ECLI:NL:GHSHE:2026:619

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
200.361.579_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 3 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a lid 1 BWArt. 810 RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over terugverhuizing minderjarige in belang van contactherstel met vader

De moeder is zonder overleg en toestemming met de minderjarige ruim 150 km van de vader verhuisd, terwijl er een procedure liep over gezamenlijk gezag en contactherstel. De rechtbank wees het verzoek van de vader om terugverhuizing af, maar het hof vernietigt dit oordeel en acht terugverhuizing in het belang van het kind.

De vader betoogt dat de verhuizing onnodig was, het contact met hem bemoeilijkt en dat de moeder haar verplichtingen niet nakomt. De moeder stelt dat zij en het kind in de nieuwe omgeving zijn gewend en dat er sprake is van angst en onveiligheid jegens de vader. De gecertificeerde instelling en de raad wijzen op het belang van contactherstel en de problematiek rond schoolverzuim en emotionele problemen van het kind.

Het hof weegt de belangen en constateert dat de verhuizing niet goed is voorbereid, de moeder haar informatieplicht niet nakomt en het kind nog steeds problemen ondervindt. Daarom wordt de moeder gelast terug te verhuizen naar de omgeving van de vader binnen een straal van 20 km, uiterlijk voor het schooljaar 2026/2027, met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitkomst: Het hof gelast de moeder terug te verhuizen met de minderjarige naar de omgeving van de vader binnen 20 km, uiterlijk voor het schooljaar 2026/2027, met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 maart 2026
Zaaknummer : 200.361.579/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/322782 / FA RK 23-3723
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. van Riet,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J. Brouwer.
Deze zaak gaat over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende merkt het hof aan:
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 13 augustus 2025 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:
  • bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] ;
  • bepaald dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader in eerste instantie onder begeleiding van een professional en onder regie van de GI zullen plaatsvinden, waarbij rekening houdend met het tempo van [minderjarige] het uitgangspunt moet zijn dat toegewerkt wordt naar een (onbegeleide) zorgregeling waarbij [minderjarige] een weekend per veertien dagen alsmede de helfte van de vakanties en feestdagen bij de vader zal gaan verblijven;
  • het verzoek van de vader om [minderjarige] te laten terugverhuizen naar (de omgeving binnen een straal van 25 kilometer van) [woonplaats vader] op straffe van een dwangsom afgewezen.
2.2.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 november 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking deels te vernietigen en alsnog te bepalen dat:
  • de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt via een BOR waarbij wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vader verblijft alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een dusdanige zorgregeling die het hof in goede justitie mag vermenen te behoren;
  • de moeder wordt veroordeeld om binnen één maand na het verschijnen van de beschikking met [minderjarige] terug te verhuizen naar [woonplaats vader] of in de directe omgeving van [woonplaats vader] binnen een straal van 20 km, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, althans een dusdanige beslissing als het hof in goede justitie mag vermenen te behoren.
2.3.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 december 2025, heeft de moeder verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door mr. Van Riet;
  • de moeder, bijgestaan door mr. Brouwer;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.6.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de brief met bijlagen d.d. 16 december 2025 namens de vader;
  • de brief met bijlage d.d. 17 december 2025 namens de vader;
  • de brief d.d. 18 december 2025 met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 juni 2025 namens de vader;
  • een volledig afschrift van de bestreden beschikking, ingekomen op 19 januari 2026;
  • de tijdens de mondelinge behandeling namens de vader overgelegde brief van de school d.d. 15 januari 2026.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren. In juni 2023 is de relatie geëindigd.
3.2.
[minderjarige] woont bij de moeder. Tevens heeft de moeder uit een eerdere relatie een dochter [halfzus] , geboren op [geboortedatum] 2012, die ook bij haar woont.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 6 juni 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Limburg. Deze maatregel is steeds verlengd tot 6 juni 2020.
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank van 8 maart 2024 is aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] vervolgens op 11 juli 2024 erkend.
3.5.
De moeder is in februari 2025 met [minderjarige] en [halfzus] van [woonplaats vader] naar [woonplaats moeder] verhuisd.
3.6.
Bij beschikking van de rechtbank van 25 juni 2025 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 25 juni 2026.

