Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:541

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-003004-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:106 BWArt. 27 SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep veroordeelt moeder tot 18 maanden gevangenisstraf voor seksueel misbruik en medeplegen

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens het plegen van ontuchtige handelingen met haar minderjarige dochter en het met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege wijziging van de tenlastelegging.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met haar partner seksuele handelingen heeft verricht met haar destijds negen- of tienjarige dochter, waaronder seksueel binnendringen, en dat zij de dochter met ontuchtig oogmerk getuige heeft laten zijn van seksuele handelingen. De verklaringen van de slachtoffers werden als betrouwbaar beoordeeld, mede ondersteund door verklaringen van getuigen en de medeverdachte.

De verdachte werd veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarbij rekening werd gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd een schadevergoeding van €9.000 aan het slachtoffer toegekend, met hoofdelijkheid tussen verdachte en medeverdachte. Het verzoek tot het horen van de slachtoffers als getuigen werd afgewezen, waarbij het hof oordeelde dat de procedure eerlijk was verlopen.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en een schadevergoeding van €9.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003004-22
Uitspraak : 24 februari 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-196121-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd (feit 1, subsidiair) en ‘een persoon, van wie zij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ (feit 2 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 9.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening. De verdachte en de mededader [medeverdachte] (
hierna [medeverdachte]) zijn voor dit schadebedrag hoofdelijk veroordeeld. Daarnaast is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en is bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan worden aangebracht. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De benadeelde partij [slachtoffer 2] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank
partieelvrijgesproken van het aan haar onder feit 2 tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 2] . Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarmee mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraak.
Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven partiële vrijspraak.
De rechtbank heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep gehandhaafd, maar deze vordering is, gelet op de beschermde vrijspraak van het tenlastegelegde voor zover gericht tegen [slachtoffer 2] , niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft, na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren het tenlastegelegde onder 1 primair (zoals gewijzigd) en 2 en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel en hoofdelijk zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit en daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
feit 1 (primair)
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 januari 2019 in de gemeente Tilburg tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door toen en aldaar
tezamen en in vereniging met haar, verdachtes, mededader, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
- een vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen en/of
- de vagina van die [slachtoffer 1] te likken en/of
- de vagina en/of billen van die [slachtoffer 1] te betasten en/of
- de penis van haar, verdachtes, mededader in de mond van die [slachtoffer 1] te stoppen en/of zich (die mededader) door die [slachtoffer 1] te laten pijpen en/of
- de hand van die [slachtoffer 1] op de penis van haar, verdachtes, mededader te leggen en/of zich (die mededader) door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken en/of
- die [slachtoffer 1] te tongzoenen;
en/of
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 januari 2019 in de gemeente Tilburg tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, door toen en aldaar
tezamen en in vereniging met haar, verdachtes, mededader, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
- de vagina van die [slachtoffer 1] te likken en/of
- de vagina en/of billen van die [slachtoffer 1] te betasten en/of
- de hand van die [slachtoffer 1] op de penis van haar, verdachtes, mededader te leggen en/of zich (die mededader) door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken;
feit 1 (subsidiair)
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 januari 2019 in de gemeente Tilburg, met haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft zij, verdachte, de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt;
feit 1 (meer subsidiair)
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 januari 2019 in de gemeente Tilburg, met haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers heeft zij, verdachte, de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt;
2. primair
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 januari 2019 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een persoon van wie zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, te weten haar kind, [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] ), met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] de penis van medeverdachte [medeverdachte] te likken en/of de penis van medeverdachte [medeverdachte] in haar vagina en/of anus te laten stoppen;
2. subsidiair
