In deze zaak stond de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht centraal, waarbij betrokkene werd verdacht van het verkrijgen van wederrechtelijk voordeel als intermediair in de hennephandel. De rechtbank Limburg had het voordeel vastgesteld op € 82.069,44 en een betalingsverplichting opgelegd.
Het hof heeft het bewijs, waaronder onderschepte sms-berichten met versluierd taalgebruik over hennephandel, opnieuw gewogen en geconcludeerd dat niet alle transacties tot daadwerkelijke leveringen hebben geleid. Het hof schat dat tweederde van de transacties daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en corrigeert dubbeltellingen en optelsommen in de rapportage. Hierdoor komt het geschatte voordeel uit op € 13.261,00.
De verdediging betwistte de extrapolatie van de referentieperiode naar de gehele onderzoeksperiode, wat het hof onderschrijft. Het hof acht de referentieperiode niet representatief voor de gehele periode en verwerpt extrapolatie.
Verder constateert het hof een overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep, wat leidt tot een matiging van de betalingsverplichting met 10%, waardoor de betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 11.935,00. Tevens bepaalt het hof de maximale duur van gijzeling op 238 dagen, conform wettelijke voorschriften.