Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:548

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
20-003429-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 180 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging zware mishandeling en belediging politieagenten met gevangenisstraf en schadevergoeding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, eenvoudige belediging en wederspannigheid, allen meermalen gepleegd tegen politieagenten.

De feiten betreffen een achtervolging op 10 april 2021 waarbij de verdachte met hoge snelheid meerdere gevaarlijke manoeuvres uitvoerde, waaronder het inrijden op politievoertuigen, met het doel aan aanhouding te ontkomen. Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aan de politieagenten heeft aanvaard, waarmee voorwaardelijk opzet is vastgesteld.

De verdachte werd vrijgesproken van poging doodslag en enkele bedreigings- en wederspannigheidsfeiten wegens onvoldoende bewijs. De strafmaat werd vastgesteld op 32 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde politieagenten, variërend van €400 tot €943, vermeerderd met wettelijke rente, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof hield rekening met het justitiële verleden van de verdachte, zijn psychosociale problematiek en het maatschappelijk belang van bescherming van politieambtenaren. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg leidde tot een strafvermindering van vier maanden. De uitspraak werd op 15 januari 2026 uitgesproken door mr. C.P.J. Scheele, mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf en ontzegging rijbevoegdheid voor twee jaar wegens poging zware mishandeling en andere feiten, met toewijzing van schadevergoedingen aan politieagenten.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003429-24
Uitspraak : 15 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 december 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-098802-21 en 03-314601-22, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor het onder parketnummer 03-314601-22 tenlastegelegde feit 1. Voorts heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder parketnummer 03-098802-21 tenlastegelegde feit 2 primair.
De rechtbank heeft het onder parketnummer 03-098802-21 feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 en onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • ‘poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-098802-21 feit 1 en feit 2 subsidiair);
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-098802-21 feit 3);
  • ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-314601-22 feit 2);
  • ‘wederspannigheid, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-314601-22 feit 3)
en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.
De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] integraal toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 14 januari 2025 is door de officier van justitie het hoger beroep ingetrokken.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder parketnummer 03-314601-22 feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat hetzelfde feit bij eerdere dagvaarding (parketnummer 03-098802-21 feit 1) eveneens aan de verdachte is tenlastegelegd en het blijkens de uitleg van de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg om hetzelfde feitencomplex gaat zodat sprake is van een dubbele vervolging voor hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
In de appelakte van 24 december 2024 waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, is vermeld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer
03-314601-22.
Gelet op het voorgaande – en nu het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is ingetrokken – is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat in hoger beroep het onder parketnummer 03-314601-22 tenlastegelegde feit 1 (primair en subsidiair) niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder feit 2 en feit 3 en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.
Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen integraal toegewezen dienen te worden, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsvrouw van de verdachte primair verzocht dat het hof deze vorderingen zal afwijzen althans niet-ontvankelijk zal verklaren vanwege de bepleite integrale vrijspraak en omdat de schade althans het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van de verdachte niet is aangetoond. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde bedragen te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 03-098802-21:1.hij op of omstreeks 10 april 2021 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van hetdoor verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] ,beiden werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letseltoe te brengen, rijdend in een (personen)auto, is ingereden op een politievoertuig,waarin die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomenmisdrijf niet is voltooid;

2. primair
hij op of omstreeks 10 april 2021 in de gemeente Heerlen en/of Kerkrade, in elk
geval in de provincie Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , beiden werkzaam bij politie, Eenheid
Limburg, opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal,
(telkens), rijdend in een (personen)auto, met (zeer) hoge snelheid, tegen een (met
zeer hoge snelheid rijdend) politievoertuig is gereden, waarin die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]
zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 10 april 2021 in de gemeente Heerlen en/of Kerkrade, in elk
geval in de provincie Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , beiden werkzaam bij politie,
Eenheid Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen,
althans eenmaal, (telkens), rijdend in een (personen)auto, met (zeer) hoge snelheid,
tegen een (met zeer hoge snelheid rijdend) politievoertuig is gereden, waarin die
[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet
is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 10 april 2021 in de gemeente Simpelveld, in elk geval in de
provincie Limburg, [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 5]
en/of [verbalisant 6] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , allen werkzaam bij
politie, Eenheid Limburg, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 5]
en/of [verbalisant 6] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- "Ik zal jullie krijgen" en/of
- "Jullie maken mij af, ik maak jullie de volgende keer af" en/of
- "Jij bent de volgende keer van mij, ik maak je af als een hond" en/of
- "Ik maak jullie allemaal kapot, vuile kankerwouten",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Zaak met parketnummer 03-314601-22:2.hij op of omstreeks 10 april 2021 in de gemeenten Heerlen en/of Simpelveld en/ofKerkrade, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7], beiden werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, gedurende of ter zake vande rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid,door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [benadeelde 6] in/op zijn gezicht tespugen en/of die [benadeelde 7] op zijn kleding en/of lichaam te spugen;

3.
