De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand wegens opzettelijk gebruik van een vals geschrift, zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar dit vond plaats ruim tien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de dagvaarding aan de verdachte persoonlijk was betekend op 13 maart 2024, inclusief een Duitse vertaling van de dagvaarding via een tolkentelefoon. De strafzaak werd op 28 juni 2024 bij verstek behandeld en vonnis gewezen. De beroepstermijn van veertien dagen liep tot en met 12 juli 2024, maar het hoger beroep werd pas op 13 mei 2025 ingesteld.
De verdediging voerde aan dat de verdachte pas later door Duitse autoriteiten op de hoogte was gesteld van het vonnis en dat de vertaalde dagvaarding met de zittingsdatum niet was ontvangen. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de overschrijding van de beroepstermijn te verontschuldigen. Daarom werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.