ECLI:NL:GHSHE:2026:474

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
20-000514-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling poging zware mishandeling met noodweerexcesverweer

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte vrijgesproken van zware mishandeling, maar veroordeeld voor poging tot zware mishandeling tot 8 weken gevangenisstraf. De verdediging voerde een geslaagd beroep op noodweerexces aan, terwijl het Openbaar Ministerie een hogere straf eiste.

Het hof oordeelt dat de verdachte inderdaad werd aangevallen door de aangever, wat een noodweersituatie opleverde. Toen de aangever tijdelijk vertrok, eindigde deze situatie. De verdachte sloeg de aangever later met een kapot glazen flesje in het gezicht, wat het hof disproportioneel acht en niet als onmiddellijk gevolg van de eerdere aanval beschouwt.

Daarom wijst het hof het beroep op noodweer en noodweerexces af en bevestigt het de veroordeling van de verdachte voor poging tot zware mishandeling. De straf wordt verhoogd tot 14 weken gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 14 weken gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling; beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000514-25
Uitspraak : 17 februari 2026
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-246085-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling en de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde, te weten poging tot zware mishandeling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken.
De raadsman van de verdachte heeft – naar het hof begrijpt – ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat oplegging van een geheel voorwaardelijke straf is bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met vervanging van de overweging omtrent de strafbaarheid van de verdachte.
Strafbaarheid van de verdachte
Het hof vervangt de overweging omtrent de strafbaarheid van de verdachte van de politierechter, opgenomen op pagina 5 (kop 4.2) van het vonnis, met het navolgende.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er een discussie is ontstaan tussen de verdachte en de aangever en dat de aangever de verdachte eerst heeft aangevallen met sleutels. Vervolgens is de aangever weggegaan om flesjes water te halen bij de Albert Heijn To Go . De verdachte heeft op dat moment opgemerkt dat hij als gevolg van de aanval door de aangever bebloed is geraakt en verwondingen heeft opgelopen. De verdachte was erg boos en hij bevond zich in een hevige gemoedsbeweging. De aangever is vervolgens teruggekeerd en de verdachte heeft de aangever aangevallen. Gelet op het feit dat de verdachte zich in een hevige gemoedsbeweging bevond, is de verdachte niet strafbaar, aldus de raadsman van de verdachte.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof is, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman van de verdachte aan het noodweerverweer ten grondslag heeft gelegd, aannemelijk zijn geworden. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. Tussen de aangever en de verdachte is een discussie ontstaan. De aangever heeft de verdachte aangevallen en de verdachte heeft verscheidene verwondingen op zijn hand, borst en rug opgelopen die passen bij de door de verdachte geschetste toedracht, te weten dat hij (met sleutels in zijn handen) door de aangever is geslagen en door aangever is gebeten op zijn borst en rug. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat de verdachte werd aangevallen door de aangever en dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Op dat moment was voor de verdachte aldus sprake van een noodweersituatie.
Vervolgens is aangever naar de Albert Heijn To Go gegaan om flesjes water te halen. Hiermee eindigde de noodweersituatie voor de verdachte. Op basis van het procesdossier heeft het hof niet kunnen vaststellen hoe lang aangever is weggeweest. De verdachte heeft hierover ook niet verklaard.
Met betrekking tot het beroep op noodweerexces overweegt het hof als volgt.
De grenzen van noodzakelijke verdediging zijn door de verdachte verontschuldigbaar overschreden als aannemelijk is dat de gedragingen van de verdachte na beëindiging van de noodweersituatie het onmiddellijk gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces acht het hof van belang de verdachte, nadat de aangever hem een flesje water had aangeboden, een kapot glazen flesje heeft gepakt en achter de aangever is aangegaan en bijzonder grof geweld op de aangever heeft uitgeoefend. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de verdachte met het kapotte glazen flesje in het gezicht van de aangever heeft geslagen. De gevolgen van het handelen van de verdachte zijn, blijkens de foto’s van het letsel van de aangever die zich in het procesdossier bevinden, aanzienlijk geweest en de aangever is ernstig bebloed en verwond geraakt. Het hof merkt voorts op dat de aanval van de verdachte zich heeft geconcentreerd op het gezicht van de aangever, wat een kwetsbaar en vitaal lichaamsonderdeel betreft. Bovendien moesten de verwondingen van de aangever ter plaatse door het ambulancepersoneel worden gehecht. Anders dan de raadsman van de verdachte heeft bepleit, is het hof van oordeel dat door het gebruik van een kapot glazen flesje als wapen deze disproportionele gedragingen van de verdachte niet langer zijn te beschouwen als een onmiddellijk gevolg van de eerdere aanranding. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte over zijn hevige gemoedsbeweging niet meer heeft verklaard dan dat hij boos was, toen hij merkte dat hij verwond was geraakt, dat hij een antwoord van de aangever wilde, dat hij een fles ging zoeken, een best wel grote fles vond, dacht dat hij aangever nu wel aan zou kunnen en toen achter hem is aangerend (verklaring verdachte, politiedossier p. 34 en 35).
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aan de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers,
en op 17 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.