In deze zaak staat de ontnemingsvordering ex artikel 36e Sr centraal tegen betrokkene, die als intermediair in de hennephandel is veroordeeld. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €1.844.240,29, maar het hof vernietigt dit vonnis en stelt het voordeel aanzienlijk lager vast op €428.582.
Het hof oordeelt dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat betrokkene voordeel uit hennepteelt heeft genoten en dat niet alle in sms-gesprekken genoemde transacties tot daadwerkelijke leveringen hebben geleid. Het hof neemt aan dat tweederde van de transacties daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en baseert daarop de schatting van het voordeel. Daarnaast wijst het hof extrapolatie van de referentieperiode naar de gehele onderzoeksperiode af, omdat de verdediging dit gemotiveerd betwist en de feiten dit niet ondersteunen.
De betalingsverplichting wordt vastgesteld op €428.582, na aftrek van brandstof- en telefoonkosten. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep matigt het hof de betalingsverplichting met 10%, waardoor het bedrag op €476.203 wordt gesteld. Tevens bepaalt het hof de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen, conform artikel 36e lid 11 Sr.
Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 5 maart 2026, waarbij het vonnis van de rechtbank Limburg van 5 november 2019 wordt vernietigd en opnieuw recht wordt gedaan.