ECLI:NL:GHSHE:2026:43

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
20-001503-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor rijden met ongeldig rijbewijs en tenuitvoerlegging voorwaardelijke taakstraf

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte was eerder veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, wat in strijd is met artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter had de verdachte een gevangenisstraf van twee weken opgelegd en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 20 uren afgewezen. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen deze veroordeling.

Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die een gevangenisstraf van twee weken en toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft gevorderd. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte niet bewust met een ongeldig rijbewijs heeft gereden, omdat hij mogelijk onbewust is geraakt door een medische aandoening. Het hof heeft echter geoordeeld dat er geen overtuigend bewijs is dat de verdachte onbewust heeft gereden en dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof heeft het eerdere vonnis vernietigd en de verdachte opnieuw veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Daarnaast heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf toegewezen, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001503-25
Uitspraak : 8 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 juni 2025, parketnummer 96-053723-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-287172-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. De vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 01-287172-22 eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren is afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 01-287172-22 eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren wordt toegewezen.
De raadsman heeft bepleit dat het bewezenverklaarde de verdachte niet verweten kan worden en heeft daarnaast een strafmaatverweer gevoerd en verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis, maar het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Eindhoven, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Park Forum , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 december 2024 te Eindhoven als degene van wie ingevolge artikel 130, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven, op een weg, Park Forum , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, als bestuurder heeft bestuurd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 24 december 2024 te Eindhoven, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Park Forum , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Vast staat dat de verdachte als bestuurder van een personenauto (Suzuki Swift, kenteken [kenteken] ) een (eenzijdig) verkeersongeval heeft veroorzaakt op het Park Forum te Eindhoven op 24 december 2024 waarbij met de door de verdachte bestuurde personenauto tegen een lantaarnpaal is gereden. Bij controle van zijn rijbewijs bleek vervolgens dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Uit de door het CBR overgelegde stukken op 25 februari 2025 blijkt dat het rijbewijs van de verdachte al op 28 november 2022 is geschorst en dat dit besluit per dezelfde datum aangetekend is verstuurd. De verdachte heeft op 16 augustus 2023 zijn rijbewijs ingeleverd. Op 18 augustus 2023 is het rijbewijs van verdachte ongeldig verklaard, zonder dat nadien aan hem een ander rijbewijs is afgegeven. Ook dit besluit is aangetekend verzonden. De verdachte heeft tegenover de politie en opnieuw ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte niet bewust met een ongeldig verklaard rijbewijs heeft gereden, omdat een cyste in zijn hoofd er mogelijk voor heeft gezorgd dat hij onbewust is gaan rijden.
Het hof begrijpt het verweer aldus dat een beroep wordt gedaan op afwezigheid van alle schuld aan de zijde van de verdachte. Was er sprake van verontschuldigbare onmacht aan de zijde van de verdachte omdat hij is gaan rijden in een personenauto ten gevolge van een aandoening aan zijn hersenen.
Als de verdachte bij de politie wordt gehoord op 20 januari 2025, dus bijna een maand na het incident, verklaart hij:
“Ik weet van de dag van het ongeval eigenlijk helemaal niks meer. Na het ongeval ben ik door het ambulancepersoneel meegenomen naar het ziekenhuis omdat ik verward overkwam en niks meer wist van het ongeval. Ik heb vervolgens twee dagen in het ziekenhuis gelegen, waar ik ook een hersenscan heb gehad. Tijdens deze hersenscan kwamen ze erachter dat ik een vrij flinke cyste in mijn hoofd heb zitten. De artsen vermoeden dat de cyste ten tijde van het ongeval voor een epileptische aanval heeft gezorgd en dat hierdoor het ongeval is gebeurd en dat ik er tevens niks meer van weet.”
Uit het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 (p. 1-3 procesdossier) blijkt dat de verdachte als bestuurder van de personenauto ter plaatse niet is gehoord omdat hij letsel had naar aanleiding van de aanrijding.
