AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen en deelneming aan criminele organisatie voor drugshandel
In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd en de straf gematigd tot 50 maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. De verdachte werd schuldig bevonden aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onderPro B van de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met ernstige drugshandel.
Het bewijs bestond uit onder meer EncroChat- en SkyECC-berichten, telefoniegegevens, observaties en vondsten van grote hoeveelheden cocaïne in voertuigen. Het hof verbeterde en vulde de bewijsoverwegingen aan, onder meer met betrekking tot de identificatie van EncroChat-accounts en de interpretatie van communicatie tussen medeverdachten.
De verdediging verzocht om uitstel van het arrest in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de EU, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende concrete gevolgen voor deze zaak. Ook werd het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen vanwege de ernst van de feiten en het risico op herhaling.
De straf werd gematigd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarnaast werden beslagbeslissingen bevestigd en bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen een deel van de tenlastelegging wegens strijdigheid met artikel 404 SvPro.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 50 maanden gevangenisstraf voor medeplegen en deelneming aan criminele organisatie met aftrek van voorarrest.
Uitspraak
Parketnummer : 20-001602-22
Uitspraak : 19 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 juli 2022, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-993280-20 en 01-993335-20, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1992,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder parketnummer 01/993280-20 als feit 2 tenlastegelegde (het voorhanden hebben van vuurwapens en/of munitie) en de verdachte ter zake van:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod (parketnummer 01/993280-20 feit 1);
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet (parketnummer 01/993335-20),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen met betrekking tot het beslag en de voorlopige hechtenis.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van de officier van justitie is op 8 november 2022 ingetrokken.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met aanvulling van de gronden, met uitzondering van de straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte richt zich (mede) tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 01-993280-20 onder 2 ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 vanPro het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.
Het hof neemt niet over uit het vonnis de overwegingen onder ‘ Encrochat ’ A t/m M (p. 3 t/m 17 van het vonnis), nu in hoger beroep geen verweer is gevoerd met betrekking tot (het gebruik voor het bewijs van) EncroChatdata en deze overwegingen van de rechtbank inmiddels niet meer volledig in lijn zijn met de huidige stand van de jurisprudentie daaromtrent.
Het hof verbetert de bewijsmiddelen alsmede een enkele bewijsoverweging, vervangt de overwegingen met betrekking het beslag (p. 72 en 73 van het vonnis), de voorlopige hechtenis (p. 72 van het vonnis) en de toepasselijke wettelijke voorschriften (p. 73 van het vonnis). Voorts vult het hof het vonnis aan met een overweging naar aanleiding van een verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, met een overweging met betrekking tot verbeterde lezing van de tenlastelegging, met een aantal overige bewijsoverwegingen, met overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf alsmede met betrekking tot de voorlopige hechtenis.
Verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het Franse ‘Cour de Cassation’ op 16 september 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de vraag of artikel 14, eerste lid, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, gelezen in samenhang met artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een uitvoerende staat die er niet in voorziet dat de persoon tegen wie in de uitvaardigende staat het door het Europees onderzoeksbevel verkregen bewijs – in casu bestaande uit SkyECC -berichten – wordt ingeroepen, in de uitvoerende staat over een rechtsmiddel beschikt waarmee hij de rechtmatigheid en de noodzaak ervan kan betwisten.
In de visie van de verdediging kan het antwoord op deze vraag tot gevolg hebben dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer in stand kan blijven, hetgeen ‘aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de zaken die in de lidstaten van de EU lopen’.
Volgens de verdediging doet het Hof van Justitie van de Europese Unie naar verwachting in januari of februari 2026 uitspraak, om welke reden zij het hof verzoekt om het wijzen van arrest in de zaak van de verdachte uit te stellen tot na die uitspraak.