hij op of omstreeks 10 april 2021 in de gemeente Simpelveld, althans in de
provincie Limburg, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet
tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3]
en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] , allen werkzaam bij politie,
Eenheid Limburg, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun
bediening, te weten, ter aanhouding van verdachte, door zich (telkens) (met kracht)
(proberen) los te rukken en/of zijn armen en/of hoofd en/of lichaam in
tegengestelde richting te bewegen dan waarin die opsporingsambtena(a)r(en)
verdachte trachtte(n) te bewegen en/of (proberen) te schoppen met zijn benen en/of
(proberen) zijn hoofd op te tillen en/of op te (willen) staan; en/of ter transport van
verdachte, door (telkens) (met kracht) met zijn hoofd en/of vuisten en/of voeten
en/of andere lichaamsdelen tegen de binnenkant en/of wand van de bus te rammen
en/of te slaan.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in het leven heeft geroepen. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van de in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder feit 2 primair tenlastegelegde poging doodslag op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
Het hof acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 van parketnummer 03-098802-21 tenlastegelegde bedreiging van de verbalisanten [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , zodat de verdachte in zoverre van dat feit wordt vrijgesproken.
Ten slotte acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 van parketnummer 03-314601-22 tenlastegelegde wederspannigheid, voor zover begaan tegen de in de tenlastelegging genoemde verbalisant [verbalisant 3] In zoverre wordt de verdachte ook van dit feit vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 03-098802-21:1.hij op 10 april 2021 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , beiden werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, rijdend in een personenauto, is ingereden op een politievoertuig, waarin die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair
hij op 10 april 2021 in de provincie Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (telkens) rijdend in een personenauto, met (zeer) hoge snelheid, tegen een (met zeer hoge snelheid rijdend) politievoertuig is gereden, waarin die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 10 april 2021 in de gemeente Simpelveld [benadeelde 5] en [verbalisant 6] , beiden werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 5] en [verbalisant 6] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Jullie maken mij af, ik maak jullie de volgende keer af" en/of
- " Jij bent de volgende keer van mij, ik maak je af als een hond".

Zaak met parketnummer 03-314601-22:2.hij op 10 april 2021 in de gemeenten Heerlen en Simpelveld, opzettelijk ambtenaren, te weten [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , beiden werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [benadeelde 6] op zijn gezicht te spugen en die [benadeelde 7] op zijn kleding te spugen;

3.
hij op 10 april 2021 in de gemeente Simpelveld zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , allen werkzaam bij politie, Eenheid Limburg, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten, ter aanhouding van verdachte, door zich (telkens) (met kracht) (proberen) los te rukken en ter transport van verdachte, door (telkens) (met kracht) met zijn hoofd en vuisten en voeten tegen de binnenkant en wand van de bus te rammen en/of te slaan.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
BewijsoverwegingenDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt ook in zijn onderdelen slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Zaak met parketnummer 03-098802-21feit 1: poging zware mishandeling van verbalisanten [benadeelde 3] en [benadeelde 4]Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisanten [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . In dat verband is mede een beroep gedaan op het Porsche -arrest (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139).