4.De beoordeling

4.1.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader het verzoek met betrekking tot de begeleide zorgregeling ingetrokken omdat er inmiddels een jeugdbeschermer aan de zaak is verbonden en de vader het in dat verband van belang acht dat de GI de regie pakt met betrekking tot het contactherstel tussen [minderjarige] en hem.
De vader voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hoewel de moeder heeft nagelaten de vader te consulteren over de verhuizing met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] , dat niet betekent dat de moeder de daadwerkelijke beslissing tot verhuizing niet had mogen nemen omdat zij op dat moment eenhoofdig was belast met het gezag over [minderjarige] . Er was en is geen enkele noodzaak tot verhuizing naar [woonplaats moeder] . De ouders hebben een turbulente relatie gehad, maar er is nooit sprake geweest van geweld. De vader heeft altijd samen met de moeder voor beide kinderen gezorgd. De vader heeft de indruk dat de moeder is verhuisd om de vader uit beeld te krijgen. De moeder heeft nog steeds niet concreet gemaakt voor welke hulpverlening en waar zij op de wachtlijst staat, zodat de vader zich afvraagt of deze hulp er wel gaat komen. De verhuizing doorkruiste het hulpverleningstraject en het onderzoek van de raad en zette de vader nog verder buiten spel. Door de verhuizing wordt de kans op contactherstel nog geringer. Er is sinds juli 2023 geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft eerder geweigerd om mee te werken aan de BOR-trajecten. Doordat de GI zeven maanden lang geen uitvoering heeft kunnen geven aan de ondertoezichtstelling vanwege capaciteitsproblemen, is er ook al die tijd geen enkele invloed uitgeoefend door de GI op de moeder om haar te bewegen om de vader zijn rol als ouder te laten vervullen. De moeder heeft wederom allerlei toezeggingen gedaan tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank om een positiever beeld van zichzelf te schetsen, maar in de praktijk komt zij haar beloftes niet na. Ook de maandelijkse informatieplicht komt zij ondanks de verbeurde dwangsommen niet na. De moeder gaat al jaren geheel haar eigen gang en trekt zich van de rechtbank en hulpverleningsinstanties niets aan. Zij handelt alleen in haar eigen belang. Ten onrechte heeft de rechtbank ook overwogen dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om terug te verhuizen. Dat het volgens de moeder op dit moment goed zou gaan met [minderjarige] in [woonplaats moeder] is onjuist. De vader heeft vanuit het zorgteam van de school van [minderjarige] begrepen dat het niet goed gaat met [minderjarige] . Er is sprake van schoolverzuim, de leerplichtambtenaar is betrokken geraakt en er zou al meermaals geprobeerd zijn om contact te zoeken met de moeder. De vader wist eerder niet op welke school [minderjarige] zat en heeft na het ontvangen van de brief begrepen dat de school niet wist dat hij ook gezag heeft over [minderjarige] . De vader vindt het erg voor [minderjarige] dat er zoveel over hem wordt beslist, en dat hij alle consequenties maar moet dragen. De vader realiseert zich dat een terugverhuizing naar (de omgeving van) [woonplaats vader] opnieuw stress en onrust met zich zal meebrengen. Het gedrag van de moeder mag echter niet worden beloond. De moeder heeft toegezegd dat zij [minderjarige] zal halen en brengen in de omgangsweekenden, maar de vader heeft daar geen vertrouwen in gelet op de houding van de moeder en mede gelet op de kosten en de reisafstand nu de moeder afhankelijk is van het openbaar vervoer.
