ECLI:NL:GHSHE:2026:596

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/842
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:2 lid 1 AwbArt. 67a AWRArt. 9 lid 3 AWRArtikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verzuimboete inkomstenbelasting 2019 wegens niet doen aangifte

Belanghebbende, die vier jaar in voorlopige hechtenis in Spanje verbleef, deed geen aangifte inkomstenbelasting 2019. De inspecteur legde een aanslag met belastingrente en een verzuimboete op. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door de inspecteur en later door de rechtbank.

In hoger beroep stelt belanghebbende dat het hoorrecht is geschonden omdat hij niet is uitgenodigd voor een hoorgesprek. Het hof oordeelt dat het hoorrecht inderdaad is geschonden, omdat de inspecteur niet heeft geprobeerd een hoorgesprek op een andere wijze of plaats te organiseren. Desondanks gaat het hof met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro aan deze schending voorbij, omdat belanghebbende niet is benadeeld; hij heeft zijn standpunten uitgebreid schriftelijk kunnen toelichten en verzocht om afdoening zonder zitting.

Het hof bevestigt dat de verzuimboete terecht en passend is opgelegd, mede vanwege stelselmatig verzuim. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, ondanks zijn detentieperiode. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht voor zowel bezwaar- als beroepsfase, vanwege de schending van het hoorrecht.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank wegens schending van het hoorrecht, bevestigt de verzuimboete en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/842
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Spanje),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 mei 2024, nummer BRE 23/2252, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 919, waarbij bij beschikking belastingrente van € 24 in rekening is gebracht en een verzuimboete van € 2.757 is opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op verschillende momenten in de procedure nadere stukken ingediend.
1.6.
Het hof heeft, met telefonische instemming van partijen, bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft gedurende vier jaren in voorlopige hechtenis gezeten in een Spaanse gevangenis. De voorlopige hechtenis heeft geduurd van oktober 2018 tot oktober 2022.
2.2.
Belanghebbende is in 2020 uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2019. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan.
2.3.
Met dagtekening 23 november 2022 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag inkomstenbelasting 2019 met belastingrente aan belanghebbende opgelegd, alsmede een verzuimboete vanwege het niet doen van aangifte. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete en de beschikking belastingrente.
2.4.
De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan, zonder belanghebbende te horen. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur hieromtrent het volgende opgenomen:
Horen
In uw bezwaarschrift geeft u op pagina 15 aan dat u niet bereid bent om naar een belastingkantoor te komen voor een hoorgesprek. U eist een hoorgesprek op 'neutraal terrein' en verzoekt op pagina 17 om het hoorgesprek te laten plaatsvinden in Spanje. Aan dit verzoek kom ik niet tegemoet. Ook de mogelijkheid om een hoorgesprek telefonisch of via Webex te laten plaatsvinden wijst u af. Om die reden heeft er geen hoorgesprek plaatsgevonden.”
2.5.
Aan belanghebbende zijn in de hierna genoemde belastingjaren de navolgende verzuimboeten opgelegd vanwege het niet of niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting:
Belastingjaar
Aangifte (tijdig)
gedaan?
Verzuimboete
2014
Nee
€ 4.920
2015
Ja, niet tijdig
€ 369
2016
Nee
€ 2.639
2017
Nee
€ -
2018
Nee
€ 369
2019
Nee
€ 2.757
Over het belastingjaar 2017 is geen verzuimboete opgelegd, omdat belanghebbende voor dat jaar niet is aangemaand.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?
II. Heeft de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd?
III. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van kosten voor de bezwaarfase en van proceskosten bij de rechtbank?
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vragen I en III bevestigend en vraag II ontkennend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Vraag I: heeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?
4.1.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoorrecht in bezwaar niet is geschonden. Volgens de inspecteur kan hij niet worden verplicht het hoorgesprek te laten plaatsvinden op een door de belanghebbende aan te wijzen plaats. Vanwege de stelligheid van belanghebbende met betrekking tot de aan te wijzen plaats van het horen, is belanghebbende volgens de inspecteur terecht niet in de gelegenheid gesteld op een andere wijze of op een andere plaats te worden gehoord. Van strijdigheid met de beginselen van behoorlijk bestuur is volgens de inspecteur geen sprake.
4.2.
Het hof stelt voorop dat voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist, het belanghebbende op grond van artikel 7:2, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid dient te stellen te worden gehoord. Vast staat dat de inspecteur belanghebbende die gelegenheid niet heeft geboden. De door de inspecteur daarvoor aangedragen redenen, acht het hof niet voldoende. Weliswaar kan aan de inspecteur worden toegegeven dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift het standpunt heeft ingenomen dat hij op de door hem genoemde plaats (in Spanje) moet worden gehoord, maar belanghebbende heeft in het bezwaarschrift eveneens uitdrukkelijk gesteld niet af te zien van zijn recht om gehoord te worden. Gelet hierop had het naar het oordeel van het hof op de weg van de inspecteur gelegen om alvorens uitspraak op bezwaar te doen belanghebbende te berichten over het standpunt van de inspecteur aangaande de plaats van het horen en belanghebbende vervolgens uit te nodigen voor een hoorgesprek op een door de inspecteur aan te gegeven datum, (digitale) plaats en tijdstip. [1] Nu van een dergelijke uitnodiging niet is gebleken, acht het hof het hoorrecht geschonden.