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 18 januari 2019 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten in de woning gelegen aan [adres] , terwijl [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] ) daarbij haars ondanks tegenwoordig was door - in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] de penis van medeverdachte [medeverdachte] te likken en/of de penis van medeverdachte [medeverdachte] in haar vagina en/of anus te laten stoppen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1 primair
zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 18 januari 2019 in de gemeente Tilburg tezamen en in vereniging met een ander met haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door toen en aldaar
tezamen en in vereniging met haar, verdachtes, mededader,
- een vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen en/of
- de vagina van die [slachtoffer 1] te likken en/of
- de vagina en/of billen van die [slachtoffer 1] te betasten en/of
- de penis in de mond van die [slachtoffer 1] te stoppen en/of zich (die mededader) door die [slachtoffer 1] te laten pijpen en/of
- de hand van die [slachtoffer 1] op de penis te leggen en/of zich (die mededader) door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken en/of
- die [slachtoffer 1] te tongzoenen;
en
zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 18 januari 2019 in de gemeente Tilburg tezamen en in vereniging met een ander met haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door toen en aldaar
tezamen en in vereniging met haar, verdachtes, mededader,
- de vagina van die [slachtoffer 1] te likken en/of
- de vagina en/of billen van die [slachtoffer 1] te betasten en/of
- de hand van die [slachtoffer 1] op de penis te leggen en/of zich (die mededader) door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken;
2 primair
zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 18 januari 2019 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, een persoon van wie zij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, te weten haar kind, [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] ), met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door in het bijzijn en in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] de penis van medeverdachte [medeverdachte] in haar vagina of anus te laten stoppen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.
Het hof ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.
Bewijsoverwegingen
Algemene overweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bijzondere overweging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is, mede onder verwijzing naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd dat enerzijds de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet voldoende betrouwbaar zijn en anderzijds dat het bewijs louter steunt op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en er onvoldoende steunbewijs is. De conclusies van rapporteur [deskundige] maken niet dat er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zijn uiteindelijke conclusie omvat een te grote marge die maakt dat er aan de verklaringen getwijfeld kan worden. Bovendien is de manier waarop de verklaringen uit de lucht komen vallen tijdens een feestje ronduit vreemd en ook zou het kunnen zijn dat vader [getuige 1] en zijn partner [getuige 2] [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben gevoed met valse informatie en aangezet om een belastende verklaring af te leggen, om zo te zorgen dat zij definitief niet zouden hoeven terugkeren naar hun moeder. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het de vraag is of sprake is van een eerlijk proces nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te horen. Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw verzocht om de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te (doen) laten horen omdat de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht en om een onafhankelijke deskundige, niet zijnde [deskundige] , te benoemen teneinde een onderzoek uit te laten voeren naar de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.
Ten aanzien van het verzoek tot het benoemen van een gerechtelijk deskundige, niet zijnde dr. [deskundige] , overweegt het hof dat reeds op 27 januari 2021 een rapportage is opgemaakt door de deskundige dr. [deskundige] . Het hof stelt vast dat de deskundige uitgebreid onderzoek heeft verricht naar de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat de deskundige in zijn onderzoek tevens de andere zich in het dossier bevindende verklaringen en factoren heeft betrokken. Het hof acht zich op grond van deze rapportage voldoende ingelicht. De noodzaak tot het benoemen van een nieuw gerechtelijke deskundige ontbreekt derhalve. Het hof wijst het verzoek van de verdediging derhalve af.
Het hof overweegt voorts als volgt.
De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of er sprake is van voldoende wettig bewijs. Het hof stelt daarbij voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op de verklaring van de aangever. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door de aangever genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De vraag of aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Het voorschrift van artikel 342, tweede lid, Sv leidt ertoe dat - in een geval als het onderhavige, waarin doorgaans de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte tegenover elkaar staan en er geen (directe) getuigenverklaringen voorhanden zijn - de rechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de beweringen van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging moet - met andere woorden - niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaringen van de slachtoffers volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron.