4.2.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft er om redenen uit het verleden bewust voor gekozen om zo ver mogelijk bij de vader vandaan te gaan wonen. Er is geen goed contact tussen de ouders. De moeder is bang voor de vader en ook [minderjarige] heeft een afkeer van de vader. Hij heeft nu eenmaal te vaak de agressieve kant van de vader meegemaakt. De moeder heeft meermaals aangifte van mishandeling gedaan. Dit waren veelal een-op-een situaties en er was ondanks blauwe plekken, roodheid in het gezicht, en de kinderen die overstuur waren onvoldoende bewijs om de vader te vervolgen. De moeder heeft jarenlang een AOL gehad. Zij staat op de wachtlijst voor EMDR. De moeder werkt op dit moment niet vanwege de stress rondom de procedure. De moeder was blij dat er een raadsonderzoek zou komen en zij staat open voor alle vormen van hulpverlening die passend zijn. De agressie van de vader is niet gestopt nadat de ouders uit elkaar gingen. Zo heeft de vader de moeder uitgescholden en een raam ingeslagen nadat ze had laten weten dat ze een nieuwe partner had. Er zit zoveel onbegrip en woede in [minderjarige] richting de vader dat hij niet open staat voor contact met hem.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de moeder en [minderjarige] inmiddels in [woonplaats moeder] zijn gewend. De beste vriendin en de partner van de moeder wonen in [woonplaats moeder] . [minderjarige] gaat met busvervoer naar speciaal onderwijs, heeft op school en in de buurt vriendjes en gaat naar voetbal. Ook [halfzus] gaat naar school en dansles in de omgeving. Er is voor de moeder en de kinderen eindelijk rust ontstaan. De moeder staat open voor de ondertoezichtstelling en hoopt dat [minderjarige] hulp kan krijgen bij traumaverwerking en het contactherstel met de vader. De moeder verzet zich hevig tegen een terugverhuizing. Een terugverhuizing zou betekenen dat [minderjarige] opnieuw op de wachtlijst bij een GI komt voor een vaste jeugdbeschermer. Bovendien volgt de moeder het standpunt niet dat er geen contactherstel kan plaatsvinden en de vader geen invulling kan geven aan zijn gezamenlijke gezag als [minderjarige] in [woonplaats moeder] blijft wonen. De moeder heeft toegezegd dat zij [minderjarige] zal brengen en halen naar de contactmomenten. De vader wil toewerken naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] een keer per veertien dagen een weekend bij hem verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. Mocht deze regeling ooit in het belang van [minderjarige] worden geacht door de GI, ziet de moeder niet in waarom een terugverhuizing dan noodzakelijk is.
Desgevraagd heeft de moeder toegelicht dat zij de informatieregeling niet nakomt. De moeder kon dit niet omdat zij geen advocaat had en niet de beschikking had over het e-mailadres van de vader.
4.3.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. Hoewel de ondertoezichtstelling al in juni 2025 was uitgesproken, is er pas zeer recent, medio sinds januari 2026, een jeugdbeschermer verbonden aan de zaak. De jeugdbeschermer heeft contact met de ouders en onderzoekt welke hulpverlening er ingezet kan gaan worden. De school heeft zorgen geuit over [minderjarige] . Er is, ook recent nog, sprake van veel geoorloofd en ongeoorloofd schoolverzuim. De school gaf aan dat [minderjarige] vaak wordt afgemeld en dat dit niet persoonlijk gebeurt maar via de app van de school. De school kan moeilijk met de moeder in contact komen om de zorgen te bespreken. De school heeft daarom de GI benaderd. De jeugdbeschermer heeft daarna contact opgenomen met de moeder.
4.4.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. Het is van groot belang dat er contact gaat komen tussen [minderjarige] en de vader. Het ligt op de weg van de GI om te onderzoeken hoe dat contact vormgegeven kan worden en daarop stevige regie te voeren. De moeder kan [minderjarige] gelet op zijn leeftijd niet dwingen tot contact, maar het is voor [minderjarige] belangrijk dat hij ziet dat de moeder vertrouwen heeft in de vader. Vanuit de GI kan er systeemgerichte hulp worden ingezet. In het geval van een terugverhuizing zal het voor de moeder mogelijk lastig zijn om een woning in [woonplaats vader] te vinden. Er speelt al veel in het leven van [minderjarige] , waarbij er zorgen zijn op school en hij niet lekker in zijn vel zit, zodat onrust over waar hij gaat wonen mogelijk belastend zal zijn.
4.5.
Het hof overweegt als volgt.
4.5.1.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513) volgt dat in geval van gezamenlijk gezag de rechter op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de mogelijkheid heeft om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden. Ook bij eenhoofdig gezag bestaat een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW Pro). Uitgangspunt is, aldus de Hoge Raad in genoemde uitspraak, dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de niet met het gezag belaste ouder betreft, gewaarborgd door artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en art. 1:377a lid 1 BW, en wat het kind aangaat ook door artikel 9 lid 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie. Voorts bepaalt artikel 1:247 lid 3 BW Pro in dat verband dat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Deze norm richt zich zowel tot ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, als tot de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
4.5.2.