Het hof begrijpt dit verzoek aldus, dat de verdediging wenst dat het hof bij tussenarrest het onderzoek heropent en schorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan met betrekking tot de bedoelde prejudiciële vragen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het uitstellen van het wijzen van arrest in de onderhavige strafzaak niet is gebleken. Nog daargelaten dat het in de voorliggende zaak om een wezenlijk andere situatie gaat dan in de Franse zaak, aangezien de EncroChat -berichten niet door Frankrijk aan Nederland zijn overgedragen in het kader van een Europees onderzoeksbevel, maar in het kader van een tussen Frankrijk en Nederland gevormd gemeenschappelijk onderzoeksteam (waarover hierna meer), is het hof van oordeel dat er
– behoudens zeer uitzonderlijke gevallen – in zijn algemeenheid geen plaats is voor uitstel van het doen van uitspraak in afwachting van mogelijk nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie. Mocht latere jurisprudentie consequenties hebben voor eerder gedane uitspraken, dan kan er immers achteraf alsnog een rechtsmiddel – zoals herziening – worden aangewend. Van een dergelijk zeer uitzonderlijk geval is naar ’s hofs oordeel geen sprake. Voorts is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet gemaakt welke gevolgen de uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor de onderhavige strafzaak zou hebben. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.
Verbeterde lezing tenlastelegging
De rechtbank overwoog op pagina 3 van het vonnis, dat de dagvaarding verbeterd wordt gelezen, in die zin dat in feit 1 het woord ‘waaronder’ moet worden weggestreept met als gevolg dat dit feit slechts ziet op de daarin genoemde 80 en 159 kilo’s. Het hof schaart zich achter deze overweging van de rechtbank en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.
Aanvulling ten aanzien van de identificatie van EncroChat -accounts
Het hof stelt op basis van de identificerende gegevens als neergelegd in de processen-verbaal van bevindingen, ‘identificatie [medeverdachte 1] ’ en ‘identificatie [accountnaam 1] en [accountnaam 2] is [medeverdachte 1] ’ en de daarbij behorende bijlagen [1] , vast dat [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1997 in [geboorteplaats 2] gebruiker was van EncroChat -account [accountnaam 1] (en [accountnaam 2] ) en vult daarmee de tabel aan als vermeld op pagina 22 in het vonnis:
Verdachte
EncroChataccount
Overige bijnamen
[medeverdachte 1]
[accountnaam 1] en [accountnaam 2]
Verbetering bewijsmiddelen (voetnoten)
Het hof schaart zich achter de door de rechtbank in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de voetnoten en de bewijsmiddelenbijlage bij dat vonnis, en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing, met dien verstande dat de hieronder bedoelde verwijzingen in de voetnoten als volgt worden verbeterd:
voetnoot 32: p. 5-852 t/m 5-866 wordt aangevuld met het proces-verbaal van bevindingen aanvullende identificatie op p. 1-600 t/m 1-601;
voetnoot 48: p. 6-112 wordt vervangen door p. 6-117 t/m 6-118;
voetnoot 78: p. 6-855 wordt vervangen door p. 6-802;
voetnoot 125: p. 6-1716 wordt aangevuld met p. 6-1729 t/m 6-1741 en de datum in de overwegingen in het kader waarvan deze voetnoot wordt gebezigd (11 november 2019) wordt vervangen door 10 november 2019;
