ECLI:NL:GHSHE:2026:700

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
20-000854-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling diefstal in vereniging met professionele afscherming in winkel

Op 12 januari 2025 heeft verdachte samen met twee medeverdachten in een winkel te Roermond een contant geldbedrag van €200,- uit de portemonnee van de aangever weggenomen. Dit gebeurde op geraffineerde wijze waarbij kleding aan kledinghangers werd gebruikt om de diefstal te verhullen. De portemonnee werd daarna teruggeplaatst in de tas van het slachtoffer.

De rechtbank Limburg veroordeelde verdachte aanvankelijk tot 3 maanden gevangenisstraf. Het hof vernietigde dit vonnis en verklaarde verdachte wettig en overtuigend schuldig aan diefstal in vereniging. De bewijsmiddelen bestonden uit camerabeelden, getuigenverklaringen en aangifte van het slachtoffer. De verdediging voerde vrijspraak aan, stellende dat de portemonnee niet kon worden herleid tot het slachtoffer en dat nauwe samenwerking ontbrak, maar dit werd door het hof verworpen.

Het hof legde een gevangenisstraf van 4 maanden op, mede vanwege de professionele werkwijze en de veelvuldige recidive van verdachte in Nederland en Duitsland. Daarnaast werd de teruggave van het in beslag genomen geld aan de aangever gelast. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de maatschappelijke impact van zakkenrollerij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor diefstal in vereniging met teruggave van het gestolen geld aan de aangever.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000854-25
Uitspraak : 9 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-011020-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘
diefstal door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Voorts heeft de politierechter de teruggave van het in beslag genomen goed, te weten een contant geldbedrag van € 200,00, aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, zijnde [benadeelde] , bevolen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door de verdediging is primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 12 januari 2025 te Roermond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 12 januari 2025 te Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag dat aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het volgende politiedossier.
Het politiedossier van de politie-eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2300-2025005896, gesloten d.d. 12 januari 2025, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s van 1 tot en met 65. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 januari 2025 (dossierpagina’s 7 tot en met 9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] :
Feit : Zakkenrollerij/tassenrollerij
Plaats delict : [adres 2]
Pleegdatum/tijd : Tussen zondag 12 januari 2025 om 13:15 uur en zondag 12 januari 2025 om 14:00 uur
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde feit, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict.
“Ik was vandaag 12 januari 2025 in de winkel van [bedrijf 1] in het [bedrijf 2] . Ik werd aangesproken door medewerkers van de winkel van [bedrijf 1] dat ik gerold was. Toen ik de winkel binnenging had ik mijn tas dicht. Dit is een kleine tas die ik aan de voorkant van mijn lichaam droeg. Dit ziet er zo uit als op de foto die u van mij hebt gemaakt. Toen ik werd aangesproken en naar mijn tas keek stond de rits open. De twee grote ritsen stonden open. Er zaten losse papiertjes in de tas die later in de beurs zaten.
Het geld is mijn eigendom en ik heb uiteraard niemand toestemming gegeven en om het geld te stelen.
Het geld dat in mijn beurs zat bestond uit 3 x 50 euro, 1x 20 euro, 2x10 euro en 2x 5 euro. Dit zat in de bruine portemonnee.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 januari 2025 (dossierpagina’s 10 en 11), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Ik ben medewerker bij de [bedrijf 3] beveiliging bij het [bedrijf 2] in Roermond. Vanmiddag 12 januari 2025 kregen wij een melding van zakkenrollen bij [bedrijf 1] in Roermond. Een medewerkster wees ons drie dames aan die waren betrokken bij deze diefstal. Wij vroegen deze dames om mee te gaan naar de ophoudruimte in het [bedrijf 2] . Ik sprak de dames aan en de mevrouw met de tulband en de Belgische identiteitskaart (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) antwoordde. Ik zei haar dat zij zakkenrollers waren. Zij antwoord daarop dat dit klopt en verder zei ze: soms heb je geluk en soms heb je pech.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2025 (dossierpagina’s 17 tot en met 19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op zondag 12 januari 2025 was ik, [verbalisant 2] , belast met het beschrijven van de camerabeelden, welke gemaakt zijn van het camerasysteem gelegen in de [bedrijf 1] winkel in Roermond.
VID-20250112-WA0015.mp4:
Ik zie dat verdachte [verdachte] achter het slachtoffer aanloopt. Ik zie dat verdachte
[verdachte] zo dicht achter het slachtoffer aanloopt met een klerenhanger met kleding omhoog dat ze een poging aan het doen is om het slachtoffer te rollen. Ik zie dat als het slachtoffer ene stap naar rechts zet dat de verdachte [verdachte] ook meteen een stap naar rechts zet. Ik zie dat de verdachte [verdachte] enkele seconden achter het slachtoffer staat en dan wegloopt.
