Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:685

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
20-001742-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin verdachte was veroordeeld voor twee feiten van feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van een derde feit. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het deel gericht tegen deze vrijspraak.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de twee feiten waarbij verdachte jonge mannen heeft gedwongen tot ontuchtige handelingen, waaronder betasten en orale seks, onder misbruik van zijn positie en het leeftijdsverschil. De feiten vonden plaats in de woning van een slachtoffer en in een taxi tijdens een angstige situatie. Het hof achtte de gedragingen ernstig en in strijd met seksueel-ethische normen.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het justitiële verleden van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden zoals schuldsanering, gezondheidsproblemen en psychische stoornissen, en het advies van de reclassering. Gezien de ernst van de feiten maar ook de negatieve gevolgen van detentie voor verdachte en zijn behandeltraject, legde het hof een gevangenisstraf van 500 dagen op, waarvan 494 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 160 uur.

De bijzondere voorwaarden omvatten meldplicht bij de reclassering, behandeling en begeleiding bij zorgverleners, en toezicht op naleving. De onvoorwaardelijke straf werd gelijkgesteld aan de duur van het voorarrest. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en vernietigde het vonnis voor zover het de straf betrof.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 500 dagen gevangenisstraf waarvan 494 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 160 uur.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001742-24
Uitspraak : 11 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 28 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-116679-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
wonende te [adres 1]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ (feit 1 en feit 3) en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 500 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 450 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden, naast algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 10 april 2024.
Voorts heeft de rechtbank het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 1 juli 2024 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van feit 2.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf.
In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Aanvulling van de bewijsmiddelen
De rechtbank heeft op pagina 5 van het vonnis als bewijsmiddel het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] opgenomen. Het hof heeft geconstateerd dat dit bewijsmiddel aanvulling behoeft, aldus dat voor de zin ‘Ik had een advertentie op Marktplaats gezet van mijn tv.’ wordt ingevoegd: ‘Plaats delict: Eindhoven’.
Verbetering van de bewijsmiddelen
De rechtbank heeft op pagina 5 van het vonnis als bewijsmiddel de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris opgenomen. Dit bewijsmiddel behoeft naar het oordeel van het hof verbetering, aldus dat de tekst die na de eerste volzin (
‘Ik kwam binnen, liep naar boven en ik vroeg naar de tv.’) op pagina 5 van het vonnis is opgenomen wordt geschrapt.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, evenals de rechtbank, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 500 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 450 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden, naast algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 10 april 2024.
De raadsman heeft bepleit om ingeval van een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat detentie van de verdachte ertoe zal leiden dat de bewezenverklaarde feiten en daarmee de biseksuele geaardheid van de verdachte bij zijn islamitische familie bekend zullen worden, hetgeen volgens het islamitische geloof een doodzonde zou betekenen, dat het huidige reclasseringstoezicht ingeval van detentie zal stoppen en dat detentie tot problemen zal leiden met de lopende schuldsanering van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof acht bewezen dat de verdachte zich in een tijdsbestek van iets meer dan een jaar twee keer schuldig heeft gemaakt aan (kort gezegd) aanranding van een jonge man. De verdachte heeft de jonge mannen gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, die in beide gevallen bestonden uit het betasten van het geslachtsdeel en bij een persoon tevens bestonden uit het aftrekken van het geslachtsdeel en het pijpen van die persoon. Bij een van de mannen hebben de ontuchtige handelingen in zijn eigen huis plaatsgevonden nadat hij via Marktplaats een televisie te koop had aangeboden en de verdachte als potentiële koper een afspraak bij hem thuis had gemaakt. Bij de andere man, die zich op een koude nacht op het treinstation van Eindhoven bevond, zijn trein had gemist en zijn vriendin niet kon bereiken, hebben de ontuchtige handelingen plaatsgevonden in de taxi van de verdachte nadat de verdachte had aangeboden het slachtoffer met zijn taxi thuis te brengen.
Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte in strijd gehandeld met de seksueel-ethische normen en heeft hij de lichamelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers op zeer ernstige wijze geschonden. Het hof rekent de verdachte in het bijzonder aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het leeftijdsverschil tussen hem en de slachtoffers. Ook rekent het hof de verdachte aan dat hij de aangever van feit 1 in zijn eigen woning heeft aangerand – een plek waar iemand zich bij uitstek veilig zou moeten voelen – en dat hij de aangever van feit 3 midden in de nacht in een zeer angstige situatie heeft gebracht, daarbij misbruik makend van zijn positie als taxichauffeur. De verdachte heeft zich van dat alles geen rekenschap gegeven en heeft zich kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 november 2025 betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat de verdachte zijn taxivergunning is kwijtgeraakt als gevolg van het bewezenverklaarde, waardoor hij zijn baan als taxichauffeur niet meer kan uitoefenen, dat hij in de schuldsanering zit in verband met aanzienlijke belastingschulden, dat hij is gescheiden van zijn vrouw en dat hij zorgt voor zijn zus die in een rolstoel zit en hulpbehoevend is. Bovendien heeft hij diabetes en problemen met zijn prostaat.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 20 juli 2023, dat is opgemaakt door drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog. Hierin wordt – voor zover van belang – het volgende gerapporteerd:
“Er is bij betrokkene sprake van een psychische stoornis in de vorm van een depressieve stoornis, eenmalige episode, matig van ernst. Daarnaast is er sprake van een licht verstandelijke beperking.De licht verstandelijke beperking was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De depressieve stoornis was niet aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.Gezien de ontkenning is het niet mogelijk geweest om het delictscenario te bespreken, waardoor er geen uitspraak gedaan kan worden over de doorwerking van de licht verstandelijke beperking op zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De depressieve stoornis was niet aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde, waardoor er geen sprake is geweest van een doorwerking.