voetnoot 153: p. 5-1078 wordt vervangen door p. 5-1078 t/m 5-1080;
voetnoot 167: p. 6-3239 wordt vervangen door p. 6-3233 en 6-3234, 6-3239 en 6-3240;
voetnoot 169: p. 6-2962 wordt vervangen door p. 6-2962 t/m 6-2965;
voetnoot 247: p. 6-163 wordt vervangen door p. 6-162 t/m 6-164;
voetnoot 302: p. 6-1878 wordt vervangen door p. 6-1878 t/m 6-1880;
voetnoot 303: p. 6-2965 wordt vervangen door p. 2962, 6-2965 t/m 6-2967 en p. 1-065;
voetnoot 330: p. 6-1934 t/m 6-1936 wordt vervangen door p. 6-1934 en 6-1935;
voetnoot 331: p. 6-2083 wordt vervangen door p. 6-2081 en 6-2083;
voetnoot 352: p. 6-708 wordt vervangen door p. 6-706;
voetnoot 463: p. 6-3060 wordt vervangen door p. 6-3060 en 6-3061;
voetnoot 499: p 1-763 wordt vervangen door p. 1-763 t/m 1-766; voetnoot 503: p. 1-768 wordt vervangen door p. 1-768 t/m 1-771 en het tweede tijdstip in de overwegingen in het kader waarvan deze voetnoot wordt gebezigd (10:58) wordt vervangen door 10:59;
voetnoot 507: p. 4-1126 wordt vervangen door p. 5-1434 en 5-1436;
voetnoot 514: p. 6-216 wordt vervangen door p. 6-217;
voetnoot 538: p 4-1322 wordt vervangen door p. 4-1322 t/m 4-1323;
voetnoot 540: p. 6-371 wordt vervangen door p. 4-1338;
voetnoot 541: p. 4-1341 wordt vervangen door p. 4-1338 en 4-1341;
voetnoot 542: p. 4-1376 en p. 6-1378 wordt vervangen door p. 4-1376 t/m 4-1378;
voetnoot 543: p. 6-379 wordt vervangen door p. 6-379 t/m 6-391.
Verbetering overwegingen bewijsmiddelen
Voorts verbetert het hof de navolgende bewijsoverwegingen van de rechtbank, te weten:
- Op pagina 21 van het vonnis in de alinea betreffende ‘ [medeverdachte 2]’ de zinnen
‘De rechtbank wijst daarbij met name op de berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 3 mei 2020 waarin [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 2] even weg is om een deurtje te maken en dat [medeverdachte 4] wacht op opa in combinatie met het bericht van [medeverdachte 2] aan zijn vrouw op diezelfde dag, waarin staat dat hij even een paar deuren aan het maken is.48 Deze berichten zien beide op een zeer specifieke situatie op dezelfde
dag en naar het oordeel van de rechtbank kan in het licht van de overige aanwijzingen in voornoemd proces-verbaal dan ook niet anders geconcludeerd worden dan dat [medeverdachte 2] ' [medeverdachte 2] ' is.’
te vervangen door de zinnen:
‘De rechtbank wijst daarbij met name op de berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 4 mei 2020waarin [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 2] even weg is om een deurtje te makenen dat [medeverdachte 4] wacht op opa in combinatie met het bericht van [medeverdachte 2] aan zijn vrouw op 3 mei 2020, waarin staat dat [medeverdachte 2] nu even een paar deuren aan het maken is, dat morgen( het hof begrijpt: 4 mei 2020) moest doen maar morgen andere dingen’48. Hoewel deze berichten niet dateren van dezelfde dag, is sprake van een zodanige relatie tussen deze berichten dat deze wel duiden op dezelfde specifieke situatie, namelijk het maken van deuren op 3 in plaats van 4 mei 2020 door [medeverdachte 2] , waarna ook op 4 mei 2020 het maken van een deurtje reden is voor [medeverdachte 2] afwezigheid. Gelet hierop, kan in het licht van de overige aanwijzingen in voornoemd proces-verbaal dan ook niet anders geconcludeerd worden dan dat [medeverdachte 2] ' [medeverdachte 2] ' is.’