VID-20250112-WA0018.mp4
Ik zie dat het een andere hoek betreft waarbij verdachte [verdachte] en [medeverdachte 1] (
het hof begrijpt hier en hierna: medeverdachte [medeverdachte 1] aangeduid met haar meisjesnaam) weglopen naar een ander deel van de winkel om het geld uit de portemonnee te halen. Ik zie dat [verdachte] stilstaat en deels met de rug naar de camera toestaat. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] de bekende klerenhanger omhoog houd om het zicht te beperken van winkelend publiek. Ik zie dat [verdachte] iets aan het doen is. Ik zie dat andere verdachte, [medeverdachte 2] er ook bij komt staan. Ik zie dat ook [medeverdachte 2] (
het hof begrijpt: medeverdachte[medeverdachte 2] ) de klerenhanger met kleding omhoog gehouden wordt. Ik zie dat alle twee de verdachten druk bezig zijn met het beperken van het zicht op [verdachte] .
VID-20250112-WA0017.mp4:
Deze beelden zijn in slow-motion afgespeeld waarbij duidelijk te zien is dat verdachte [verdachte] een portemonnee in haar rechterhand heeft.
VID-20250112-WA0013.mp4:
Ik zie een duidelijk beeld dat alle drie de verdachten teruglopen naar het slachtoffer. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de bekende klerenhanger het zicht weer zoveel mogelijk proberen te beperken.
De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 12 januari 2025 (dossierpagina 51), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Plaats : [adres 2]
Datum en tijd : 12 januari 2025
Reden : artikel 311/1/4 Wetboek van Strafrecht (Diefstal in vereniging)
Omstandigheden : Drie verdachten aangehouden voor zakkenrollerij. Was 200 euro gestolen uit een portemonnee, deze bij verdachte aangetroffen en in beslag genomen.
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag]
Geboorteplaats : [geboorteplaats] in [geboorteland]
Volgnummer 1
Goednummer : PL2300-2025005896-1771027
Categorie omschrijving : Geld
Object : Geld (Biljetten)
Aantal : 8 stuks
Totale hoeveelheid : 200 EUR
Inhoud/specificatie : 3x 50 2x 10 1x 20 2x 5
De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 februari 2026 ten aanzien van de camerabeelden die bij het procesdossier zijn gevoegd, inhoudende:
Op de camerabeelden met de naam VID-20250112-WA0018 neemt het hof waar de verdachte [medeverdachte 2] , die met snelheid op verdachte [verdachte] afstapt, waarbij [medeverdachte 2] shirts aan kledinghangers omhooghoudt. Het hof neemt waar dat verdachte [medeverdachte 1] zich even later bij de twee medeverdachten voegt en eveneens shirts aan kledinghangers omhooghoudt. Het hof neemt waar dat de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om zich heen kijken en dat het zicht op verdachte [verdachte] verhinderd wordt door de omhooggehouden kleding aan de hangers.
Op de camerabeelden met de naam VID-20250112-WA0017 neemt het hof een verkort, in slow-motion afgespeeld fragment waar van VID-20250112-WA0018. Hierop neemt het hof waar dat, wanneer verdachte [medeverdachte 2] met snelheid op verdachte [verdachte] afstapt, dat [verdachte] met haar rechterhand van achteren een op een bruine portemonnee gelijkend voorwerp naar voren brengt, terwijl [medeverdachte 2] shirts aan kledinghangers ervoor houdt. Ook [medeverdachte 1] voegt zich bij de [verdachte] en [medeverdachte 2] en ook zij houdt kleding aan een hanger omhoog.
Bewijsoverwegingen
Door de verdediging is bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde feit. Daartoe is – kort gezegd en op gronden nader verwoord in de pleitnota van de raadsman – aangevoerd dat op de camerabeelden geen diefstal te zien is. Er is een portemonnee te zien op de camerabeelden, maar het is niet vast te stellen dat deze toebehoort aan de aangever, noch is door de aangever op enigerlei wijze onderbouwd dat het aangetroffen contante geldbedrag ter waarde van € 200,00 aan hem toebehoorde. Bovendien is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten niet aan te tonen. Het tenlastegelegde feit kan derhalve niet wettelijk en overtuigend bewezen worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich op 12 januari 2025 bevonden in het [bedrijf 1] te Roermond. Eveneens aldaar aanwezig was aangever [benadeelde] . Uit de camerabeelden in het procesdossier volgt dat de verdachten op meerdere momenten tezamen om de aangever heen staan. Zij houden meermaals kleding aan kledinghangers omhoog en verrichten handelingen die strekken tot het steeds verhullen van de handelingen van één van de verdachten. Tevens is er op de camerabeelden te zien dat er op enig moment een op een bruine portemonnee gelijkend voorwerp door [verdachte] van achteren naar voren wordt gehaald, terwijl [medeverdachte 2] haar met kleding aan kledinghangers afschermt, waarna ook [medeverdachte 1] zich bij hen voegt en ook zij [verdachte] afschermt door kleding aan een kledinghanger omhoog te houden.
