ECLI:NL:GHSHE:2026:492

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
20-001713-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 33 Wetboek van StrafrechtArt. 33a Wetboek van StrafrechtArt. 47 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor meervoudige overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor meervoudige overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank Oost-Brabant veroordeelde hem tot 4 weken gevangenisstraf, een rijontzegging van 3 jaar en verbeurdverklaring van zijn vrachtwagen. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie stelden hoger beroep in, maar het OM trok haar beroep later in.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank in hoger beroep onderzocht. Het hof bevestigde de bewezenverklaring en de bijkomende straffen, maar matigde de gevangenisstraf tot 3 weken vanwege een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, die ruim anderhalf jaar bedroeg. De bijkomende straffen van rijontzegging en verbeurdverklaring werden gehandhaafd omdat deze niet geschikt zijn voor matiging wegens termijnoverschrijding.

Het hof baseerde zich op de strafmotiveringen van de rechtbank en hield rekening met de draagkracht van de verdachte. De uitspraak werd gedaan op 19 februari 2026 door een meervoudige kamer van het gerechtshof in aanwezigheid van griffiers.

Uitkomst: Gevangenisstraf gematigd tot 3 weken, rijontzegging van 3 jaar en verbeurdverklaring vrachtwagen gehandhaafd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001713-22
Uitspraak : 19 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 juli 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-993227-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Lelystad te Lelystad.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde, te weten:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd,
en
doen plegen van overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en een rijontzegging voor de duur van 3 jaren, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen Scania met kenteken
[kenteken] .
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van de officier van justitie is op 8 november 2022 ingetrokken.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en behalve voor wat betreft de opgelegde straf.
Het hof vult het vonnis aan met overwegingen met betrekking tot de op te leggen straffen en vervangt de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Aanvullende overwegingen met betrekking tot de op te leggen straffen
Het hof neemt de strafmotiveringen, waaronder die ten aanzien van het beslag, van de rechtbank op de pagina’s 9 en 10 van het vonnis over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting in eerste aanleg moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het hof stelt vast dat in eerste aanleg vonnis is gewezen binnen de redelijke termijn.
In hoger beroep is bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, die in beginsel eveneens 2 jaren bedraagt, in aanzienlijke mate geschonden. Het hoger beroep is ingesteld op 27 juli 2022, hetgeen betekent dat bij het wijzen van dit arrest de termijnoverschrijding ruim anderhalf jaar bedraagt.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend en geboden. Gelet op de omvang van deze straf volstaat het hof met de vaststelling van de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt het hof er evenwel in het voordeel van de verdachte rekening mee dat de verdachte ook zal worden getroffen door de eveneens op te leggen bijkomende straffen, bestaande uit een ontzegging van de rijbevoegdheid en verbeurdverklaring van zijn vrachtwagen als ook door de rechtbank opgelegd. Naar ’s hofs oordeel lenen die bijkomende straffen zich gelet op hun aard niet voor matiging als gevolg van de termijnoverschrijding.
Gelet op dit alles komt het hof tot matiging van de vrijheidsstraf. Het hof zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.
Het hof schaart zich voorts aldus achter de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen en de verbeurdverklaring van het in het dictum genoemde inbeslaggenomen voorwerp en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Ontzegtde verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 (drie) jaren.
Verklaart verbeurdhet inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
 Een Scania met kenteken [kenteken] [609171].

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes en mr. R.J. Gras, griffiers,
en op 19 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.