- Op de pagina 38 van het vonnis in de tweede alinea de zinnen ‘In de middag stralen de telefoons van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] masten in Nieuwegein nabij de A27 aan. Einde middag stralen de telefoons van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] masten nabij Breda/Roosendaal aan.247’
te vervangen door de zinnen:
‘In de middag straalt de SkyECC -telefoon van [medeverdachte 3] – net als de telefoon van [medeverdachte 6] en die van zijn schoonzoon – de zendmast nabij het bedrijf van die [medeverdachte 2] aan, waarna die SkyECC -telefoon separaat (zonder de telefoon van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer] )beweegt naar masten nabij de A27 in Nieuwegein. Ook de telefoons van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer] ),die in de ochtend in Ridderkerk zijn geweest en vervolgens in Druten, bewegen zich diezelfde tijd ’s middags vanuit Druten daarheen. Einde van die middag stralen dan de telefoons van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , evenals de voordien achtergebleven SkyECC -telefoon van [medeverdachte 3] , masten nabij Breda/Roosendaal aan, Ook de telefoon van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer] )is in de buurt ,247 Hieruit kan worden geconcludeerd dat de SkyECC -telefoon van [medeverdachte 3] in de ochtend bij het bedrijf van [medeverdachte 2] is achtergebleven en vervolgens met de telefoon van [medeverdachte 6] is meebewogen naar Breda/Roosendaal, voor een treffen aldaar met de telefoons van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] .’
- Op pagina 51 van het vonnis in de vierde alinea de zin ‘Op 14 januari 2020 komt de Renault Trafic [kenteken 1] (met verborgen ruimte) op naam van [naam 1] te staan.384’
aan te vullen als volgt:
‘Op 14 januari 2020 komt de Renault Trafic [kenteken 1] (met verborgen ruimte) op naam van [naam 1] te staan. Hierbij valt op dat dit voertuig voordien – van 18 juni 2019 tot en met 14 januari 2020 – op naam van een bedrijf van [naam 2] heeft gestaan.384’
- Op pagina 66 laatste alinea en pagina 67 eerste alinea van het vonnis (met inbegrip van voetnoot 543)
integraal te vervangen door de volgende alinea (met inbegrip van gewijzigde verwijzing in voetnoot 543 als hiervoor vermeld):
‘In een afgesloten ruimte binnen de loods werden twee vuilniszakken met in de ene zak 11 lege sporttassen en in de andere zak eveneens 11 lege sporttassen. In beide gevallen stond op 7 van de 11 tassen aan de buitenkant een van de volgende teksten geschreven: ‘% 25X’, ‘25X klavertje’, ‘25X klavertje * 25X’, ‘@geel 25X’, ‘%25X en 4X waterschade’, ‘shark 25X’, ‘klavertje 25X’, ‘shark 20X’, ‘% 33X’ of ‘klavertje 18X’. Daarnaast werd in een stellingkast in een plastic bak aangetroffen met 17 lege sporttassen, waarbij op 15 tassen een van de volgende teksten was geschreven aan de buitenkant: ‘20X %’, %’25X’, ‘25X%’, ‘15’ (of ‘JS’), ‘@geel 25X’ of ‘@geel 25’.543’
Overige aanvullende bewijsoverwegingen
a. Met betrekking tot de criminele organisatie (parketnummer 01/993335-20)
Het hof schaart zich achter de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de criminele organisatie en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
1.
Het samenwerkingsverband onder leiding van verdachte [medeverdachte 3] was niet incidenteel, maar had een structureel karakter gedurende langere tijd. Uit het dossier leidt het hof af dat een aantal deelnemers, waaronder [verdachte] , zeer wel met elkaar bekend was en hoewel op basis van het voorhanden dossier niet iedereen met elkaar bekend mag worden verondersteld, doet dat aan ieders deelname aan deze criminele organisatie niet af.