Het hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat de verdachte daadwerkelijk de bedoeling – en daarmee ‘vol opzet’ – had om verbalisanten [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of bij de verdachte wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan een kans die onder de gegeven omstandigheden gelijkstaat aan een reële, niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid. Daarmee wordt geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’.
Leidend bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op het gevolg is de vraag of de kans naar objectieve maatstaven aanwezig kon worden geacht. Doorslaggevend is dus niet de inschatting van de dader. Die objectieve maatstaf is met name van belang ingeval het, zoals ook in deze zaak, gaat om een poging. Voor een strafbare poging mag worden geëist dat – ofschoon het gevolg niet is ingetreden – het beschermde rechtsgoed daadwerkelijk in gevaar is gebracht.
Het hof is tegen de achtergrond van dit rechtskader van oordeel dat de verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisanten [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben met hun politievoertuig de verdachte, die in zijn personenauto achter hen reed, proberen te stoppen door snelheid te minderen. Nadat de verdachte ogenschijnlijk aanstalten maakte te stoppen is hij hard opgetrokken in de richting van het politievoertuig met daarin [benadeelde 3] en [benadeelde 4] in een kennelijke poging dat politievoertuig in te halen. Bij deze inhaalmanoeuvre heeft de verdachte onvoldoende om het politievoertuig heen gestuurd waardoor hij met zijn auto het politievoertuig aan de linker achterzijde heeft geraakt. Hierdoor is het politievoertuig gaan spinnen.
Met een personenauto op hoge snelheid tegen de achterzijde van een met lage(re) snelheid rijdende politieauto rijden, brengt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich mee dat die politieauto uit zijn baan raakt, gaat tollen of ergens tegen aan botst. De kans dat de zich in dat voertuig bevindende politieagenten daarbij zwaar lichamelijk letsel oplopen is naar algemene ervaringsregels eveneens aanmerkelijk te achten. Dat geldt in dit geval temeer nu de aanrijding plaatsvond op een tweebaansweg waarlangs vele bomen stonden.
De vraag is vervolgens of de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het besproken gevolg zal intreden, kan niet zonder meer volgen dat hij met zijn gedraging de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat bij die gedraging ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Voor de beoordeling daarvan zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat van de vereiste bewuste aanvaarding sprake is. Uit de verklaringen van de verdachte en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn rijgedrag, in de beschreven context, leidt het hof af dat de verdachte koste wat het kost wilde voorkomen dat de politieagenten hem zouden aanhouden. Dit doelgerichte gedrag blijkt, behalve uit de manier waarop hij [benadeelde 3] en [benadeelde 4] met hoge snelheid achterop reed, ook uit zijn overige gedragingen tijdens de rit: het meermaals negeren van een rood verkeerslicht, de forse snelheidsovertredingen en het met hoge snelheid wegrijden toen verbalisanten [benadeelde 6] en [benadeelde 7] hem wilden bekeuren. Uit dit verkeersgedrag van de verdachte kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk anders volgen dan dat hij zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans op een (ernstig) ongeval en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan andere verkeersdeelnemers, meer in het bijzonder de politieagenten tijdens de achtervolging. De verdachte heeft die kans bewust aanvaard. Hij wilde immers koste wat het kost de politie van zich afschudden en hield daarbij nergens anders rekening mee, zelfs niet met zijn eigen veiligheid. Daarmee is het voorwaardelijk opzet van de verdachte gegeven.
