Betrokkene werd veroordeeld voor betrokkenheid als intermediair in de hennephandel, waarbij de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelde op € 49.778,43. In hoger beroep betwistte betrokkene de hoogte van dit bedrag. Het hof heeft de bewijsmiddelen, waaronder onderschepte sms-berichten met versluierd taalgebruik over hennephandel, opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat slechts tweederde van de transacties daadwerkelijk tot levering heeft geleid.
Op basis van de sms-berichten en het ontnemingsrapport schat het hof het voordeel op € 13.459, verminderd met brandstofkosten, en wijst het de extrapolatie van de rechtbank af omdat de referentieperiode niet representatief is voor de gehele onderzoeksperiode. Het hof legt de betalingsverplichting vast op € 12.113 na een matiging van 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep.
De redelijke termijn werd overschreden met ruim vier jaar in eerste aanleg en ruim vier jaar in hoger beroep. Het hof achtte de overschrijding strafmatigend en matigde de betalingsverplichting dienovereenkomstig. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling op 242 dagen, gebaseerd op de hoogte van de betalingsverplichting en de wettelijke normen.
Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk lager wordt vastgesteld dan eerder en de betalingsverplichting wordt aangepast met inachtneming van de termijnoverschrijding.