Hoewel geweld of dreiging teneinde gemeenschappelijke regels en/of doelstellingen van de organisatie uit te dragen geen factor van doorslaggevend belang is, biedt het onderhavige dossier wel aanknopingspunten voor de conclusie dat hiervan wel sprake was. Ervan uitgaande dat het veelvuldig terugkomende ‘ [naam 3] ’ een soort van symboliek of code typeert van zwijgen (en geheimhouden), kan het hof niet anders dan vaststellen dat men zich binnen deze organisatie aan deze code hield, ook ter terechtzitting in hoger beroep. De code is niet doorbroken voor zover het de organisatie betrof. Niet alleen bediende [medeverdachte 3] als leider van de organisatie zich in zijn accounts van de naam ‘ [naam 3] ’, maar deze leek hij ook met trots uit te dragen door onder meer transportmiddelen daarvan te voorzien, maar ook prijkte op menig deelnemers arm een tatoeage voorzien van die code. Kortom, een symbolische verbindende code die meerdere deelnemers met elkaar verbond. Wat daar verder ook van zij, de bewijsmiddelen geven blijk van een hiërarchische rolverdeling waarbij binnen de organisatie iedere deelnemer bekend was met zijn taak en rol.
2.
In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor ‘deelneming’ voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven, ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het oogmerk van de organisatie mede gericht was op de export van verdovende middelen. Dat betekent evenwel niet dat ieder van de in de bewezenverklaring genoemde personen zich met de export van verdovende middelen moet hebben beziggehouden om toch deel te hebben uitgemaakt van de bedoelde organisatie. Zoals hiervoor overwogen, is immers voldoende dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn mededaders hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Overig
Het hof hecht er overigens aan de raadsman nogmaals te wijzen op de observaties die zijn gedaan op 4 juni 2020 en de gerelateerde gedragingen die aan de verdachte [verdachte] worden toegeschreven. Voor zover de raadsman heeft opgemerkt dat een van de observanten, te weten [verbalisant 2] , kennelijk als gevolg van langdurige ziekte niet in de gelegenheid was het op die observatie betrekking hebbende activiteiten-journaal op ambtseed/-belofte te ondertekenen (p. 6-221), merkt het hof op dat deze observaties niet alleen plaatsvonden door observant [verbalisant 2] , maar tezamen met nog zes observanten (p. 6-213 t/m 6-220). Deze hebben allen wél het betreffende activiteitenjournaal mede ondertekend op ambtseed/belofte en overigens is op ambtseed verklaard door inspecteur van politie [verbalisant 1] , teamleider Observatie en Techniek van de DLR, dat alle waarnemingen van de observatie kort na de observatie zijn besproken aan de hand waarvan het proces-verbaal met nummer 200604. [verbalisant 2] .26Woodland is opgemaakt, met als bijlage bedoeld activiteiten-journaal. Het hof heeft geen enkele reden om op basis hiervan te twijfelen aan de bewijswaarde van het activiteitenjournaal, opgemaakt door getrainde waarnemers, zij die observeren als beroep. Dat bij de raadsman verwarring is ontstaan, zoals ter zitting ook al aan de orde gekomen, reeds doordat bij deze observatie sprake was van twee voertuigen van eenzelfde type en kleur, moge zo zijn. Echter, zijn verwarring raakt allerminst aan de aan het papier toevertrouwde en tot het bewijs gebezigde observaties, die het hof overneemt. Te meer, nu daarbij duidelijk en helder is beschreven om welk voertuig het steeds in de observatie ging, gelet op de kentekens die niet hetzelfde waren, en ook om wie het ging, waarbij nog in het oog springt dat de verdachte reeds ambtshalve bekend was en ook nader werd geduid als ‘subject [verdachte] ’. Kort gezegd, het hof deelt de verwarring van de raadsman niet en volgt de voertuigwissel, zoals ook door de rechtbank is overwogen op p. 63 van het vonnis op basis van de gebezigde bewijsmiddelen. Hieruit volgt dat het de verdachte [verdachte] was die zich op 4 juni 2020 om circa 11:23 uur met de Renault Trafic met kenteken [kenteken 1] (overigens op naam van medeverdachte [naam 1] ) naar [bedrijf] , het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 7] , aan [adres 2] begaf, alwaar die Renault naar het oordeel van het hof is voorzien van 80 kilogram cocaïne. Hetgeen door de raadsman voor het overige met betrekking tot het bewijs is aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en de door de rechtbank gebezigde, en door het hof aangevulde, bewijsoverwegingen.