Het beroep van de verdediging op het Porsche -arrest (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR: 1996:ZD0139) verwerpt het hof, nu te dezen van een situatie als daarin aan de orde, geen sprake is geweest.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn inhaalmanoeuvre de politieauto met daarin [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zou raken en dat zij ten gevolge van die aanrijding zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Derhalve acht het hof de onder feit 1 tenlastegelegde poging zware mishandeling van verbalisanten [benadeelde 3] en [benadeelde 4] wettig en overtuigend bewezen.
Het hof verwerpt aldus het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw in al zijn onderdelen.
feit 2 subsidiair: poging zware mishandeling van verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2]Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . In dat verband is ook mede een beroep gedaan op het Porsche -arrest (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139).
Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich ook aan deze poging tot zware mishandeling heeft schuldig gemaakt, hanteert het hof hetzelfde beoordelingskader als hiervoor ten aanzien van feit 1 weergegeven.
Het hof is van oordeel dat de verdachte ook voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Tijdens de politieachtervolging heeft de verdachte op de N281, rijdend met een zeer hoge snelheid van zo’n 150 km/uur, het met nagenoeg dezelfde snelheid rijdende politievoertuig van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] links ingehaald, terwijl er geen ruimte was om dat politievoertuig links te passeren. Bij deze inhaalmanoeuvre heeft de verdachte de linkerzijde en linkerbuitenspiegel van het politievoertuig van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geraakt.
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] probeerden de verdachte vervolgens weer in te halen. Dat lukte niet, omdat de verdachte met een snelheid boven de 150 km/uur slingerende stuurbewegingen maakte om hen het inhalen te beletten. Tijdens het slingeren van de verdachte, om te beletten dat het politievoertuig van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hem zou kunnen inhalen, heeft de verdachte het politievoertuig aan de linker voorzijde geraakt.
Op de afslag Kerkrade/Simpelveld heeft de verdachte zonder snelheid te minderen zijn personenauto naar links gestuurd terwijl het politievoertuig met daarin [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich links naast hem bevond. Hierdoor heeft de verdachte het politievoertuig van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] aan de rechterzijde geraakt en werd het politievoertuig naar links, richting de berm, geduwd.
Met een personenauto met hoge snelheid meerdere keren tegen een ook met hoge snelheid rijdende (politie)auto rijden, brengt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich mee dat die (politie)auto van de weg raakt, kantelt of ergens tegenaan botst. De kans dat de zich in dat voertuig bevindende politieagenten daarbij zwaar lichamelijk letsel oplopen is naar algemene ervaringsregels eveneens aanmerkelijk te achten. Dat geldt in dit geval temeer nu de eerste twee aanrijdingen plaatsvonden op de N281: een tweebaansweg die wordt afgescheiden van de rijbanen voor het tegengestelde verkeer door een middenberm voorzien van een vangrail en er op de afslag Kerkrade/Simpelveld, waar de derde aanrijding plaatsvond, verkeerslichten en lantaarnpalen staan. Bovendien was sprake van regen en werd het zicht belemmerd door opspattend water.
De vraag is dan vervolgens of de verdachte de voornoemde aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is. Uit de verklaringen van de verdachte en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn rijgedrag, in de beschreven context, leidt het hof af dat de verdachte koste wat het kost wilde voorkomen dat de politieagenten hem zouden aanhouden. Dit doelgerichte gedrag blijkt, behalve uit de gevaarlijke verkeersmanoeuvres van de verdachte waarbij het politievoertuig met daarin [benadeelde 1] en [benadeelde 2] meerdere keren werd geraakt, ook uit de overige gedragingen van de verdachte tijdens de rit: het meermaals negeren van een rood verkeerslicht, de forse snelheidsovertredingen en het met hoge snelheid wegrijden toen verbalisanten [benadeelde 6] en [benadeelde 7] hem wilden bekeuren. Uit dit verkeersgedrag van de verdachte kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk anders volgen dan dat hij zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans op een (ernstig) ongeval en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan andere verkeersdeelnemers, meer in het bijzonder de politieagenten tijdens de achtervolging. De verdachte heeft die kans bewust aanvaard. Hij wilde immers koste wat het kost de politie van zich afschudden en hield daarbij nergens anders rekening mee, zelfs niet met zijn eigen veiligheid. Daarmee is het voorwaardelijk opzet van de verdachte gegeven.