Het hof zal zich eerst uitlaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar zijn, vindt
naar het oordeel van het hof allereerst weerlegging in het rapport van de deskundige
dr. [deskundige] . Hij benoemt daarin dat de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zeer consistent zijn. Wat zij in de studioverhoren vertellen is meer gedetailleerd, maar komt verder geheel overeen met wat zij eerder tijdens de onthulling en kort daarna aan
verbalisanten vertelden. Het beschreven misbruik wordt niet groter of ernstiger in de loop
van de tijd. De inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 1] verschillen sterk van die van [slachtoffer 2] ,
maar hun verklaringen sluiten wel op elkaar aan en bevestigen elkaar. Beiden geven ook aan
dat [slachtoffer 2] naar haar eigen bed moest gaan, terwijl [slachtoffer 1] dan bij moeder en haar partner in
bed bleef. Daarna zouden de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , volgens [slachtoffer 1] , seksuele handelingen met elkaar en met [slachtoffer 1] hebben uitgevoerd. De meisjes vertellen dus consistent hun eigen verhaal wat zo goed als uitsluit dat het een gezamenlijk geconstrueerd verhaal is. De verklaringen van [slachtoffer 1] over seksueel misbruik zijn zeer gedetailleerd en specifiek. Het is zeer onaannemelijk dat dit verzonnen kan zijn. Haar beschrijvingen van de context en van handelingen en van posities die daarbij werden ingenomen, suggereren sterk dat het gaat om eigen ervaringen. De rapporteur acht de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betreffende seksueel misbruik en seksueel grensoverschrijdend gedrag zodanig consistent, volledig en voor zover te beoordelen accuraat, dat deze verklaringen in aanzienlijke tot hoge mate betrouwbaar kunnen worden geacht.
In de getuigenverklaring van medeverdachte [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris d.d. 11 april 2025 ziet het hof een bevestiging van hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard in die zin dat sprake zou zijn geweest van kindermisbruik. [medeverdachte] heeft zich neergelegd bij het vonnis, welk vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden. [medeverdachte] weet waarvoor hij is veroordeeld, namelijk seksueel misbruik van kinderen, waarvoor hij in behandeling is. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij hem en de verdachte woonden, dat hij zich kan herinneren dat hij seks had met de verdachte en het kan zijn dat de kinderen dat hebben gezien. Ondanks dat hij zich voor het overige niks zegt te herinneren dan wel ontkent dat de verdachte bij het tenlastegelegde betrokken was, ziet het hof in deze verklaring steunbewijs in die zin dat [medeverdachte] toegeeft dat de kinderen de seks hebben gezien.
Daarnaast ziet het hof in de verklaring van [slachtoffer 1] vele specifieke en gedetailleerde
aspecten, die naar het oordeel van het hof niet verzonnen kunnen zijn door een meisje
van haar leeftijd. [slachtoffer 1] heeft verklaard over de situatie dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] seks hadden, waarbij [medeverdachte] zich achter de verdachte bevond en de verdachte (tegelijkertijd) aan haar vagina, of zoals zij het zelf noemt "prutje”, aan het likken was terwijl zij voor de verdachte op bed lag. Zij heeft over die situatie verklaard dat zij de verdachte tegen [medeverdachte] hoorde zeggen "zachtjes". Ook verklaart [slachtoffer 1] over het aan haar "prutje" likken dat [medeverdachte] aan de verdachte vroeg "schat mag ik ook een keer” en dat de verdachte daarop antwoordde met "ja, oke”.
Vervolgens verklaart [slachtoffer 1] ook heel specifiek dat de verdachte haar bij haar voeten vasthield, terwijl [medeverdachte] haar juist bij haar benen vasthield op het moment dat zij aan haar "prutje” aan het likken waren.
