ECLI:NL:GHSHE:2026:591

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/124
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 3 belastingverdrag Nederland-BraziliëArt. 11 lid 4 belastingverdrag Nederland-BraziliëArt. 23 lid 4 sub b belastingverdrag Nederland-Brazilië
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat Interest on Net Equity onder dividendartikel belastingverdrag valt

In deze bestuursrechtelijke zaak staat de kwalificatie van Interest on Net Equity (IoNE) uit Brazilië centraal. Belanghebbende, houdster van bijna alle aandelen in een Braziliaanse entiteit, ontving in 2018 een bruto inkomen in de vorm van IoNE. De inspecteur kwalificeerde deze betaling als interest en paste een tax sparing credit van 20% toe, terwijl belanghebbende stelde dat het dividend betrof en een ander tarief van toepassing moest zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, waarna de inspecteur hoger beroep instelde. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak van juli 2025 waarin dezelfde kwalificatie werd bevestigd.

Het hof oordeelt dat IoNE een vergoeding is die uitsluitend aan aandeelhouders wordt betaald in hun hoedanigheid als aandeelhouder, berekend op basis van het netto eigen vermogen, en dat dit onder het dividendartikel van het belastingverdrag valt. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten en moet griffierecht betalen. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 maart 2026.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt dat IoNE onder het dividendartikel van het belastingverdrag valt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/124
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 december 2023, nummer BRE 23/1352, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een beschikking voort te wentelen bronbelasting 2018 vastgesteld.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende houdt 99,97% van de aandelen in [Ltda] Ltda (hierna: [Ltda] ). Het betreft een in Brazilië gevestigde entiteit.
2.2.
Belanghebbende heeft op 27 december 2018 een (bruto) inkomen van USD 19.131.109 ontvangen van [Ltda] . Het betreft ‘Juros sobre o Capital Próprio’ (JCP) oftewel IoNE.
2.3.
IoNE is in de Braziliaanse belastingwet geïntroduceerd door artikel 9 Wet Pro (LEI) nr. 9.249/95 van 26 december 1995 en heeft in ieder geval de volgende kenmerken:
De IoNE is een vergoeding die door een vennootschap uitsluitend aan aandeelhouders wordt betaald in hun hoedanigheid van aandeelhouder, in verhouding tot hun aandelenbezit en op basis van het netto eigen vermogen van de uitkerende vennootschap.
Deze vergoeding wordt berekend door het toepassen van het Braziliaanse officiële rentepercentage dat geldt voor langetermijnleningen.
De betaling van IoNE is niet verplicht voor een vennootschap, de betaling berust op een aandeelhoudersbesluit.
Bij de uitkering van IoNE gelden twee limieten: (i) 50% van de jaarwinst vóór aftrek van IoNE en winstbelasting (maar na aftrek van de sociale bijdrage) en (ii) 50% van de totale winstreserves van de uitkerende vennootschap.
De betaalde IoNE is aftrekbaar in de winstbelasting voor de betalende vennootschap.
De IoNE wordt onderworpen aan een bronheffing van 15%, die verrekenbaar is met de winstbelasting voor in Brazilië gevestigde entiteiten-aandeelhouders en een eindheffing vormt voor in Brazilië woonachtige natuurlijke personen en buitenlandse belastingplichtigen.
Een bronheffing naar een tarief van 25% is van toepassing indien de IoNE wordt betaald aan buitenlands belastingplichtigen in laagbelaste jurisdicties.
2.4.
Bij de vaststelling van de beschikking voort te wentelen bronbelasting 2018 heeft de inspecteur in verband met de ontvangen IoNE een tax sparing credit van 20% van USD 19.131.109, te weten USD 3.826.222, in aanmerking genomen op grond van artikel 23, lid 4, sub b, van het belastingverdrag Nederland-Brazilië (hierna: het Verdrag). [1] Volgens de inspecteur kwalificeert de ontvangen IoNE als interest in de zin van artikel 11, lid 4, van het Verdrag.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een tax sparing credit tegen een tarief van 20% of tegen een tarief van 25%. Voor de beantwoording van die vraag zal het hof, voor zover als nodig, de volgende deelvragen behandelen:
I. Kwalificeert IoNE voor de toepassing van het Verdrag als dividend en/of als interest?
II. Indien IoNE onder beide verdragsbepalingen kan vallen: welk artikel heeft voorrang?
III. Moet met de tot stand gekomen overeenstemming tussen Nederland en Brazilië in het MAP-besluit [2] rekening worden gehouden?
IV. Indien de (doorslaggevende) kwalificatie van IoNE interest vormt: zijn het vertrouwens- en/of het gelijkheidsbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel geschonden omdat IoNE voorheen als dividend werd geaccepteerd?
3.2.
De inspecteur concludeert tot een gegrond hoger beroep, tot een doorslaggevende kwalificatie van IoNE als interest en daarmee tot een tax sparing credit van 20%. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Het hof is van oordeel dat het gelijk aan belanghebbende is. Het hof verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de uitspraak van het hof van 30 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2121. [3]
Tussenconclusie
4.2.
Het hoger beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.3.
De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 559, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.4.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is.
4.5.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) [4] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 934.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 934.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, W.W. Monteiro en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 8 maart 1990 (belastingverdrag), Trb. 1990, 67. Het belastingverdrag is op 20 november 1991 in werking getreden en is vanaf 1 januari 1992 van toepassing. De tekst van het belastingverdrag is gebaseerd op het OESO-modelverdrag 1977.
2.Besluit bevestiging kwalificatie Braziliaanse interest on net equity van 16 maart 2022, Stcrt. nr. 2022, 8330.
3.Zie ook de conclusies van de Advocaat-Generaal Wattel van 7 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025: 1198, 2025:1199 en 2025:1200 (met een gemeenschappelijke bijlage 2025:1284).
4.1 punt voor het verweerschrift in hoger beroep, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.