Het beroep van de verdediging op het Porsche -arrest (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996: ZD0139) verwerpt het hof ook hier, nu te dezen van een situatie als in dat arrest aan de orde, geen sprake is geweest.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Derhalve acht het hof de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling van verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wettig en overtuigend bewezen.
Het hof verwerpt aldus het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw in al zijn onderdelen.
feit 3: bedreiging van verbalisanten [benadeelde 5] en [verbalisant 6]Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte de verbalisanten [benadeelde 5] en [verbalisant 6] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. De bewezen verklaarde uitingen zijn naar het oordeel van het hof van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de slachtoffers de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreigingen zouden worden waargemaakt. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Zaak met parketnummer 03-314601-22feit 2: belediging van verbalisanten [benadeelde 6] en [benadeelde 7] door hen te bespugen
Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet heeft gespuugd vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
feit 3: wederspannigheid
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich bij zijn aanhouding met geweld heeft verzet tegen verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] . Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, namelijk dat dit enkel voortkwam uit emotie en de stresssituatie, leidt niet tot een ander oordeel.
De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden voor het overige reeds hun weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof ziet geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid daarvan te twijfelen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
wederspannigheid, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, ook gelet op de bepleite vrijspraken, verzocht om bij een strafoplegging te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de verdachte zijn woning zal verliezen en hij zijn leven opnieuw vorm zal moeten geven indien hij tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld die het voorarrest overstijgt. Voorts dient rekening gehouden te worden met het tijdsverloop in de onderhavige zaak, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere pogingen tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan politieagenten. De verdachte heeft een stopteken van de politie genegeerd waarna een achtervolging ontstond waarbij meerdere politievoertuigen waren betrokken. Tijdens die achtervolging heeft de verdachte een aantal zeer gevaarlijke verkeersmanoeuvres uitgevoerd. Hij is ingereden op een politievoertuig en hij is met hoge snelheid meerdere keren tegen een eveneens met hoge snelheid rijdend politievoertuig gereden. De verdachte heeft koste wat kost aan een aanhouding willen ontkomen en heeft zijn eigen belangen zwaarder laten wegen dan de veiligheid van de betrokken politieambtenaren en andere weggebruikers. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het voorval een grote impact heeft gehad op de betrokken politieambtenaren. Zij hebben zich in een zeer bedreigende, hectische en zeer stressvolle situatie bevonden. Hier hebben zij tot de dag van vandaag last van. Dit rekent het hof de verdachte zeer aan.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van politieambtenaren en wederspannigheid. Het is van groot maatschappelijk belang dat politieambtenaren hun werkzaamheden kunnen doen en niet worden tegengewerkt of belemmerd in de uitoefening van hun functie. De verdachte heeft door zijn gedragingen het gezag en respect dat de politie toekomt in ernstige mate miskend.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ook blijkt daaruit dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in de proeftijd liep van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wegens een veroordeling in februari 2021 voor geweldpleging tegen de politie. Deze omstandigheden hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke strafbare feiten. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de reclasseringsrapporten van 9 juli 2024 en 20 november 2024. De reclassering heeft daarin gerapporteerd dat er enkele leefgebieden van de verdachte zijn die een risicofactor vormen voor delictgedrag. De verdachte heeft een beperkt inkomen en geen structurele dagbesteding. Daarbij schat de reclassering in dat vooral het middelengebruik, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte risicofactoren voor delictgedrag vormen. Middelengebruik loopt als een rode draad door het leven van de verdachte en is in het verleden duidelijk delictgerelateerd gebleken. Wat betreft het psychosociaal functioneren werd de verdachte in het verleden onder andere gediagnosticeerd met ADHD, waren er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek en zou er sprake zijn van een beneden gemiddeld functioneren. In het reclasseringsrapport van 9 juli 2024 werd het risico op recidive ingeschat als hoog. In het reclasseringsrapport van 20 november 2024 kon dat risico niet worden ingeschat doordat er geen contact met de verdachte tot stand is gekomen. De reclassering adviseert oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat de verdachte een huurwoning heeft, dat hij een WIA-uitkering ontvangt en dat hij met schuldhulpverlening bezig is zijn schulden af te betalen. Hij is gediagnosticeerd met ADHD.