Het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op elkaar zijn afgestemd, of zoals de
raadsman van de verdachte het formuleert, dat er verklaringen in de mond zijn gelegd, kan niet uit het dossier worden afgeleid. Weliswaar zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op verschillende momenten door verschillende personen bevraagd over wat er gebeurd zou zijn, maar dat is iets anders dan verklaringen afstemmen of woorden in de mond leggen. Ook blijkt uit de verklaringen juist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] spontaan zijn gaan verklaren. Dit was weliswaar naar aanleiding van een vraag van getuige [getuige 2] of er bij mama en [medeverdachte] of andere mensen "dingen gebeuren” met de bewegingen zoals [slachtoffer 2] die maakte, maar vervolgens komt er in de verklaring van [slachtoffer 1] meer naar voren. Zij verklaart dan namelijk spontaan over handelingen met haarzelf, namelijk dat [medeverdachte] aan haar "prutje” zat. Ze wrijft dan met haar hand in haar kruis en doet op die manier actief voor hoe dat toen is gegaan. Daarnaast verklaren zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] over de omstandigheid dat [slachtoffer 2] naar haar kamer moest en [slachtoffer 1] op de slaapkamer van haar moeder en [medeverdachte] bleef. Dat past ook niet in de gesuggereerde afstemming of het in de mond leggen van verklaringen.
Ook het verweer van de raadsman dat de afstemming zou zijn gebeurd uit frustratie van het achterwege blijven van actie vanuit de hulpverlening naar aanleiding van de meldingen van verwaarlozing, is een suggestie die geen steun vindt in het dossier. De verwaarlozing komt blijkens de afgelegde verklaringen in de verhalen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar aanleiding van het gebeuren op 19 januari 2019 in het geheel niet ter sprake. Zij verklaren over seksuele handelingen en over de aanwezigheid bij seksuele handelingen door de verdachte en [medeverdachte] .
Daarnaast is het verweer gevoerd dat wanneer er gebeurd zou zijn waarover is verklaard,
iemand toch iets gemerkt zou moeten hebben. Dit miskent dat zowel [getuige 2] als [getuige 1]
hebben verklaard dat [slachtoffer 2] eerder heeft verteld dat zij en [slachtoffer 1] bij de verdachte en
[medeverdachte] op de kamer sliepen omdat het onweerde en dat de verdachte en [medeverdachte] toen seks
hadden in de kamer waar zij bij waren. Daarvan is destijds melding gemaakt, maar daar
werd niks mee gedaan. Op basis daarvan kan echter wel worden geconstateerd dat al voor
19 januari 2019 sprake was van een situatie die zou kunnen passen bij hetgeen later wordt
verklaard.
Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te twijfelen en in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor een ander motief voor het afleggen van hun verklaring, zoals door de verdediging is gesteld.
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de gevoerde verweren die betrekking
hebben op de betrouwbaarheid en totstandkoming van de verklaringen en acht zij de
verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bruikbaar voor het bewijs.
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1
Hiervoor is overwogen dat de verklaring van [slachtoffer 1] als betrouwbaar kan worden bestempeld.
[slachtoffer 1] heeft specifiek en gedetailleerd verklaard over de in de tenlastelegging genoemde
handelingen. Zij heeft verklaard over posities van haar, de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op het bed. Zij heeft verklaard dat deze handelingen telkens hebben plaatsgevonden in het bed van de verdachte en [medeverdachte] . [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] lagen in het bed van de verdachte en als de verdachte en [medeverdachte] naar de kamer kwamen, dan werd [slachtoffer 2] op de kamer van [slachtoffer 1] gelegd en bleef [slachtoffer 1] in het bed van de verdachte en [medeverdachte] achter. Daarna vonden de seksuele handelingen plaats. [slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] het met haar doen en niet met [slachtoffer 2] , omdat [slachtoffer 2] het zou doorvertellen. [slachtoffer 2] zou ook al aan haar vader hebben verteld dat de verdachte en [medeverdachte] seks hebben in hun bijzijn.
Het hof overweegt, in het kader van het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342,
tweede lid, Sv, dat het voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun
vindt in een ander bewijsmiddel, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed
in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.
Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is. Het hof verwijst daarvoor naar de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat wanneer zij en [slachtoffer 1] in het bed van de verdachte en [medeverdachte] lagen en zij naar boven kwamen, [slachtoffer 2] dan naar haar eigen bed werd gebracht. [slachtoffer 1] bleef dan bij hen in bed liggen. Daarna hoorde ze dan heel veel gebonk van het bed en was [slachtoffer 1] daar nog. Bovendien heeft ook [slachtoffer 2] verklaard dat [slachtoffer 1] daar mocht blijven liggen omdat [slachtoffer 1] niks zou vertellen. Daarnaast vindt de verklaring van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] over het doorvertellen ook steun in de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] . Zoals al eerder is overwogen hebben zij namelijk van [slachtoffer 2] gehoord dat de verdachte en [medeverdachte] seks hadden toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij hen op de kamer sliepen. Hiervan is destijds ook melding gemaakt. Dit bevestigt dat [slachtoffer 2] dat verhaal eerder heeft doorverteld aan anderen en biedt daarmee ondersteuning aan de verklaring dat zij op haar eigen kamer werd gelegd en [slachtoffer 1] niet.
De betrouwbare verklaring van [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor wordt aldus op essentiële punten - namelijk de plaats en het moment waarop de seksuele handelingen plaatsvonden -
ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] , in combinatie met de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en medeverdachte [medeverdachte] .
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] volgt dat de seksuele handelingen die zij heeft moeten verrichten en ondergaan plaatsvonden wanneer de verdachte en haar partner naar boven kwamen en [slachtoffer 2] in een andere kamer was. Zij omschrijft dat de verdachte haar prutje likte en haar voeten vasthield terwijl de verdachte seks had met medeverdachte [medeverdachte] en zij heeft verklaard dat [medeverdachte] aan de verdachte vroeg “Schat, mag ik ook een keer?” en dat verdachte toen zei “ja, oké”.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Voorgaande maakt dat er naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte samen met de medeverdachte de primair tenlastegelegde handelingen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen, heeft begaan.
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2
Allereerst ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte samen met
medeverdachte [medeverdachte] , [slachtoffer 1] met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn
van seksuele handelingen.
Uit de memorie van toelichting bij het wetvoorstel van artikel 248d van het Wetboek van
Strafrecht volgt dat het bestanddeel ‘ertoe beweegt’ een actieve gedraging impliceert gericht
op het brengen van het kind tot het getuige zijn van seksuele handelingen. Het confronteren
van het kind met seksuele handelingen dient voorts plaats te vinden voor "sexual purposes".
In artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht wordt dit geïmplementeerd door opname van het bestanddeel ontuchtig oogmerk.
Het hof stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het bed van
de verdachte en [medeverdachte] lagen en dat als de verdachte en [medeverdachte] vervolgens naar de slaapkamer kwamen, [slachtoffer 2] in haar eigen bed werd gelegd en zij [slachtoffer 1] lieten liggen. Daarna hebben de verdachte en [medeverdachte] in het bed waar ook [slachtoffer 1] lag seks gehad. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder feit 1 is overwogen, hebben zij [slachtoffer 1] op enig moment zelfs bij de seks betrokken. Dat er sprake was van ontuchtig oogmerk behoeft naar het oordeel van het hof dan ook geen nadere motivering.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met
medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 primair tenlastegelegde, door in het bijzijn en in de directe nabijheid van [slachtoffer 1] seks te hebben. Voor het eerste gedachtestreepje, het pijpen van [medeverdachte] door de verdachte in het bijzijn van [slachtoffer 1] , ziet het hof onvoldoende bewijs zodat daarvoor partieel vrijspraak zal volgen. Uit hetgeen [slachtoffer 2] daarover verklaart, kan niet worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] daarbij aanwezig was.