Het hof stelt vast dat in dit geval de rechtbank bij de (bestreden) beschikking van 13 augustus 2025 de ouders gezamenlijk, uitvoerbaar bij voorraad, heeft belast met het gezag over [minderjarige] en dat geen van partijen van deze beslissing in beroep is gekomen. Er is derhalve sprake van gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Dit rechtsfeit dat zich heeft voorgedaan dient het hof thans bij de afweging ex nunc te betrekken. Het hof wijst in dit verband naar r.o. 3.1.3. van genoemde uitspraak waarin de Hoge Raad oordeelde dat in het geval de vader ten tijde van de beslissing van het hof inmiddels gezamenlijk met de moeder met het gezag is belast, artikel 1:253a BW voor het hof een grondslag biedt om de moeder te gelasten terug te verhuizen.
4.5.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van een ouder met de kinderen, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Omstandigheden die volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een rol kunnen spelen zijn:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • hoe goed de verhuizing is voorbereid en doordacht;
  • de voorstellen die zijn gedaan om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;
  • hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
  • hoe vaak er contact plaatsvindt tussen het kind en de niet-verhuizende ouder voor en na de verhuizing;
  • de leeftijd van het kind, zijn mening en in hoeverre hij gewend is aan zijn omgeving of juist aan verhuizingen;
  • de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Het hof benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waaraan ieder afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden. Het hof dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen.
4.5.4.
Het hof is van oordeel dat, mede in het licht van de hiervoor vermelde verhuiscriteria, het verzoek van de vader om de moeder te verplichten terug te verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats vader] alsnog moet worden toegewezen. Het hof zal dat hieronder toelichten.
4.5.5.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de moeder met de verhuizing naar [woonplaats moeder] in strijd met de belangen van de vader en van [minderjarige] heeft gehandeld.
De moeder heeft ook in hoger beroep onvoldoende aangetoond dat er een noodzaak bestond voor deze verhuizing. De moeder heeft slechts aangegeven dat ze vanwege het verleden ver weg van de vader wilde gaan wonen. Hoewel partijen verschillen van visie over wat er tijdens en na het verbreken van de relatie heeft plaatsgevonden, heeft de moeder haar standpunt dat het nodig was om op een dusdanige afstand van de vader – ruim 150 km – te gaan wonen onvoldoende onderbouwd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder niet in beroep is gekomen van de beslissing tot gezamenlijk gezag en zij dus voortaan over iedere belangrijke beslissing over [minderjarige] met de vader moet overleggen. De moeder heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt waarom een verhuizing naar [woonplaats moeder] noodzakelijk was. Er is niet gebleken van het bestaan van enige sociale of economische binding van de moeder met [woonplaats moeder] , de moeder heeft enkel gesteld dat één niet nader aangeduide vriendin daar woont. Haar partner, waar niets van bekend is en met wie de moeder naar haar eigen zeggen niet samenwoont, woonde ten tijde van de verhuizing nog niet in [woonplaats moeder] en de moeder heeft ook geen werk of familie in [woonplaats moeder] .
Daarbij heeft de moeder de verhuizing niet op een juiste wijze voorbereid en doordacht en zij heeft ook niets ondernomen om de gevolgen van de verhuizing voor de vader te verzachten en/of te compenseren. De moeder is in januari 2025 met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] verhuisd terwijl er op dat moment een procedure aanhangig was tussen de ouders over onder andere het gezamenlijk gezag en het contact(herstel) tussen [minderjarige] en de vader, waarvoor op dat moment een raadsonderzoek werd uitgevoerd. Ondanks dat de moeder toen nog eenhoofdig het gezag over [minderjarige] uitoefende, had zij de vader moeten informeren en consulteren over een dergelijke voorgenomen verhuizing. Dit heeft ze nagelaten. Zij is zonder dat [minderjarige] afscheid heeft kunnen nemen van zijn klasgenootjes en school naar een plek verhuisd – zoals verklaard tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep – zo ver mogelijk weg van de vader. Doordat [minderjarige] plotseling uit zijn vertrouwde omgeving is gehaald en is verhuisd van [woonplaats vader] naar [woonplaats moeder] , wordt het contactherstel met de vader ernstig bemoeilijkt. Onder deze omstandigheden had de moeder niet mogen verhuizen zonder toestemming van de vader.
4.5.6.