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest in beginsel passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in dit geval de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 11 april 2021 – vonnis wijst. Nu de rechtbank op 18 december 2024 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg geschonden met ongeveer 1 jaar en 8 maanden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof in de zaak met parketnummer 03-098802-21 zowel ter zake van feit 1 als feit 2 subsidiair aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Alles afwegende acht het hof telkens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 943,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost op de onder feit 2 subsidiair van parketnummer 03-098802-21 bewezenverklaarde poging zware mishandeling.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft door de poging zware mishandeling letsel opgelopen aan haar rechterbeen/-knie. Bovendien brengen de aard en de ernst van de normschending naar het oordeel van het hof mee dat de in dit verband door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft toegelicht welke gevolgen zij daarvan heeft ondervonden. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof stelt de immateriële schade als gevolg van de poging zware mishandeling naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 943,00.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 03-098802-21 feit 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 943,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 925,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost op de onder feit 2 subsidiair van parketnummer 03-098802-21 bewezenverklaarde poging zware mishandeling.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] door het onder parketnummer 03-098802-21 feit 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en de namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring leidt het hof af dat de bewezenverklaarde poging zware mishandeling een grote impact op de benadeelde heeft gehad, waar hij nog geruime tijd na het bewezenverklaarde (geestelijk) last van heeft ondervonden en nog steeds ondervindt. Hij heeft nog steeds last van herbelevingen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof stelt de immateriële schade als gevolg van de poging zware mishandeling naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 925,00.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 03-098802-21 feit 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 925,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 925,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost op de onder feit 1 van parketnummer 03-098802-21 bewezenverklaarde poging zware mishandeling.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 3] door het onder parketnummer 03-098802-21 feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en de namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring leidt het hof af dat de bewezenverklaarde poging zware mishandeling een grote impact op de benadeelde heeft gehad, waar hij nog geruime tijd na het bewezenverklaarde (geestelijk) last van heeft ondervonden en nog steeds ondervindt. Hij heeft nog steeds last van herbelevingen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof stelt de immateriële schade als gevolg van de poging zware mishandeling naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 925,00.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 03-098802-21 feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van
€ 925,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 943,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost op de onder feit 1 van parketnummer 03-098802-21 bewezenverklaarde poging zware mishandeling.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft door de poging zware mishandeling letsel opgelopen aan zijn knie en linker pols. Bovendien brengen de aard en de ernst van de normschending naar het oordeel van het hof mee dat de in dit verband door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft toegelicht welke gevolgen hij daarvan heeft ondervonden. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof stelt de immateriële schade als gevolg van de poging zware mishandeling naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 943,00.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 03-098802-21 feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 4] is toegebracht tot een bedrag van
€ 943,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 175,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost op de onder feit 3 van parketnummer
03-098802-21 bewezenverklaarde verbale bedreiging.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is slechts sprake als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Tegen die achtergrond overweegt het hof als volgt.