Ter terechtzitting bij het hof herhaalt de verdachte dat hij niets meer weet van het ongeval in verband met de cyste. Hij heeft verder verklaard dat hij die dag – het hof begrijpt op 24 december 2024 – samen met een collega naar Amsterdam zou gaan voor een afspraak met een psychiater zodat hij zijn rijbewijs terug zou krijgen. Hij weet nog dat hij thuis bezig was en dat hij drie dagen later wakker is geworden in het ziekenhuis. In dit verband spreekt hij over een black-out van 24 december tot eind februari, het hof begrijpt: van 24 december 2024 tot eind februari 2025. De verdachte stelt zich ook niet meer te kunnen herinneren dat hij bij de politie heeft verklaard over een epileptische aanval, nu hij nooit een epileptische aanval heeft gehad.
In het onderhavige geval staat vast dat een hersenscan is gemaakt bij de verdachte en dat daarbij is gebleken dat hij een cyste in zijn hoofd had die nadien is verwijderd.
Dat de verdachte mogelijk onwel is geworden – hij spreekt zelf van een black-out – waardoor hij een eenzijdig ongeval heeft gehad, is naar het oordeel van het hof niet uit te sluiten maar is in ieder geval met niets onderbouwd. Dat hij mogelijk een epileptische aanval gehad zou hebben ten tijde van het ongeval is in ieder geval ook niet met enig medisch stuk onderbouwd. Het hof acht dit echter ook niet (direct) relevant voor de vraag of de verdachte als bestuurder is gaan rijden in een personenauto. Immers, het verwijt aan de verdachte is niet dat hij een ongeval heeft veroorzaakt maar dat hij in een personenauto is gaan rijden terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De raadsman heeft in dit verband gesteld dat zijn cliënt mogelijk onbewust is gaan rijden. Het hof constateert in de eerste plaats dat geen enkel stuk is overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een cyste in de hersenen een persoon kan aanzetten tot het verrichten van handelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verboden zijn. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat een collega hem die dag naar Amsterdam zou rijden. Waarom hij niet op die collega heeft gewacht en hij zelf is gaan rijden, is niet nader toegelicht. In dat verband heeft de verdachte verklaard zich niets meer van het rijden met de personenauto en het ongeval te kunnen herinneren maar er is ook geen verklaring van de collega overgelegd waaruit mogelijk duidelijk wordt waarom de collega de verdachte die dag niet heeft opgehaald of mogelijk (veel) te laat was voor die afspraak en/of er nog is gebeld of via sociale media contact is geweest tussen de verdachte en die desbetreffende collega. Kortom, de enkele stelling dat de verdachte mogelijk onbewust is gaan rijden, is met niets onderbouwd dan wel nader geadstrueerd.
Het verweer dat de verdachte niet bewust met een ongeldig verklaard rijbewijs heeft gereden is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en wordt gelet op het vorenstaande dan ook verworpen.
Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft verzocht bij de strafbepaling rekening te houden met de gevolgen die het feit voor de verdachte hebben gehad en met de door de verdediging geschetste mogelijkheid dat de verdachte niet de intentie heeft gehad om te gaan rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. De verdachte is zelf zwaar getroffen door het ongeval en de operatieve verwijdering van de cyste en hij is nog steeds aan het revalideren en het zal nog maanden duren voordat hij hersteld is. In verband met het voorgaande heeft de raadsman verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel dan wel een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De geldigheid van zijn rijbewijs was ongeldig verklaard, omdat uit onderzoek is gebleken dat sprake was van alcoholmisbruik. Met een dergelijke ongeldigverklaring wordt beoogd de verkeersveiligheid te beschermen. Door desondanks te gaan rijden, heeft de verdachte zijn eigen belangen boven het maatschappelijk belang van de verkeersveiligheid gesteld. Het hof acht dit kwalijk.
Blijkens het strafblad betreffende de verdachte van 27 oktober 2025 is hij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee bij de strafbepaling.
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de recidive is het hof van oordeel dat geen andere straf volstaat dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij bepaling van de hoogte van deze straf heeft het hof acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs een gevangenisstraf voor de duur van twee weken als uitgangspunt genoemd. In hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht noch in de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier blijken ziet het hof aanleiding van het door de LOVS genoemde oriëntatiepunt af te wijken.
Het hof acht, alles afwegende en in overeenstemming met door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf, een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, passend en geboden.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant van 20 maart 2023 onder parketnummer 01-287172-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 20 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen hechtenis dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2023, parketnummer 01-287172-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 8 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.