ECLI:NL:GHSHE:2026:44

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
20-003343-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Limburg inzake opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Limburg, waarbij de verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. De verdachte was eerder door de rechtbank Limburg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld door de verdachte. Tijdens de zitting heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die bevestiging van het vonnis vroeg, maar met een aanpassing van de straf. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit en, in het geval van een bewezenverklaring, een strafmaatverweer gevoerd.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 31 augustus 2022 in Eygelshoven opzettelijk 12,7 kilogram MDMA HCl aanwezig heeft gehad. Dit is bewezen op basis van de feiten en omstandigheden die zijn vastgesteld tijdens het onderzoek. De verdachte had feitelijke macht over de drugs en was zich bewust van hun aanwezigheid. Het hof heeft het door de verdediging geschetste scenario van vrijspraak als niet aannemelijk terzijde geschoven. De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten, wat meeweegt in de strafoplegging.

Het hof heeft de gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd, waarbij het heeft gelet op de ernst van het feit, de recidive van de verdachte en de maatschappelijke impact van de handel in harddrugs. De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003343-24
Uitspraak : 8 januari 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-067044-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Limburg bevestigd behoudens voor wat betreft de opgelegde straf en de verdachte ter zake van het tenlastegelegde aanwezig hebben van 12,7 kilogram MDMA HCI zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
De raadsman heeft verzocht de verdachte van het tenlastegelegde integraal vrij te spreken en daarnaast, in geval het hof wel tot een bewezenverklaring komt, een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 31 augustus 2022 te Eygelshoven, in de gemeente Kerkrade, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 12,7 kilogram MDMA HCl, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA HCl, zijnde MDMA HCl een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 31 augustus 2022 te Eygelshoven, in de gemeente Kerkrade, opzettelijk aanwezig heeft gehad 12,7 kilogram MDMA HCl, zijnde MDMA HCl een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. De raadsman heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs. Ter onderbouwing van dat standpunt is een alternatief scenario geschetst.
Het hof overweegt als volgt.
Van 'aanwezig hebben' als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het 'aanwezig hebben' hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 31 augustus 2022 kreeg een politiepatrouille de melding om te gaan naar [adres 2] in verband met een vreemde lucht afkomstig van de achterburen. Achter het flatgebouw [adres 2] bevinden zich meerdere garageboxen. Door de brandweer werd aldaar een meting op aanwezigheid van zuren/chemische stoffen uitgevoerd. De meting was het hoogst bij de garageboxen 3, 4 en 5. Door de politie zijn deze garageboxen opengebroken. In garagebox 5 zagen zij diverse zakken. Tussen deze zakken stond een tas van het merk Aldi. In deze tas zaten diverse pakketten met bruine kristallen, waarvan uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze 12,7 kilo van een materiaal bevatten MDMA HCI betroffen. In garagebox 5 is tevens naast een stapel zakken en kartonnen dozen een gele Jumbo-tas aangetroffen met als inhoud MDMA-olie. Op de hengels van deze tas is een DNA-mengprofiel aangetroffen, afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, waarvan zeker één man. Op grond van onderzoek is vastgesteld dat de verdachte de mogelijke donor is. Dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van de verdachte en twee onbekende, niet verwante personen, is extreem veel waarschijnlijker (met een bijbehorende
likelihood ratio intervalvan meer dan 1.000.000) dan dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van drie onbekende, niet verwante personen.
De verdachte heeft op 14 december 2022 tegenover de politie verklaard dat hij vier of vijf maanden voor de inval de garagebox 5 als huurder heeft overgenomen van mede-huurder [betrokkene 1] en sindsdien als enige de sleutel van die garagebox heeft en dat hij ongeveer twee maal per week in die garagebox kwam. Ook [betrokkene 1] heeft verklaard dat de sleutel van de garagebox destijds in bezit was van de verdachte. Het hof is gelet daarop van oordeel dat de drugs zich in de machtssfeer van de verdachte bevond en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs. Ter onderbouwing van dat standpunt is als alternatief scenario geschetst dat de verdachte twee weken voorafgaand aan de inval de sleutel had uitgeleend aan ene [betrokkene 2] . De verdachte zou die laatste twee weken niet meer in de garagebox zijn geweest, omdat hij daarvan de sleutel niet meer had omdat hij deze had afgegeven. Hij wist daardoor helemaal niets van de aanwezigheid van de in die garagebox aangetroffen drugs.
