Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] ;
- bepaald dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader in eerste instantie onder begeleiding van een professional en onder regie van de GI zullen plaatsvinden, waarbij rekening houdend met het tempo van [minderjarige] het uitgangspunt moet zijn dat toegewerkt wordt naar een (onbegeleide) zorgregeling waarbij [minderjarige] een weekend per veertien dagen alsmede de helfte van de vakanties en feestdagen bij de vader zal gaan verblijven;
- het verzoek van de vader om [minderjarige] te laten terugverhuizen naar (de omgeving binnen een straal van 25 kilometer van) [woonplaats vader] op straffe van een dwangsom afgewezen.
- de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt via een BOR waarbij wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vader verblijft alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een dusdanige zorgregeling die het hof in goede justitie mag vermenen te behoren;
- de moeder wordt veroordeeld om binnen één maand na het verschijnen van de beschikking met [minderjarige] terug te verhuizen naar [woonplaats vader] of in de directe omgeving van [woonplaats vader] binnen een straal van 20 km, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, althans een dusdanige beslissing als het hof in goede justitie mag vermenen te behoren.
- de vader, bijgestaan door mr. Van Riet;
- de moeder, bijgestaan door mr. Brouwer;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
- de brief met bijlagen d.d. 16 december 2025 namens de vader;
- de brief met bijlage d.d. 17 december 2025 namens de vader;
- de brief d.d. 18 december 2025 met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 juni 2025 namens de vader;
- een volledig afschrift van de bestreden beschikking, ingekomen op 19 januari 2026;
- de tijdens de mondelinge behandeling namens de vader overgelegde brief van de school d.d. 15 januari 2026.
3.De feiten
4.De beoordeling
- de noodzaak om te verhuizen;
- hoe goed de verhuizing is voorbereid en doordacht;
- de voorstellen die zijn gedaan om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;
- hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
- hoe vaak er contact plaatsvindt tussen het kind en de niet-verhuizende ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en in hoeverre hij gewend is aan zijn omgeving of juist aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Hoewel het niet aan de moeder te wijten is dat er pas recent een jeugdbeschermer aan de zaak is verbonden waardoor de BOR (of een soortgelijke begeleide zorgregeling in de regio [woonplaats moeder] ) nog niet van de grond is gekomen, is de moeder ook op geen enkele andere wijze tegemoet gekomen aan het recht van [minderjarige] en de vader op contact, dan wel het op de hoogte blijven van elkaars leven. Het hof kent ook gewicht toe aan de omstandigheid dat de moeder de door de rechtbank in de beschikking van 12 juli 2024 opgelegde informatieregeling niet nakomt en dat in dat verband sinds het vonnis in kort geding van 8 april 2025 dwangsommen worden geïnd. De moeder heeft deze rechterlijke beslissingen naast zich neergelegd, zij betaalt kennelijk liever van haar beperkte inkomen de verbeurde dwangsommen dan dat zij de moeite neemt om een keer per maand een informatieve mail of brief over [minderjarige] aan de vader te sturen. Het argument dat de moeder niet over het e-mailadres van de vader beschikte, maakt dit niet anders. Het ligt op haar weg om hier actief naar op zoek te gaan in plaats van dwangsommen te laten verbeuren. Ze heeft de vader niet geïnformeerd op welke school zij [minderjarige] heeft ingeschreven en ze heeft ook de school van [minderjarige] niet geïnformeerd over het feit dat er inmiddels sprake is van gezamenlijk gezag. Ook na de verhuizing heeft de moeder dus in strijd met haar verplichtingen richting de vader gehandeld, en daarmee niet in het belang van [minderjarige] gehandeld.
“We maken ons zorgen om zijn gedrag en hoe hij in zijn vel zit. [minderjarige] vindt het heel moeilijk om te vertellen wat er aan de hand is en wat hij voelt. De samenwerking tussen school en u is daarom heel belangrijk. Wij denken dat er meer hulp nodig is voor [minderjarige] .
5.De beslissing
voor 24 augustus 2026(aanvang van het schooljaar 2026/2027 regio Zuid), op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat zij in gebreke blijft om aan die verplichting te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;