Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:766

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
20-002234-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wederspannigheid en belediging politie met letsel

Op 25 maart 2024 verzette de verdachte zich met geweld tegen politieambtenaren tijdens zijn aanhouding in Kerkrade, waarbij de agenten lichamelijk letsel opliepen. Tevens beledigde hij de ambtenaren met grove taal tijdens en na de aanhouding.

De rechtbank Limburg veroordeelde de verdachte, maar het hof 's-Hertogenbosch vernietigde dit vonnis en kwam tot een andere bewezenverklaring. Het hof oordeelde dat het politieoptreden rechtmatig en proportioneel was en verwierp het verweer van de verdediging.

De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van één week met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en ambulante behandeling. Daarnaast werd hij veroordeeld tot schadevergoeding van €350 aan elk van de twee benadeelde politieambtenaren wegens immateriële schade.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie van één week met proeftijd en schadevergoeding aan politieambtenaren.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002234-24
Uitspraak : 17 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-129737-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld reclasseringscontact. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partijen geheel zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen is primair verzocht deze af te wijzen, subsidiair is verzocht om deze te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Kerkrade,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet
tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] , agent Eenheid Limburg, en/of [verbalisant 2] , hoofdagent Eenheid Limburg, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte,
door zich met zijn benen af te zetten tegen de stoel en het portier en/of zijn armen heen en weer te bewegen en/of zijn armen proberen los te trekken en/of de hand van die [verbalisant 2] met kracht weg te duwen en/of die [verbalisant 1] zijn pink om te buigen en/of zich met kracht omhoog proberen te duwen,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een distorsie collaterale band van de vinger bij die [verbalisant 1] en/of een gekneusde hand bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Kerkrade
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] agent Eenheid Limburg en/of [verbalisant 2] hoofdagent Eenheid Limburg, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,
in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,
mondeling heeft beledigd,
door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: ''jullie zijn kanker sukkels” en/of “kankerlijers” en/of “kanker mongolen” en/of “jij bent een kech'', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 25 maart 2024 te Kerkrade, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] , agent Eenheid Limburg, en [verbalisant 2] , hoofdagent Eenheid Limburg, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zich met zijn benen af te zetten tegen de stoel en het portier en zijn armen heen en weer te bewegen en zijn armen proberen los te trekken en de hand van die [verbalisant 2] met kracht weg te duwen,
terwijl dit misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een distorsie collaterale band van de vinger bij die [verbalisant 1] en/of een gekneusde hand bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op 25 maart 2024 te Kerkrade opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , agent Eenheid Limburg, en/of [verbalisant 2] , hoofdagent Eenheid Limburg, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen: ''jullie zijn kanker sukkels” en “kankerlijers” en ”kanker mongolen” en “jij bent een kech''.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2024 (pg. 9-11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 25 maart 2024 waren wij, verbalisanten, op de Wiebachstraat in Kerkrade. Wij waren hier omdat er eerder op de dag een melding had plaatsgevonden waarbij drie personen betrokken waren bij de winkel [bedrijf] . Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , stonden op de parkeerplaats aan de Wiebachstraat met de voornoemde drie personen in afwachting van het winkelverbod dat opgemaakt werd in de [bedrijf] . De drie personen bleken te zijn:
- [verdachte] , geboren [geboortedag] 2004, bleek later de verdachte;
(...)
BELEDIGING
Wij, verbalisanten, hoorden vervolgens de verdachte vanuit de auto zeggen: "Jullie zijn kanker sukkels" of woorden van gelijke strekking.
(...)
Aanhouding