Verzoek tot het horen van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Uit het arrest Keskin tegen Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de daaropvolgende ‘post-Keskin’ arresten van de Hoge Raad volgt dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden verondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige – al in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
Het vorenstaande betekent evenwel niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Artikel 6 EVRM Pro verzet zich er niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
Daarnaast volgt uit de ‘post-Keskin rechtspraak’ van de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen om een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf geen grond biedt voor de afwijzing van zo’n verzoek, maar dat het niet wegneemt dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Het hof heeft op de eerdere terechtzitting van 8 januari 2025 het verzoek van de raadsman tot het horen van de getuigen toegewezen onder de voorwaarde dat het verantwoord moest zijn om deze meisjes nogmaals aan een verhoor te onderwerpen. De raadsheer-commissaris heeft in het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2025 geoordeeld dat het vermoeden bestaat dat de gezondheid en/of het welzijn van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak in gevaar wordt gebracht, en dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen (laten) ondervragen. De raadsheer-commissaris heeft beslist dat de getuigen niet worden gehoord.
Het hof is van oordeel dat, mede uitgaande van het voorgaande, het verzoek tot het horen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuigen dient te worden afgewezen en overweegt daartoe dat de door hun afgelegde verklaringen in belangrijke mate worden ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen.
Op grond van het voorstaande is het hof van oordeel dat de procedure in zijn geheel eerlijk is verlopen en dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuigen geen schending van artikel 6 EVRM Pro oplevert.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de ouderdom van het feit, alsmede met de schending van de redelijke termijn.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met haar partner plegen van ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen, met haar destijds negen- of tienjarige dochter [slachtoffer 1] . Daarnaast heeft zij zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het seksueel corrumperen van [slachtoffer 1] doordat zij haar ertoe hebben bewogen getuige te zijn van de seksuele handelingen tussen de verdachte en haar partner. Dit alles vond plaats in het huis waar de verdachte samen met haar partner en haar twee dochters woonde. Het ouderlijk huis is bij uitstek een plek waar een kind veilig moet kunnen zijn.
Dat de verdachte met haar handelen op zeer grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de
lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 1] staat buiten kijf. Hierdoor heeft de verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die in hun jeugd seksueel zijn misbruikt hiervan ook op latere leeftijd nog de (psychische) gevolgen (kunnen)
ondervinden. Het is dan ook van groot belang dat kinderen worden beschermd tegen de
seksuele toenadering door volwassenen. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het
overwicht dat zij als volwassene en moeder op [slachtoffer 1] had en heeft ervoor gekozen haar
eigen seksuele behoeftes te laten prevaleren boven de belangen van [slachtoffer 1] . Voorts neemt het hof het de verdachte bijzonder kwalijk dat zij het vertrouwen dat een kind in haar
moeder heeft op die manier heeft geschaad. Dat de feiten voor [slachtoffer 1] grote gevolgen hebben
gehad - en nog steeds hebben - blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding en de nadere toelichting ter zitting door mr. [gemachtigde] , die voorafgaand aan de zitting met [slachtoffer 1] ’s vader heeft gesproken. Het gaat niet goed met [slachtoffer 1] . Zij krijgt hulp van [stichting 1] en begeleiding van [stichting 2] . Tweemaal per week is er thuisbegeleiding en binnenkort start interne traumatherapie bij [psychiatrisch ziekenhuis] . Men is bezig voor [slachtoffer 1] een plek te vinden binnen een woongroep gespecialiseerd in trauma’s bij kinderen.
Bij de strafoplegging heeft het hof acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld. De overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn het hof niet bekend - de verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en heeft niet meegewerkt aan een psychologisch onderzoek - waardoor daarmee geen rekening kan worden houden.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van forse duur met zich brengt. Daarnaast rekent het hof het de verdachte ten zeerste aan dat zij op geen enkel moment openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte is nimmer ter zitting, noch in eerste aanleg noch in hoger beroep, verschenen om verantwoordelijkheid te nemen voor haar handelen dan wel om zich te bekommeren over de toestand van het slachtoffer, notabene haar dochter. Het hof weegt deze gehele houding van de verdachte dan ook in haar nadeel mee.