De rechtbank achtte het echter niet in het belang van [minderjarige] om terug te verhuizen op grond van de stellingen van de moeder dat [minderjarige] (en zijn halfzus) inmiddels gewend zijn in [woonplaats moeder] , dat het in [woonplaats moeder] stukken beter met [minderjarige] gaat en dat hij minder last heeft van zijn angstklachten (buikpijn). Tevens op grond van de stellingen van de moeder dat [minderjarige] (en zijn halfzus) in [woonplaats moeder] naar school gaan, waarbij voor [minderjarige] ook een schoolpsycholoog is betrokken en dat bij het gezin inmiddels het wijkteam is betrokken, de moeder ook een werktraject bij het UWV volgt en ook voornemens is haar EMDR-therapie weer op te pakken. Door op dit moment terug te moeten verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats vader] zou [minderjarige] opnieuw op een wachtlijst voor de hulpverlening komen en zouden [minderjarige] en zijn halfzus weer moeten wisselen van school. In dat verband achtte de rechtbank van belang dat [minderjarige] in [woonplaats moeder] naar school kan blijven gaan, mede gelet op het feit dat [minderjarige] speciaal onderwijs volgt en in het verleden al veel onderwijs heeft gemist. Tot slot woog de rechtbank mee dat het voor de moeder moeilijk zou zijn een woning in de omgeving van [woonplaats vader] te vinden.
4.5.7.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de moeder wel degelijk dient terug te verhuizen naar (de omgeving van) [woonplaats vader] , nu de situatie anders is dan de moeder heeft voorgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat, in tegenstelling tot wat de moeder in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft gesteld, het niet goed gaat met [minderjarige] in [woonplaats moeder] . [minderjarige] – die 10 jaar oud is en op speciaal onderwijs zit – heeft nog steeds last van angstklachten en buikpijn en er is wederom of nog steeds sprake van dusdanig schoolverzuim dat de leerplichtambtenaar betrokken is geraakt. De gestelde rust die de moeder en [minderjarige] zouden ervaren in [woonplaats moeder] is onvoldoende onderbouwd. Dat de moeder inmiddels een werktraject bij het UWV zou volgen is in hoger beroep niet onderbouwd, voorts is de EMDR-therapie voor moeder nog niet gestart.
Hoewel het niet aan de moeder te wijten is dat er pas recent een jeugdbeschermer aan de zaak is verbonden waardoor de BOR (of een soortgelijke begeleide zorgregeling in de regio [woonplaats moeder] ) nog niet van de grond is gekomen, is de moeder ook op geen enkele andere wijze tegemoet gekomen aan het recht van [minderjarige] en de vader op contact, dan wel het op de hoogte blijven van elkaars leven. Het hof kent ook gewicht toe aan de omstandigheid dat de moeder de door de rechtbank in de beschikking van 12 juli 2024 opgelegde informatieregeling niet nakomt en dat in dat verband sinds het vonnis in kort geding van 8 april 2025 dwangsommen worden geïnd. De moeder heeft deze rechterlijke beslissingen naast zich neergelegd, zij betaalt kennelijk liever van haar beperkte inkomen de verbeurde dwangsommen dan dat zij de moeite neemt om een keer per maand een informatieve mail of brief over [minderjarige] aan de vader te sturen. Het argument dat de moeder niet over het e-mailadres van de vader beschikte, maakt dit niet anders. Het ligt op haar weg om hier actief naar op zoek te gaan in plaats van dwangsommen te laten verbeuren. Ze heeft de vader niet geïnformeerd op welke school zij [minderjarige] heeft ingeschreven en ze heeft ook de school van [minderjarige] niet geïnformeerd over het feit dat er inmiddels sprake is van gezamenlijk gezag. Ook na de verhuizing heeft de moeder dus in strijd met haar verplichtingen richting de vader gehandeld, en daarmee niet in het belang van [minderjarige] gehandeld.