Ik, [verbalisant 1] , zei tegen verdachte [verdachte] dat hij was aangehouden ter zake belediging, en dat hij uit het voertuig moest stappen. Wij, verbalisanten, zagen dat verdachte [verdachte] hier geen gehoor aan gaf. Ik, [verbalisant 1] , zei tegen [verdachte] dat, indien hij niet uit het voertuig zou komen, wij geweld zouden gaan gebruiken. Wederom zagen wij, verbalisanten, dat verdachte [verdachte] hier geen gehoor aan gaf. Ik, [verbalisant 3] , pakte de linkerarm van verdachte [verdachte] vast. Ik, [verbalisant 1] , pakte de rechterarm van [verdachte] vast. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , probeerden vervolgens [verdachte] uit het voertuig te trekken. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , zagen dat [verdachte] met gestrekte benen zichzelf afzette tegen de deurstijl en voorstoel. Ik, [verbalisant 1] , zei meermaals met luidde stem tegen [verdachte] dat hij uit de auto moest komen. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] hier geen gehoor aan gaf, en zich af bleef zetten met zijn voeten. Ik, [verbalisant 1] , heb vervolgens een vuistslag in het gezicht van [verdachte] gegeven. Deze vuistslag gaf ik met mijn rechterhand. Ik deed dit om het verzet van verdachte te verbreken.
Wij, verbalisanten, zagen dat dit effect had want verdachte stapte vervolgens zelfstandig uit het voertuig. Ik, [verbalisant 3] , voelde dat [verdachte] kracht begon te zetten en zijn rechterarm heen en weer begon te bewegen. Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] zeggen: "Jij bent een kanker sukkel, sla mij nog een keer." Ik, [verbalisant 1] , zag dat [verdachte] hierbij in mijn richting keek. Ik, [verbalisant 2] voelde dat [verdachte] met kracht zijn linkerarm los probeerde te rukken. Ik, [verbalisant 1] , pakte het hoofd van [verdachte] vast en drukte dit met kracht omlaag. Ik, [verbalisant 1] , zag dat dit geen effect had en ik voelde dat [verdachte] zich met kracht omhoog drukte. Ik, [verbalisant 3] , probeerde ondertussen een polsfixatie op de rechterpols van [verdachte] te zetten middels de zojuist aangelegde transportboei. Ik, [verbalisant 2] , voelde dat [verdachte] zich uit mijn handen losrukte. Ik, [verbalisant 2] , probeerde met mijn rechterhand druk uit te voeren op de neus van [verdachte] middels een zogeheten 'neusfixatie'. Ik, [verbalisant 2] , stond achter [verdachte] en leunde met mijn lichaamsgewicht op de rug van [verdachte] en drukte vervolgens op zijn neus. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , zagen dat [verdachte] de hand van [verbalisant 2] vast pakte en [verbalisant 2] met kracht wegduwde. Ik, [verbalisant 2] , voelde dat [verdachte] mij met kracht wegduwde en ik voelde gelijk een pijnscheut in mijn rechterhand. Ik, [verbalisant 1] , pakte vervolgens [verdachte] vast bij zijn nek en ik probeerde een nek fixatie bij [verdachte] aan te leggen.
Ik, [verbalisant 1] , voelde dat [verdachte] mij bij mijn linkerhand vastpakte. Ik, [verbalisant 1] , rukte mijzelf los en ik probeerde opnieuw een nekfixatie bij [verdachte] aan te leggen. Ik, [verbalisant 1] , voelde dat ik geen nekfixatie kon aanleggen omdat ik geen druk op de keel van [verdachte] kon uitoefenen. Ik, [verbalisant 1] , voelde dat [verdachte] de gehele tijd met kracht zichzelf omhoog probeerde te duwen.
Transport
Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voelden dat [verdachte] zich met kracht bleef verzetten ten behoeve van het instappen in het dienstvoertuig. Hierop heb ik, [verbalisant 1] , een vuistslag op het bovenlichaam van [verdachte] gegeven. Tijdens het vervoer hoorden wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat [verdachte] meermaals zei dat wij "hoerenzonen waren". Daarbij hoorden wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat [verdachte] de gehele rit van de plek van aanhouding tot aan het cellencomplex woorden zoals: "Kankerlijers, "kankersukkels" en "kankermongolen" zei.
Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoorden dat [verdachte] zei: "Jij bent een kech". Ik, [verbalisant 1] , zag dat [verdachte] hierbij richting [verbalisant 2] , een vrouwelijke collega, keek.
Letsel
Ik, [verbalisant 1] , voel pijn aan de pink van mijn linkerhand. Wanneer ik mijn pink in een neerwaartse beweging beweeg, voel ik pijn. Ik, [verbalisant 2] , voel pijn aan mijn rechterhand. Ik zie dat mijn hand opgezwollen is en ik voel dat het pijn doet bij aanraking.
2.
Het geschrift, te weten een uitdraai van het patiëntendossier van [verbalisant 1] , d.d. 26 maart 2024 (pg. 22), voor zover inhoudende:
Dhr. [verbalisant 1]
25 maart 2024, distorsie collaterale band vinger.
3.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 maart 2024 (pg. 25-33), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 2] :
Ik ben op 26 maart 2024 naar de dokter gegaan, de diagnose was dat mijn hand gekneusd was.
4.
Het geschrift, te weten een brief van de huisarts [arts] (pg. 29) voor zover inhoudende:
26.03.24 DIAGNOSE:
Z.n Prellung (
het hof begrijpt: kneuzing) re. laterale Hand
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe is - op gronden zoals verwoord in de pleitnota - aangevoerd dat de verbalisanten niet hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en dat geen sprake is van proportioneel handelen van de verbalisanten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat een politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte in beginsel werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, maar dat zich omstandigheden kunnen voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet (meer) rechtmatig is. Bij de beoordeling of dit laatste het geval is, kan de noodzaak en proportionaliteit van het optreden van de politieambtenaar worden betrokken.