De gevorderde immateriële schade voor de bewezenverklaarde bedreiging, zou enkel voor toewijzing in aanmerking kunnen komen indien vastgesteld kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat de vordering daartoe onvoldoende is onderbouwd. Ook anderszins is onvoldoende gebleken van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het hof merkt daarbij op dat de wetgever hoge eisen stelt aan een toewijzing van immateriële schade bij een bewezenverklaarde bedreiging, nu in dit soort zaken de aard en de ernst van de normschending niet zonder meer de nadelige gevolgen voor de benadeelde meebrengen. De benadeelde partij heeft weliswaar gesteld dat de bedreigende woorden van de verdachte (“Jij bent de volgende keer van mij, ik maak je af als een hond”) in zijn hoofd bleven rondzingen en dat hij er een ongemakkelijk gevoel aan overhield, maar meer of minder sterk psychisch onbehagen, zoals in het onderhavige geval, is geen geestelijk letsel en is onvoldoende om de hiervoor bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ aan te nemen zodat het (op zichzelf) geen grond oplevert voor vergoeding van immateriële schade. Naar het oordeel van het hof is er onder deze omstandigheden geen sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Om die reden ziet het hof – op grond van de thans beschikbare stukken – geen mogelijkheid tot het toewijzen van de gevorderde immateriële schade op grond van de onder feit 3 van parketnummer 03-098802-21 bewezenverklaarde bedreiging.
Gelet op het bovenstaande zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] worden afgewezen. Het hof zal de benadeelde partij tevens veroordelen in de kosten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost zowel op de onder feit 3 van parketnummer 03-098802-21 tenlastegelegde maar ten aanzien van [benadeelde 6] niet bewezenverklaarde bedreiging als op de onder feit 2 van parketnummer 03-314601-22 bewezenverklaarde belediging.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hiervoor is overwogen, acht het hof de onder parketnummer 03-098802-21 feit 3 aan de verdachte tenlastegelegde bedreiging van [benadeelde 6] niet bewezen. De onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 aan de verdachte tenlastegelegde belediging van [benadeelde 6] acht het hof wel bewezen.
De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 6] als gevolg van het onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, bestaande uit belediging van [benadeelde 6] door deze op zijn gezicht te spugen, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij hierdoor in zijn eer of goede naam is geschaad.
Ter bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft het hof rekening gehouden met de aard van de normschending en de omstandigheid dat de benadeelde partij als agent werkzaam was toen het bewezenverklaarde gebeurde. Het hof begroot de omvang van deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 400,00. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade af.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
SchadevergoedingsmaatregelOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 6] is toegebracht tot een bedrag van
€ 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de schriftelijke vordering tot schadevergoeding ziet de immateriële schadepost zowel op de onder feit 3 van parketnummer 03-098802-21 tenlastegelegde maar ten aanzien van [benadeelde 7] niet bewezenverklaarde bedreiging als op de onder feit 2 van parketnummer 03-314601-22 bewezenverklaarde belediging.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hiervoor is overwogen, acht het hof de onder parketnummer 03-098802-21 feit 3 aan de verdachte tenlastegelegde bedreiging van [benadeelde 7] niet bewezen. De onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 aan de verdachte tenlastegelegde belediging van [benadeelde 7] acht het hof wel bewezen.
De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde ander nadeel dan vermogensschade. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 7] als gevolg van het onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, bestaande uit belediging van [benadeelde 7] door deze op zijn (politie)kleding te spugen, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij hierdoor in zijn eer of goede naam is geschaad.
Ter bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft het hof rekening gehouden met de aard van de normschending en de omstandigheid dat de benadeelde partij als agent werkzaam was toen het bewezenverklaarde gebeurde. Het hof begroot de omvang van deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 400,00. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade af.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 03-314601-22 feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 7] is toegebracht tot een bedrag van
€ 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 180, 266, 267, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer
03-314601-22 onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
32 (tweeëndertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren;
ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2021;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 943,00 (negenhonderddrieënveertig euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 943,00 (negenhonderddrieënveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2021;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 943,00 (negenhonderddrieënveertig euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 943,00 (negenhonderddrieënveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2021;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-098802-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2021;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] tot schadevergoeding af;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2021;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-314601-22 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 april 2021.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 15 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.