Hoewel toegewerkt dient te worden naar een (onbegeleide) weekendregeling tussen [minderjarige] en de vader en een lange reisafstand hier niet per definitie aan in de weg staat, heeft de moeder in het verleden nimmer meegewerkt aan het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, waardoor de eerdere BOR-trajecten niet van de grond zijn gekomen. De verhuizing heeft het realiseren van contactherstel nog verder bemoeilijkt omdat de lange reisafstand meer vraagt van [minderjarige] en hier ook in de opbouw van het contact rekening mee moet worden gehouden. Het hof heeft voorts geen vertrouwen in de toezegging van de moeder dat zij bij een zorgregeling van eenmaal in de veertien dagen [minderjarige] zal gaan brengen en halen, omdat de moeder tot nu toe nergens aan heeft meegewerkt en zelfs de informatieregeling niet nakomt. Daar komt nog bij dat het de vraag is of de moeder het halen en brengen wel feitelijk op zich kan nemen, nu het brengen en halen gelet op de grote reisafstand veel tijd en geld kost. Bovendien is het lange reizen niet in het belang van [minderjarige] , zeker in de opbouwfase wanneer de contacten nog kort zullen zijn.
4.5.8.
Het belang van de moeder op voortzetting of bestendiging van het verblijf in [woonplaats moeder] weegt naar het oordeel van het hof niet zwaarder dan het belang van de vader dat [minderjarige] weer in de omgeving van [woonplaats vader] komt wonen. Daarbij ziet het hof geen redenen waarom een terugverhuizing niet mogelijk is: de moeder is niet gebonden aan werk in [woonplaats moeder] , zij is nog niet gestart met een hulpverleningstraject voor zichzelf in de omgeving [woonplaats moeder] , niet dan wel onvoldoende is gebleken van redenen waarom het belang van de dochter [halfzus] zich verzet om terug te verhuizen naar de vertrouwde omgeving waarin zij en [minderjarige] zijn opgegroeid.
Het hof acht voorts van belang dat er grote zorgen zijn om [minderjarige] . Uit de brief van 15 januari 2026 van het Zorg Advies Team van zijn huidige school voor speciaal onderwijs [school] blijkt dat er niet alleen sprake is van schoolverzuim en dat dit gemeld is aan de leerplichtambtenaar maar ook dat er zorgen zijn over zijn gedrag. De school bericht:
“We maken ons zorgen om zijn gedrag en hoe hij in zijn vel zit. [minderjarige] vindt het heel moeilijk om te vertellen wat er aan de hand is en wat hij voelt. De samenwerking tussen school en u is daarom heel belangrijk. Wij denken dat er meer hulp nodig is voor [minderjarige] .
Er is op verschillende momenten en manieren geprobeerd contact met u te zoeken. Het is ons nog niet gelukt. Het is goed te weten dat we ook contact hebben gehad met de wachtlijst beheerder van Jeugdbescherming Gelderland omdat er een Ondertoezichtstelling (OTS) is uitgesproken. (…)”.
Het hof stelt vast dat het in het raadsrapport van 25 maart 2025 reeds vermelde patroon van veelvuldig schoolverzuim van [minderjarige] en van onbereikbaarheid van de moeder ook in [woonplaats moeder] onverminderd doorgaat. Het hof concludeert dat niet gezegd kan worden dat het met [minderjarige] in [woonplaats moeder] goed gaat dan wel beter gaat dan in [woonplaats vader] . Voorts blijkt uit de beschikking ondertoezichtstelling van 25 juni 2025 dat [minderjarige] op dat moment – zo’n vijf maanden na de verhuizing naar [woonplaats moeder] – zowel op cognitief vlak als op sociaal-emotioneel gebied ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Vanaf zijn geboorte wordt hij geconfronteerd met een gespannen en instabiele relatie tussen de ouders. De ouders communiceren niet en [minderjarige] heeft sinds juli 2023 geen contact meer met de vader. De in 2023 en 2024 in opdracht van de rechtbank ingezette BOR-trajecten zijn niet van de grond gekomen doordat het de moeder onvoldoende is gelukt om [minderjarige] hiertoe te motiveren en hem emotionele toestemming te geven tot het contact met de vader. [minderjarige] kampt met forse loyaliteitsproblematiek, heeft een zeer negatief beeld over de vader en heeft angst de vader te ontmoeten, terwijl het voor zijn identiteitsontwikkeling belangrijk is dat het contact met de vader wordt hersteld. Hiervoor is het belangrijk dat er hulpverlening komt voor zowel [minderjarige] als de moeder, waarbij de kinderrechter van de moeder verwacht dat zij met alles wat de GI aandraagt onvoorwaardelijk zal meewerken, ook als dat moeilijk is, omdat er zo spoedig mogelijk moet worden gestart met het contactherstel. De kinderrechter heeft bovendien overwogen dat de moeder niet alleen onvoldoende aan de BOR-trajecten heeft meegewerkt, maar ook dat andere hulpverlening voor [minderjarige] niet van de grond is gekomen doordat zij zich veelvuldig niet aan de afspraken heeft gehouden of onbereikbaar was voor de betrokken instanties zoals Veilig Thuis, de praktijkondersteuner waar [minderjarige] hulp van had, de school en de raad gedurende het raadsonderzoek.