Aanvullende overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf
Het hof neemt de strafmotivering van de rechtbank op de pagina’s 70 t/m 72 van het vonnis over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.
De verdediging heeft in dit kader onder meer gewezen op het feit dat de verdachte een bedrijf is gestart, zijn zoon om de week heeft en met zijn vriendin een woning huurt, die zij niet alleen kan betalen. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden is voor het hof onvoldoende aanleiding om de straf te matigen of om te komen tot een andersoortige straf. Daarvoor leggen deze persoonlijke omstandigheden, met name gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, onvoldoende gewicht in de schaal.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het hof stelt vast dat in eerste aanleg vonnis is gewezen binnen de redelijke termijn.
In hoger beroep is bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, die in beginsel eveneens 2 jaren bedraagt, in aanzienlijke mate geschonden. Het hoger beroep is ingesteld op 18 juli 2022, hetgeen betekent dat bij het wijzen van dit arrest de termijnoverschrijding ruim anderhalf jaar bedraagt. De advocaat-generaal heeft in zijn vordering met die termijnoverschrijding rekening gehouden.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden.
Beslag
Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Het hof overweegt daarbij dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het betreffende voertuig weliswaar op naam van iemand anders dan de verdachte stond, maar dat dat louter was omdat de verdachte vanwege zijn strafblad zelf geen autoverzekering kon afsluiten en dat het voertuig feitelijk aan de verdachte toebehoorde en ook bij hem in gebruik was.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking waartoe of met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan c.q. die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen, aan de verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het hof merkt daarbij op dat de iPhone 11 Pro evenals de overige telefoons die worden onttrokken aan het verkeer, een cryptotelefoons betreft, waarvan algemeen bekend is dat deze louter of in elk geval in overwegende mate wordt gebruikt voor het onderhouden van criminele contacten via versleuteld berichtenverkeer.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis is door het hof geschorst tot aan de dag van de uitspraak. De verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte primair op te heffen, subsidiair opnieuw te schorsen.
Het hof overweegt als volgt.
Er is sprake van voldoende ernstige bezwaren en gronden jegens de verdachte. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en ook het hof veroordeelt de verdachte tot een lange gevangenisstraf. Voorts is naar het oordeel van het hof op grond van de vaststelling dat de verdachte lid is geweest van een criminele organisatie die zich bezighield met ernstige drugsfeiten sprake van een vrees voor herhaling. Dat de verdachte gedurende de schorsing, voor zover bekend, geen strafbare feiten heeft gepleegd, doet daar in het licht van de ernst en duur van de bewezenverklaarde feiten niet aan af.
Het hof zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen. De situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv doet zich niet voor.
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt als uitgangspunt genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. Daarbij moet het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing worden afgewogen tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid. De raadsman heeft ter onderbouwing van het schorsingsverzoek het hof nog erop gewezen dat niet is gesteld, noch gebleken dat de verdachte zich gedurende zijn schorsing(en) niet heeft gehouden aan enige gestelde schorsingsvoorwaarde.
De verdachte wordt veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat schorsing van de voorlopige hechtenis thans in beginsel slechts aan de orde is wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte, betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Dergelijke omstandigheden zijn niet aannemelijk geworden. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal derhalve worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 33a, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaartde verdachte niet-ontvankelijkin het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-993280-20 onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeeltde verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 50 (vijftig) maanden.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een Renault Trafic met kenteken [kenteken 2] [601153].
Beveeltde onttrekking aan het verkeervan de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
PGP-telefoon [595922];
PGP-telefoon [595923];
PGP-telefoon [595924];
een iPhone 11 Pro [600909];
een Suro Carbon cryptotelefoon [600910].
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overig.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes en mr. R.J. Gras, griffiers,
en op 19 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.