Het hof schuift het door de verdediging geschetste scenario als niet-aannemelijk terzijde. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg op 26 november 2024, bijna twee jaren na zijn eerdere verklaring tegenover de politie, verklaart de verdachte voor het eerst dat hij de sleutel van de garagebox twee weken voorafgaand aan de inval aan ene [betrokkene 2] had uitgeleend, die hem had gevraagd of hij diens spullen (hij sprak over meubels), in de garagebox kon opslaan omdat hij ging verhuizen, en dat [betrokkene 2] degene is geweest die de drugs in de garagebox had geplaatst. Deze verklaring staat haaks op de eerder afgelegde verklaring van verdachte tegenover de politie, inhoudende dat hij gedurende vier of vijf maanden voor de inval als enige over de sleutel van de garagebox beschikte. Desgevraagd aan wie hij de sleutel weleens uitleende, antwoordde de verdachte toen: “Alleen aan [betrokkene 1] (
het hof: [betrokkene 1]), maar [betrokkene 1] heeft nooit om de sleutel gevraagd sinds ik hem heb.” Voorts wordt de verklaring van de verdachte dat hij de sleutel aan [betrokkene 2] heeft uitgeleend niet onderbouwd en biedt het dossier ter zake ook geen enkel aanknopingspunt. Er is nog gepoogd om [betrokkene 2] , althans een persoon genaamd [betrokkene 2] , te horen, maar deze laatst genoemde persoon bleek te zijn overleden op 29 oktober 2024, derhalve voor de terechtzitting in eerste aanleg waar de verdachte voor het eerst heeft verklaard dat hij de sleutel aan [betrokkene 2] zou hebben uitgeleend, waardoor de verklaring van de verdachte hierdoor niet kon worden geverifieerd. Gelet op het voorgaande schuift het hof het door de verdediging geschetste scenario terzijde. Aldus gaat het hof uit van de verklaring van de verdachte, zoals hij deze in eerste instantie op 14 december 2022 tegenover de politie heeft afgelegd.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte zowel de feitelijke macht kon uitoefenen als wetenschap had van de aanwezigheid van 12,7 kilogram van een materiaal bevattende MDMA HCI in de garagebox 5. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van de aangetroffen drugs, op de wijze zoals hiervoor onder de bewezenverklaring is vermeld. Hoewel er voorts aanwijzingen zijn dat er meerdere personen bij betrokken waren, is het hof anders dan de rechtbank maar met de advocaat-generaal van oordeel dat er geen ander bewijs voor medeplegen is dan het DNA-bewijs en dit acht het hof in het onderhavige geval onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft verzocht bij de strafbepaling aan te sluiten bij een straf passend bij een bewezenverklaring van medeplichtigheid, ondanks het feit dat dit niet is tenlastegelegd, en verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft daarbij naar voren gebracht dat een gevangenisstraf verstrekkende consequenties heeft voor de verdachte. Een gevangenisstraf zou alles teniet doen waar op dit moment samen met de verdachte aan wordt gewerkt. Zowel de verdachte als de maatschappij is daarbij niet gebaat. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een taakstraf.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 12,7 kilogram MDMA HCI. Deze hoeveelheid is van een dusdanige omvang dat deze waar bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Harddrugs is schadelijk voor de gezondheid van degenen die het gebruiken terwijl, gelet op de verslavende werking van deze drugs, de consumptie daarvan ook sterk bezwarend is voor de samenleving. Immers gaat een verslaving vaak gepaard met vermogensdelicten die veel drugsverslaafden plegen ter financiering van hun behoefte aan drugs. Daarnaast leidt de handel in drugs tot verregaande en regelmatig zeer gewelddadige criminaliteit, hetgeen een buitengewoon zorgelijke en corrumperende werking op de samenleving heeft. Het hof acht het kwalijk dat de verdachte zich van die gevolgen van zijn handelen niets heeft aangetrokken, maar kennelijk alleen oog heeft gehad voor eigen gewin.
Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 oktober 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven onherroepelijk is veroordeeld. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee.
Gelet op de ernst van het feit en de recidive kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Een taakstraf zoals verzocht door de raadsman, is een gepasseerd station.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Daarin wordt bij een aangetroffen hoeveelheid harddrugs van 10.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 30 maanden als uitgangspunt genoemd. In hetgeen door de raadsman (onder meer omtrent de persoonlijke omstandigheden) naar voren is gebracht ziet het hof gelet op de aard en ernst van het strafbare feit geen aanleiding de straf te matigen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 30 maanden, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 8 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.