Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:473

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
20-002635-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 Wegenverkeerswet 1994Art. 63 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling weigering bloedonderzoek onder invloed

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Middelburg, waarin verdachte was veroordeeld voor het niet meewerken aan een bloedonderzoek na verdenking van rijden onder invloed van een stof. De politierechter legde een geldboete en een rijontzegging van 9 maanden op. Het hof vernietigde dit vonnis vanwege onvoldoende motivering en deed opnieuw recht.

Uit het onderzoek bleek dat verdachte op 5 februari 2024 te Terneuzen werd aangehouden na een ANPR-hit en het rijden onder invloed van cannabis werd vermoed. Verbalisanten namen cannabisgeur waar en vonden hennepresten in het voertuig. Verdachte weigerde mee te werken aan een speekseltest en een bloedonderzoek, ondanks een bevel van de hulpofficier van justitie. Het hof achtte het tenlastegelegde bewezen en verwierp het vrijspraakverweer van de verdediging.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de recidive van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn werk en schuldenlast. Het hof vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken passend en legde een rijontzegging van 8 maanden op, korter dan de 9 maanden van de politierechter, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf en 8 maanden rijontzegging wegens weigering bloedonderzoek onder invloed van cannabis.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002635-25
Uitspraak : 17 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 17 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-173145-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en hem de bevoegdheid zal ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden.
De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 5 februari 2024 te Terneuzen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 februari 2024 te Terneuzen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar (de digitale) pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, proces-verbaalnummer
PL2000-2024030464, gesloten d.d. 7 februari 2024, opgemaakt door [verbalisant 1] , agent van politie bij de eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 17).
Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 5 februari 2024 (pg. 6-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
ANPR hit openstaande OPP/ENS.
Het betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een rijbewijs vereist is. Uit controle bleek dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl een rijbewijsmaatregel van kracht was: rijbewijs was geschorst i.v.m. maatregel rijvaardigheid en geschiktheid (artikel 131 WvW94).
Ik, [verbalisant 2] ( [nummer 2] ), heb op 5 februari 2024 om 15:30 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een speekseltest, alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.
De bestuurder verleende geen medewerking aan de speekseltest, wat ons, [verbalisant 1] ( [nummer 1] ) en [verbalisant 2] ( [nummer 2] ), bleek uit: wij hoorden dat de verdachte weigerde.
Wij namen de volgende kenmerken waar bij de bestuurder:
Geur: Cannabis
De verdachte gaf mij, [verbalisant 2] ( [nummer 2] ), op te zijn genaamd:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 2004
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in [geboorteland]
Wij, [verbalisant 1] ( [nummer 1] ) en [verbalisant 2] ( [nummer 2] ), vermoedden dat de verdachte uitsluitend onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8 lid 1 of Pro 5 Wegenverkeerswet 1994 verkeerde.
Wij zagen dat er zich hennepresten bevonden in het voertuig op de bestuurdersstoel.
Ik, [verbalisant 2] ( [nummer 2] ), heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994. De verdachte verleende daartoe geen toestemming.
Op 5 februari 2024 om 16:00 uur, Bureau Terneuzen, [adres 2] , heb ik, [verbalisant 3] ( [nummer 3] ), in mijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarbij de verdachte is meegedeeld dat een weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. Dit bleek uit: wij hoorden dat de verdachte weigerde.
2.
Een (losbladig) schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht van [verbalisant 2] , hoofdagent, d.d. 3 februari 2026:
De bestuurder heeft gereden door de Westerscheldetunnel. Hier staat de ANPR camera namelijk. Wij hebben op een viaduct boven de weg staan kijken en hebben vervolgens de bestuurder een volgteken gegeven, gevolgd door een stopteken. De bestuurder voldeed hieraan. Wij zijn naar het bestuurdersraam gelopen en zagen betreffende persoon als bestuurder in het voertuig zitten. Na controle van de bescheiden van de bestuurder hebben wij vastgesteld dat het om de huidige verdachte (
het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]) ging.
Bewijsoverwegingen
I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er onvoldoende vermoeden bestond van rijden onder invloed en het bevel aan verdachte om zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 mitsdien zonder een rechtmatige reden is gegeven.
Het hof stelt vast dat de verbalisanten hebben geverbaliseerd dat zij bij verdachte een cannabisgeur hebben waargenomen. Een dergelijke waarneming is – al dan niet louter theoretisch – feilbaar. De feilbaarheid van de menselijke waarneming staat evenwel aan een verdenking als de onderhavige niet in de weg. Dat op de bestuurdersstoel hennepresten zijn aangetroffen en dat voorts niet is gebleken dat de verbalisanten gebruik hebben gemaakt van een ‘Psycho Motorische Test checklist’ maken de gerelateerde waarneming van de verbalisanten niet anders.
Naar het oordeel van het hof konden de verbalisanten aan voornoemde waarneming redelijkerwijs het vermoeden ontlenen dat de verdachte onder invloed verkeerde van een stof als bedoeld in artikel 8 lid 1 of Pro 5 Wegenverkeerswet 1994. Het onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 had hierover uitsluitsel kunnen geven. De verdachte heeft evenwel geweigerd mee te werken aan een dergelijk onderzoek. De hulpofficier was onder deze omstandigheden dan ook bevoegd tot het geven van een bevel als bedoeld in artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet Pro 1994. De verdachte heeft hierop aangegeven te weigeren zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994, hetgeen naar het oordeel van het hof de bewezenverklaring van het tenlastegelegde oplevert.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft ten overstaan van het hof bepleit dat het voor de verdachte in het kader van zijn werk van groot belang is om zijn rijbewijs te kunnen behouden. Dientengevolge heeft de verdediging het hof verzocht om – in geval van een bewezenverklaring – aan de verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 5 februari 2024 geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel om mee te werken aan een bloedonderzoek. De verdachte heeft met dit zelfbepalende gedrag verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of door hem, als bestuurder van een personenauto, en zo ja in welke mate, sprake was geweest van het gebruik van een stof die zijn rijvaardigheid kon beïnvloeden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2025, waaruit volgt dat de verdachte reeds onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof weegt die omstandigheid ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdediging ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte sinds bijna een maand werkzaam is als [functie] bij [organisatie] en dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om cliënten te kunnen bezoeken, omdat dat niet mogelijk zou zijn met het openbaar vervoer. Voor de verdachte is het van groot belang dat hij zijn werk kan behouden, omdat hij een grote schuldenlast heeft en voor die schulden inmiddels betalingsregelingen heeft getroffen. Voorts heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt en dat hij zijn leven nu een positieve wending wenst te geven.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op in het bijzonder het strafblad van de verdachte, met een veelheid aan recente onherroepelijke veroordelingen ter zake van de Wegenverkeerswet, en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komend in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten bij veelvuldige recidive worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht, zoals is gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden.
Voorts acht het hof, evenals de advocaat-generaal, het aangewezen om – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – aan de verdachte de bevoegdheid te ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden. Het hof acht in dat kader van belang dat de verdachte reeds eerder ter zake van een verkeersdelict onherroepelijk werd veroordeeld en voorts acht het hof een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk om de verdachte de onjuistheid van de bewezenverklaarde handelwijze te doen inzien. Gelet op het voorgaande ziet het hof, anders dan door de verdediging is bepleit, geen termen aanwezig om de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk op te leggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken;
ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers,
en op 17 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.