Het hof is op grond van hetgeen uit het dossier en tijdens de zitting bij het hof naar voren is gekomen, van oordeel dat het optreden van de verbalisanten in de onderhavige zaak in verhouding stond tot het gedrag van verdachte ten tijde van zijn aanhouding. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt op welk moment en waarom de verbalisanten geweld hebben toegepast. De handelingen van de verbalisanten waren daarbij een reactie op de gedragingen van de verdachte, waarbij de verdachte zich van meet af aan obstinaat en aanhoudend onwillig opstelde. Het hof acht het door de verbalisanten toegepaste geweld bovendien noodzakelijk en proportioneel, mede gezien hoe verdachte zich gedroeg. Verdachte wilde eerst niet uit de auto komen en werkte tegen toen de verbalisanten hem de auto uit probeerden te trekken. Ook heeft hij zich - nadat hij eenmaal de auto uit was - meermalen proberen los te trekken.. De verbalisanten hebben het verzet van de verdachte met hun daarvoor noodzakelijke handelingen enkel willen doorbreken. Nu de verdachte zijn verzet niet staakte, heeft de reactie van de verbalisanten door eigen toedoen van de verdachte plaatsgevonden.
Het hof is van oordeel dat de verbalisanten hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Tevens is het hof van oordeel dat het handelen van de verbalisanten onder de gegeven omstandigheden voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de verdediging dat geen sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening vanwege buitenproportioneel overheidsoptreden.
Het verweer wordt derhalve verworpen. Anders dan de verdediging acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen en toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich aan wederspannigheid met letsel tot gevolg en belediging van een tweetal politieambtenaren schuldig gemaakt nadat aan hem een winkelverbod werd uitgereikt in verband met een eerder incident in een winkel waarbij 3 personen betrokken waren. Daarmee heeft hij hinderlijk gedrag vertoond en het werk van de verbalisanten bemoeilijkt en hen in eer en goede naam aangetast.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijk strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij werkt als installateur van zonnepanelen en begeleiding en een coach heeft van stichting [stichting 2] .
Uit een reclasseringsadvies d.d. 9 augustus 2024 volgt dat de reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen en dat toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering de verdachte kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van effectieve strategieën om zijn gedrag te reguleren en verdere conflicten te voorkomen. Bij een veroordeling worden verschillende bijzondere voorwaarden geadviseerd, waaronder begeleiding door jeugdreclassering en ambulante behandeling.
Het hof ziet met de advocaat-generaal en de verdediging aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht toe te passen voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, en ook in het belang van de maatschappij, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Het hof zal daarom het jeugdstrafrecht toepassen.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het hof acht zal naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, tevens opleggen de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het bovengenoemde rapport zijn geadviseerd.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]
De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 625,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 350,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verbalisant 1] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft bekomen in de zin van artikel 6:106, eerste lid, sub b, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 350,00.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verbalisant 1] is toegebracht tot een bedrag van € 350,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]
De benadeelde partij [verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 625,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 350,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verbalisant 2] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft bekomen in de zin van artikel 6:106, eerste lid, sub b, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 350,00.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verbalisant 2] is toegebracht tot een bedrag van € 350,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 181, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) week;

bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte een behandeling volgt gericht op impulscontrole en emotieregulatie. Verdachte wordt tijdens het toezicht aangemeld bij een instelling als [psychiatrisch ziekenhuis] of een soortgelijke instelling te bepalen door de jeugdreclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de [stichting 1] toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2024;

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2024.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. T. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen, tenzij anders vermeld, naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2431-2024048436, gesloten d.d. 17 april 2024 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 32).