Zoals de kinderrechter heeft overwogen merkt ook het hof op dat de moeder zich niet bewust lijkt te zijn van de gevolgen van haar beslissingen voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Het hof acht dit zorgelijk.
4.5.9.
Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat hij weer in zijn oude omgeving gaat wonen, nu dit onder andere het realiseren van contactherstel met de vader zal vergemakkelijken. Het hof ziet in dat een terugverhuizing naar [woonplaats vader] een grote impact zal hebben, met name op [minderjarige] en zijn halfzus [halfzus] , maar merkt op dat dit het gevolg is van het handelen van de moeder waarbij zij zonder overleg met de vader en zonder toestemming is verhuisd en ook na de verhuizing haar verplichtingen als gezaghebbende ouder niet is nagekomen. Zij heeft de kinderen uit hun vertrouwde omgeving van school en familie (waaronder met name oma moederszijde) weggehaald en naar een nieuwe en voor hen onbekende omgeving gebracht, met alle gevolgen voor de kinderen van dien, met name voor [minderjarige] die vanwege zijn kindeigen problematiek speciale aandacht en zorg nodig heeft die nu, een jaar na de verhuizing, nog steeds niet op orde is.
Het hof zal bepalen dat de moeder uiterlijk voorafgaand met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027 van regio Zuid (24 augustus 2026) met [minderjarige] moet zijn terugverhuisd naar een woning binnen een straal van 20 kilometer van [woonplaats vader] . Dit geeft [minderjarige] de mogelijkheid het schooljaar af te maken op zijn huidige school, afscheid te nemen van zijn klasgenootjes en geeft de ouders de mogelijkheid gezamenlijk een school te vinden waar [minderjarige] in het nieuwe schooljaar kan starten. De moeder kan deze periode gebruiken om een huis te vinden in (de omgeving van) [woonplaats vader] , en zo mogelijk kan zij tijdelijk met de kinderen bij haar familie blijven indien een woning nog enige tijd op zich laat wachten.
Voorts acht het hof van belang dat de huidige GI onverminderd inzet op contactherstel en de ondertoezichtstelling op zorgvuldige wijze gaat overdragen aan een gecertificeerde instelling in de regio [woonplaats vader] , zodat er niet opnieuw een gat valt waarin er geen hulpverlening is. Het hof merkt hierbij op dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep namens de vader is opgemerkt dat er in die regio geen wachtlijst is.
4.5.10.
Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om het verzoek van de vader om aan de verplichting tot terugverhuizing een dwangsom te verbinden toe te wijzen, met dien verstande dat het hof deze dwangsom zal matigen en maximeren vanwege het feit dat de moeder een uitkering ontvangt. Het hof zal bepalen dat de moeder vanaf 24 augustus 2026 een dwangsom van € 100,- zal verbeuren voor iedere dag dat ze in gebreke blijft om aan de verplichting tot terugverhuizing te voldoen, met een maximum van € 25.000,-.
4.6.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover het verzoek van de vader tot terugverhuizing is afgewezen en zijn verzoek alsnog toewijzen op de wijze zoals in het dictum bepaald.
4.7.
Omdat de vader zijn verzoek met betrekking tot de begeleide zorgregeling heeft ingetrokken, zal het hof de vader niet-ontvankelijk verklaren in dat verzoek.

5.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 13 augustus 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover de rechtbank het verzoek van de vader tot terugverhuizing van de moeder met [minderjarige] heeft afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
gelast de moeder om met [minderjarige] terug te verhuizen naar [woonplaats vader] of in de directe omgeving van [woonplaats vader] binnen een straal van 20 kilometer, en wel uiterlijk
voor 24 augustus 2026(aanvang van het schooljaar 2026/2027 regio Zuid), op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat zij in gebreke blijft om aan die verplichting te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek met betrekking tot de zorgregeling;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, J.C.E. Ackermans-Wijn en W. de Weijer en is op 5 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.