Op grond van de uit de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, oordeelt het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van een contant geldbedrag van de aangever. Immers verklaart aangever in zijn aangifte over een bruine portemonnee, welke waarneembaar is op de camerabeelden, en heeft hij de specifieke coupures benoemd (3x €50 2x €10 1x €20 2x €5) die daaruit zijn weggeneomen. Dezelfde specifieke coupures (3x €50 2x €10 1x €20 2x €5) zijn vervolgens aangetroffen in het bezit van verdachte [verdachte] en zijn in beslag genomen.
Voorts stelt het hof vast dat er sprake is van een gezamenlijke uitvoering van het bestelen van aangever, op grond van de op de camerabeelden waarneembare en eigenaardig ogende gedragingen van de verdachten, welke evident niet gericht zijn op het kopen van kleding. De verdachten blijven zichtbaar dicht bij elkaar en schermen elkanders handelingen herhaaldelijk op geraffineerde wijze af door middel van het omhooghouden van kleding aan kledinghangers. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof de verklaringen van de verdachten, inhoudende dat zij kleding aan het kopen waren voor hun kinderen, ongeloofwaardig en zal het deze terzijde schuiven. Ten overvloede merkt het hof op dat deze vaststelling nader wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] , waarin hij verklaart dat [medeverdachte 1] heeft bevestigd zich aan zakkenrollerij te hebben schuldig gemaakt. Het hof ziet geen enkele reden om aan de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaring te twijfelen.
Op grond van de voornoemde feiten en omstandigheden wordt het vrijspraakverweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen en acht het hof – evenals de politierechter en de advocaat-generaal – de tenlastegelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe is – kort gezegd en op gronden nader verwoord in de pleitnota van de raadsman – aangevoerd dat het hof de verdachte, bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, een taakstraf van maximaal 120 uur zal opleggen conform de LOVS-oriëntatiepunten.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van diefstal in vereniging van een contant geldbedrag uit de portemonnee van aangever in de [bedrijf 2] te Roermond. Het is het hof gebleken dat verdachte dit feit tezamen met haar twee medeverdachten heeft begaan op een zeer professionele en geraffineerde wijze, waarbij de verdachten de portemonnee van aangever hebben weten te bemachtigen, waarna er een contant geldbedrag van € 200,00 uit is weggenomen, en de portemonnee vervolgens is teruggeplaatst in de tas van aangever. De verdachten hebben elkaar voortdurend afgeschermd, door middel van het omhooghouden van kleding aan kledinghangers. Uit de door verdachte in samenwerking met de medeverdachten gehanteerde handelswijze spreekt geraffineerdheid en buitengewone brutaliteit. Zakkenrollerij is een misdrijf dat bij de benadeelden hinder, schade en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Daarnaast brengt het in de samenleving gevoelens van ongenoegen en onveiligheid teweeg, door de daarmee gepaard gaande schending van de eigendomsrechten. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 december 2025, alsmede op het uittreksel uit de European Criminal Records Information System (ECRIS) Justitiële Documentatie Duitsland d.d. 12 januari 2025. Hieruit volgt dat de verdachte in Nederland reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit in 2017 en dat de verdachte in Duitsland tevens eerder – en veelvuldig – onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten in 2017, 2018, 2020, 2021 en 2024. Het hof zal deze omstandigheid meewegen in de strafoplegging.
Tevens heeft het hof bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf voor het plegen van zakkenrollerij, waarbij in georganiseerd verband dan wel op professioneel of geraffineerde wijze te werk wordt gegaan, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voor een
first offender, een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden in het geval van eenmalige recidive en een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden in het geval van veelvuldige recidive.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende kan er naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is echter tevens van oordeel dat de straf die door de advocaat-generaal is gevorderd onvoldoende recht doet aan de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder en veelvuldig ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en hetgeen de LOVS-oriëntatiepunten voorschrijven. Het hof zal de verdachte derhalve een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden.
Beslag
Onder de verdachte is het volgende nog niet teruggegeven voorwerp in beslag genomen, te weten een contant geldbedrag van € 200,00.
Het hof is – met de advocaat-generaal – van oordeel dat ten aanzien van dit in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, zijnde [benadeelde] , dient te worden gelast. Het hof zal hiertoe dan ook beslissen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
gelast de
teruggaveaan [benadeelde] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 200,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL2300-2025005896-G1771027 (IBN 12-01-2025)).
Aldus gewezen door:
mr. J.C. Gillesse, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 9 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.