten, is het bij een poging tot verkrachting gebleven. Hierbij heeft het slachtoffer letsel opgelopen, onder meer een (bloedende) huidbeschadiging op haar arm, krasvormige huidbeschadigingen op rug, schouderblad, borst, scheenbeen en oorlel en diverse bloeduitstortingen op armen, schouder en gezicht (oog en voorhoofd).
Het slachtoffer is naakt uit de auto gevlucht en heeft volledig in paniek aangebeld bij een woning. De desbetreffende bewoner merkte op dat hij voordat werd aangebeld, geschreeuw hoorde dat door merg en been ging.
De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer, midden in de nacht, in een afgesloten auto op een afgelegen locatie. Hij heeft zich hierbij laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en een volledig misplaatst idee recht te hebben op seks. Hierbij heeft hij op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevoelens van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van seksueel geweld daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden, zoals gevoelens van angst en onveiligheid. Bovendien heeft de verdachte het slachtoffer letsel toegebracht en (ook) hiermee haar lichamelijke integriteit geschonden.
Dat het slachtoffer om aan de verdachte te ontkomen, midden in de nacht, naakt en in paniek, over straat is gevlucht en in die toestand bij een willekeurige woning heeft aangebeld, zal voor haar een ontzettend vernederende en angstige ervaring zijn geweest.
Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de vorenomschreven ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan bij een voltooide verkrachting met geweld als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Het gaat in dit geval echter om een poging.
Daarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, zoals de inhoud van zijn strafblad – het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 november 2025 – waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, maar niet voor zedendelicten. Het hof weegt die omstandigheid niet ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Het hof vindt dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het onder feit 3 bewezenverklaarde feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles overziende acht het hof de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. De verdachte is op 12 april 2022 aangehouden en voor het eerst verhoord door de politie. Het hof merkt deze datum aan als beginpunt van de redelijke termijn. De rechtbank heeft vervolgens op 21 januari 2025 vonnis gewezen. De vertraging is grotendeels te wijten aan de inspanningen die zijn verricht om (op verzoek van de verdediging) de getuige [slachtoffer] te traceren en horen. Het hof is van oordeel dat deze vertraging in deze zaak de verdachte niet kan worden tegengeworpen. Gelet hierop is er in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim negen maanden. Niet is gebleken dat deze overschrijding aan de verdachte is te wijten.
Gelet op de overschrijding in eerste aanleg zal het hof een korting toepassen en 18 maanden gevangenisstraf opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot hetwelk het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan – en met behulp waarvan het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan – dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaartniet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveeltde onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: bus pepperspray (Omschrijving: PL2300-2021187076-1465704, blauw).
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier,
en op 12 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.