4.3.
Naar het oordeel van het hof kan in dit geval aan schending van het hoorrecht voorbij worden gegaan, omdat belanghebbende naar het oordeel van het hof door de gang van zaken met betrekking tot het horen niet is benadeeld. Bij dit oordeel neemt het hof in aanmerking dat belanghebbende zijn bezwaren zowel in beroep als in hoger beroep uitgebreid schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en belanghebbende overigens ook, meerdere malen, van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat belanghebbende zowel bij de rechtbank als bij het hof is uitgenodigd voor een zitting, maar dat hij heeft verzocht om de zaak zonder zitting te behandelen. Bij de rechtbank is namens belanghebbende ter zitting niemand verschenen en bij het hof heeft belanghebbende toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. Het hof zal daarom met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro aan dit vormverzuim voorbij gaan.
Vraag II: Heeft de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd?
4.4.
De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld:
“Is de verzuimboete terecht (…) opgelegd?
6. Aan de belastingplichtige, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd van € 5.514.2 Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van zeven procent van het wettelijk maximum van € 5.514, ofwel € 385.3 In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is, kan een boete tot het wettelijk maximum worden opgelegd.4
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte over het jaar 2019. Vast staat dat de aangifte niet is ingediend. Daarom is sprake van een verzuim. Dat betekent dat de verzuimboete als uitgangspunt terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Voetnoten:
2 Artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 9, derde lid, AWR.
3. Paragraaf 21, tweede lid, van het Beluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).
4. Paragraaf 21, zesde lid, BBBB.”
4.5.
Het hof acht het oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne.
4.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). De inspecteur betwist dit.
4.6.1.
Belanghebbende stelt dat de bewijslast met betrekking tot avas niet op hem mag rusten. Volgens belanghebbende komt een dergelijke bewijslastverdeling in strijd met artikel 6 EVRM Pro, met de onschuldpresumptie en met het Unierecht. Het hof verwerpt deze stelling onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 [2] . In dat arrest is geoordeeld dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot (onder meer) avas niet op de inspecteur rusten maar op de belanghebbende.
4.6.2.
Voor een geslaagd beroep op avas is het dus aan belanghebbende om te stellen en – bij betwisting – aannemelijk te maken dat hij in de gegeven omstandigheden alle in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat het verzuim niet zou worden begaan. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende niet aan die bewijslast voldaan. Belanghebbende verwijst naar de periode dat hij in detentie heeft gezeten. Detentie is een omstandigheid die in beginsel voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Vast staat immers dat het regime van volledige beperkingen ten tijde van de uitnodiging tot het doen van aangifte was beëindigd. Van belanghebbende mocht worden verwacht dat hij zo nodig iemand zou machtigen om de aangifte in te dienen. Daarbij acht het hof van belang dat belanghebbende in de periode dat de aangifte moest worden ingediend een gemachtigde had en dat gemachtigde met de belastingdienst contact heeft gehad over het doen van aangifte. Dat het objectief onmogelijk was om gedurende de periode van zijn detentie aangifte te doen, zoals belanghebbende heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen belanghebbende verder hierover nog heeft aangevoerd acht het hof eveneens onvoldoende.
4.7.
Dit brengt het hof tot de slotsom dat aan belanghebbende terecht een boete is opgelegd. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat sprake is van stelselmatig verzuim, acht het hof de opgelegde verzuimboete passend en geboden.
4.8.
Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog naar voren heeft gebracht, leidt het hof niet tot een ander oordeel.
Vraag III: Heeft belanghebbende recht op vergoeding van kosten voor de bezwaarfase en van proceskosten bij de rechtbank?
4.9.
In de schending van het hoorrecht ziet het hof aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten bij de rechtbank. Het hof zal dienaangaande een wegingsfactor van 0,25 toepassen. Voorts bestaat recht op vergoeding van het bij de rechtbank voldane griffierecht. Voor een vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase bestaat geen aanleiding.
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het hoger beroep gegrond is vanwege het feit dat de rechtbank wegens schending van het hoorrecht een vergoeding van proceskosten had moeten uitspreken.
4.13.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor zowel het beroep bij de rechtbank als het hoger beroep bij het hof op 1 (punt) [3] x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 233,50.
4.14.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voorzover daarin geen beslissing over het griffierecht en de proceskosten is opgenomen;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van het beroep en het hoger beroep aan de zijde van de belanghebbende, tot een bedrag van in totaal € 467;
  • gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het in (beroep en) hoger beroep betaalde griffierecht vergoed, tot een bedrag van, in totaal, € 188.
De uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller M.H. van Schaik
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.
3.1 punt voor (hoger) beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.