Als uitgangspunt voor de bepaling van de aan de verdachte op te leggen straf zoekt het hof aansluiting bij de aan de medeverdachte opgelegde gevangenisstraf. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
In het onderhavige geval zal het hof de termijn rekenen vanaf 20 januari 2019, de dag waarop de politie is binnengetreden ter inbeslagname in de woning van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . In eerste aanleg is vonnis gewezen op 16 december 2022. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 23 maanden, die niet aan de verdediging is toe te rekenen.
Tevens is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De verdachte heeft immers op 29 december 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 24 februari 2026 - en derhalve niet binnen 2 jaar na het instellen van hoger beroep - arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 14 maanden overschreden. Deze overschrijding valt niet aan de verdachte toe te rekenen.
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden matigen. Het hof zal de verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en verzocht de verdachte en haar mededader [medeverdachte] daartoe hoofdelijk te veroordelen.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering deels toegewezen tot een bedrag van € 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte en [medeverdachte] zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit schadebedrag.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte met haar (toenmalige) partner [medeverdachte] haar dochter [slachtoffer 1] , de benadeelde, seksueel heeft misbruikt. Dit misbruik bestond mede uit het seksueel binnendringen en het seksueel corrumperen van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] was destijds 9/10 jaar oud. Uit de toelichting bij het schadevergoedingsformulier (de brief van de gemachtigde van de benadeelde, mr. [gemachtigde] , van 8 juni 2022 met producties) blijkt dat [slachtoffer 1] door dit seksuele misbruik is getraumatiseerd. In 2020 is [slachtoffer 1] aangemeld voor traumabehandeling vanuit Hulp na Seksueel misbruik (HSM) en in 2021 heeft zij een aantal EMDR sessies gehad. Uit het (ongedateerde) eindverslag van HSM blijkt dat [slachtoffer 1] de EMDR therapie goed heeft doorlopen maar dat ze er nog niet is. Ter terechtzitting in hoger beroep is, zoals hiervoor ook vermeld, door de gemachtigde van [slachtoffer 1] medegedeeld dat [slachtoffer 1] nog steeds wordt begeleid en zal starten met traumatherapie. Naar het oordeel van het hof kan het reeds als een feit van algemene bekendheid worden geacht dat seksueel misbruik als het onderhavige leidt tot psychisch letsel bij het slachtoffer, waarvan het slachtoffer nog vele jaren last kan ondervinden. Met de schriftelijke toelichting van 8 juni 2022 alsmede de nadere toelichting ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en haar mededader onder 1 primair en 2 primair, rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.
De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, zoals hiervoor omschreven, vormen nadeel als bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek. Dat brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt laten meewegen en voorts gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde.
Gelet op alle omstandigheden van het geval begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten heeft geleden naar billijkheid op het bedrag van minstens € 9.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag aan immateriële schade toewijsbaar is.
Het hof kan op basis van de thans voorhanden zijnde (medische) informatie niet vaststellen of en in hoeverre het toewijzen van een hoger bedrag aan schadevergoeding zou zijn aangewezen. De behandeling van de vordering voor het overige zou aldus een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof zal bepalen dat de vordering ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, zijnde 18 januari 2019. De schade wordt geacht op die datum te zijn geleden.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Hoofdelijkheid
Tot vergoeding van de schade is naast de verdachte ook de mededader [medeverdachte] gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de mededader [medeverdachte] rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 9.000,00. De verdachte en de mededader [medeverdachte] zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 244, 247 en 248d van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 2] ;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 9.000,00 (negenduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.000,00 (negenduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 januari 2019.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en J.C. Verhoeven, griffiers,
en op 24 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Hieronder wordt - tenzij anders vermeld - telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde eindproces-verbaal van onderzoek Alcion van de politie Zeeland-West-Brabant, team Zeden, met dossiernummers 2019016024 en 2019015644, sluitingsdatum 16 juli 2020, doorgenummerde dossierpagina’s 1-390.