Er kan geen uitspraak gedaan worden over de toerekenbaarheid van betrokkene. Het enige dat geconcludeerd kan worden, is dat betrokkene vanwege de licht verstandelijke beperking beschikt over beperkte copingvaardigheden. Hij overziet situaties onvoldoende en weet niet goed hoe om te gaan met moeilijke gevoelens en situaties. Hij is geneigd tot impulsief handelen zonder goed na te denken over de consequenties. Hij leeft al jarenlang met homoseksuele gevoelens waar hij onvoldoende uiting aan kan geven vanwege angst op ontdekking binnen de Islamitische gemeenschap. Vanwege de licht verstandelijke beperking heeft hij onvoldoende mogelijkheden om hier op adequate wijze mee om te gaan en is hij vermoedelijk vanuit zijn gericht op directe behoeftebevrediging. Hij laat weinig inlevingsvermogen zien, waardoor het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag aanwezig is. De aanwezige pathologie lijkt echter niet dusdanig ernstig, dat zijn oordeelsvorming hierdoor volledig verstoord was gedurende de ten laste gelegde feiten. Tevens kan verondersteld worden dat er geen sprake was van een verstoorde realiteitstoetsing. Om die reden lijkt de pathologie geen aanleiding te geven om te veronderstellen dat het ten laste gelegde hem geheel niet toe te rekenen is.
De kans op seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt op de korte termijn ingeschat als laag en op de langere termijn als matig.
Mocht betrokkene schuldig bevonden worden is het van belang dat hulpverlening wordt ingezet op zijn seksuele thema’s. Hierbij zou onder meer gedacht kunnen worden aan een behandeltraject gericht op preventie voor zedendelinquenten, waarbij er aandacht wordt besteed aan het delictscenario. Dit zou dan uitgevoerd kunnen worden bij een forensische polikliniek. Dergelijke programma’s worden vaak aangeboden in een groep, maar dat is voor betrokkene gecontra-indiceerd vanwege zijn beperkte cognitieve vermogens en vanwege de schaamtecultuur waar hij deel van uit maakt. Daarnaast is het wenselijk dat hij begeleiding krijgt bij het leren omgaan met zijn homoseksuele gevoelens in het licht van zijn geloof en culturele achtergrond.Indien het ten laste gelegde echter bewezen wordt geacht, kan bovengenoemde behandeling opgelegd worden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht. Binnen het reclasseringstoezicht kan er zicht blijven op het verloop van de hulpverlening.”
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 10 april 2024. Hieruit komt onder meer naar voren dat de verdachte in gesprek met de reclassering stelt dat er geen seksueel contact met de aangevers is geweest terwijl hij eerder anders heeft verklaard. Om die reden onthoudt de reclassering zich van een professioneel eindoordeel betreffende recidive. Wel heeft de reclassering getracht middels een aantal risicotaxatie instrumenten (OXREC, STATIC-99R en de STABLE-2007) een inschatting te geven van het recidiverisico, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard. Hieruit komt een matig recidiverisico naar voren (in het geval van een veroordeling). Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht, ambulante behandeling en ambulante begeleiding. Het opleggen van een gevangenisstraf heeft niet de voorkeur van de reclassering omdat dit het reeds gestarte behandeltraject van de verdachte zou doorkruisen.
Hoewel de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten acht het hof het in dit specifieke geval niet wenselijk dat de op te leggen straf erin resulteert dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt, nu dit zal leiden tot een doorkruising van het lopende behandeltraject en de schuldsaneringsregeling van de verdachte. Bovendien zou een nieuwe detentieperiode ertoe kunnen leiden dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten en daarmee zijn biseksuele geaardheid niet langer verborgen zal kunnen houden voor zijn familie en de islamitische gemeenschap waarvan hij en zijn familie deel uitmaken, met alle (mogelijke) gevolgen van dien aangezien homoseksualiteit volgens het islamitische geloof verboden is. Het hof zal om voornoemde redenen een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van 2 jaren, als stevige stok achter de deur, in combinatie met een taakstraf.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 500 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 494 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet in het advies van de reclassering aanleiding aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit of een of meer van de op te leggen bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
500 (vijfhonderd) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
494 (vierhonderdvierennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen
bijzondere voorwaardenniet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- verplicht is zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest te melden bij Reclassering Nederland te [adres 2] , en zich daarna gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen te melden bij Reclassering Nederland te Eindhoven , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich laat behandelen door de [GGZ 1] , [GGZ 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De behandeling is reeds gestart en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
- zich laat begeleiden door [organisatie] of de [GGZ 3] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. De begeleiding start op het moment dat de reclassering dit nodig acht en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
80 (tachtig) dagen hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 11 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.