ECLI:NL:GHSHE:2026:642

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
20-002192-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 Wegenverkeerswet 1994Art. 177 Wegenverkeerswet 1994Art. 77a Wetboek van StrafrechtArt. 77g Wetboek van StrafrechtArt. 77l Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor onbevoegd besturen bromfiets onder minimumleeftijd

De verdachte werd door de kantonrechter veroordeeld voor het besturen van een bromfiets terwijl hij de minimumleeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof constateerde dat de zaak in eerste aanleg ten onrechte openbaar was behandeld, terwijl de wet voorschrijft dat zaken tegen minderjarigen achter gesloten deuren moeten plaatsvinden. Omdat de verdachte niet in zijn verdediging was geschaad, werd het vonnis vernietigd zonder verdere rechtsgevolgen.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 september 2024 te Best een tweewielige bromfiets bestuurde zonder de vereiste leeftijd en dat het geen aangewezen bromfiets betrof. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het eerdere justitiële verleden van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden, en de draagkracht. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden legde het hof een geldboete van €125 op, waarbij rekening werd gehouden met het belang van de verdachte bij het verkrijgen van een Verklaring Omtrent Gedrag voor zijn opleiding en werk.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €125 wegens onbevoegd besturen van een bromfiets onder de minimumleeftijd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002192-25
Uitspraak : 6 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 2 september 2025 in de strafzaak met parketnummer 96-315910-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 110 van Pro de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 16 uren, subsidiair 8 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 150,00, waarvan € 50,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Door de verdediging is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat de terechtzitting van de kantonrechter in het openbaar is behandeld, terwijl artikel 6:6:3 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering artikel 495b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, betreffende de behandeling van de zaak achter gesloten deuren, van toepassing verklaart voor zaken waarin de veroordeelde op het moment van dienen jonger is dan 18 jaar. Omdat de verdachte ten tijde van de behandeling bij de kantonrechter 16 jaren oud was, had de behandeling van de zaak achter gesloten deuren moeten plaatsvinden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt niet dat door of namens de verdachte is geklaagd over de openbare behandeling van de zaak, zodat het er in hoger beroep voor moet worden gehouden dat door of namens hem daartegen geen bezwaar is gemaakt. Bovendien heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat tijdens de terechtzitting in eerste aanleg mogelijk enkel parketpolitie of een bode aanwezig is geweest. Gelet op bovenstaande blijkt niet dat de verdachte in enig verdedigingsbelang is geschaad, reden waarom het hof zal volstaan met vernietiging van het vonnis en hieraan geen ander rechtsgevolg zal verbinden.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 september 2024 te Best, op de weg, Sint-Oedenrodeseweg, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie AM, te weten een tweewielige bromfiets, heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt en het geen aangewezen bromfiets betrof als bedoeld in artikel 20b van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan de bestuurder beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart of gehandicaptenvervoerskaart.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 september 2024 te Best, op de weg, Sint-Oedenrodeseweg, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie AM, te weten een tweewielige bromfiets, heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt en het geen aangewezen bromfiets betrof als bedoeld in artikel 20b van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan de bestuurder beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart of gehandicaptenvervoerskaart.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 110 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een tweewielige bromfiets terwijl hij daarvoor de wettelijke minimumleeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt als bedoeld in artikel 110 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Door aldus te handelen heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen nu hij vanwege het onbevoegd besturen van een bromfiets niet verzekerd is en er blijk van gegeven zich niets aan te trekken van de verkeersregels.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2025, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte in 2024 eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van artikel 110 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Voorts heeft het hof zich rekenschap gegeven van de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij een BBL-opleiding volgt tot elektricien. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij € 950,00 per maand verdiend. De raadsman heeft naar voren gebracht dat in geval van de oplegging van een geldboete van minder dan € 130,00 geen aantekening op het uittreksel Justitiële Documentatie wordt gemaakt, reden waarom door de verdediging oplegging van een geldboete van € 130,00 of meer onwenselijk wordt geacht. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte mogelijk een Verklaring Omrent Gedrag nodig heeft om zijn werk als elektricien te verrichten.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 125,00 euro passend en geboden. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 77a, 77g en 77l van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 110 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 125,00 (honderdvijfentwintig euro).
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer en J.C. Verhoeven, griffiers,
en op 6 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.