ECLI:NL:GHSHE:2026:769

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
20-000410-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak zorgverlener wegens onvoldoende steunbewijs bij verkrachting en ontucht

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf en een beroepsverbod wegens verkrachting en ontucht van een hoogbejaard slachtoffer in een verzorgingshuis. De verdachte stelde zich in hoger beroep onschuldig en betwistte de overschrijding van de sociaal ethische norm.

Het slachtoffer kon zelf niet worden gehoord omdat zij was overleden, waardoor het bewijs steunde op verklaringen van de-auditu getuigen die de verklaringen van het slachtoffer weergeven. Het hof oordeelde dat deze verklaringen onvoldoende steunbewijs vormen om tot een bewezenverklaring te komen, zoals vereist volgens artikel 342, tweede lid, Sv.

Hoewel het hof erkent dat het slachtoffer de situatie als vervelend heeft ervaren, is er onvoldoende duidelijkheid over de precieze handelwijze van de verdachte. Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

De uitspraak benadrukt het belang van voldoende steunbewijs bij zedenzaken en de beperkingen van de-auditu verklaringen, zeker wanneer het slachtoffer niet zelf gehoord kan worden.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs voor verkrachting en ontucht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000410-25
Uitspraak : 20 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-040131-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van verkrachting (zoals primair tenlastegelegd) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Als bijkomende straf is de verdachte door de rechtbank ontzet van het recht het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg
uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen primair aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en ontzetting van het recht het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van 5 jaren. Feitelijk heeft de advocaat-generaal hiermee bevestiging van het vonnis van de rechtbank gevorderd.
De verdediging heeft integrale vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. In het geval het hof toch mocht komen tot enige bewezenverklaring is primair verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf (van de maximale duur) in combinatie met een langere voorwaardelijke gevangenisstraf. Een bijkomend beroepsverbod is in dat geval evident, aldus de verdediging. Subsidiair is verzocht de duur van een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aanzienlijk te matigen tot maximaal 3 maanden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 september 2022 te [pleegplaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
 misbruik te maken van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van de (hoogbejaarde) [slachtoffer] en/of
 een psychisch en een fysiek overwicht op die [slachtoffer] te hebben, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of
 aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie te doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken,
die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
 het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
 het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
 het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] ;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 september 2022 te [pleegplaats] , althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door
 het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
 het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
 het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] .
Integrale vrijspraak
Wijlen mevrouw [slachtoffer] was op 12 september 2022 zo’n drie jaar woonachtig in verzorgingshuis [naam] in [pleegplaats] . Hoewel de toen 81-jarige [slachtoffer] een vaste eerste contactverzorgende had, werd zij ook geregeld verzorgd door anderen, waaronder flexwerkers.
De dochter van [slachtoffer] heeft op 30 september 2022 namens haar moeder aangifte bij de politie gedaan tegen de flexwerker die op 12 september 2022 werkzaam was – naar later bleek: de verdachte – wegens het aanraken van de intieme delen van haar moeder en het bij haar naar binnen brengen van zijn vingers. [slachtoffer] is daarover zelf niet door de politie gehoord kunnen worden, omdat zij op [datum] is overleden. Wel heeft zij vóór haar overlijden tegenover meerdere personen verklaard over hetgeen volgens haar gebeurd zou zijn op 12 september 2022. Deze verklaringen bevinden zich in het dossier.
De verdachte heeft het tenlastegelegde van meet af aan ontkend, in die zin dat hij heeft verklaard [slachtoffer] wel te hebben gewassen en daarbij haar billen, borsten en vagina te hebben aangeraakt, maar dat daarbij geen sprake was van overschrijding van de sociaal ethische norm. Deze aanrakingen hadden geen ontuchtig karakter.
Met de rechtbank stelt het hof voorop dat, volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring
van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te
waarborgen, in die zin dat zij de rechter(s) verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden waarover het vermeende slachtoffer verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het
bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin
beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Bij zedenzaken – die zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee
personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen (het vermeende
slachtoffer en de verdachte) – komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één
getuige verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat wil zeggen dat
het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring
van die getuige. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen ‘de auditu’, ofwel van horen
zeggen, verklaren over wat zij van het vermeende slachtoffer hebben gehoord. De bron van
deze verklaringen blijft dan immers steeds het vermeende slachtoffer. Wel kunnen bepaalde
waarnemingen die een de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan, maar die weliswaar niet
het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, voldoende zijn om een
rol van betekenis te spelen als steunbewijs. Het is dus niet per se vereist dat het steunbewijs
betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat het dossier enkel verklaringen van de-auditu getuigen bevat. [slachtoffer] heeft tegenover deze getuigen, te weten haar dochter [getuige 1] , haar vaste verzorgende [getuige 2] , zorgmanager [getuige 3] en psycholoog [getuige 4] , verklaard dat de man die in de ochtend van 12 september 2022 bij haar langskwam om haar te verzorgen – naar later bleek: de verdachte – haar billen, borsten en vagina heeft aangeraakt. Tegenover [getuige 1] en [getuige 2] heeft zij ook nog verklaard dat de verdachte met zijn vingers in haar vagina naar binnen is geweest en dat het daar sindsdien prikt of brandt.
Gegeven de verklaring van [slachtoffer] , zoals die volgt uit de (de-auditu) getuigen-verklaringen, twijfelt het hof er niet aan dat [slachtoffer] op 12 september 2022 naar haar beleving tijdens het wassen van haar lichaam een vervelende ervaring met de verdachte heeft gehad, maar het hof komt niet tot de bewezenverklaring dat de verdachte tijdens het wassen bij het aanraken van de billen, borsten en vagina van [slachtoffer] de sociaal ethische norm heeft overschreden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier volgt dat [slachtoffer] graag door haar vaste vrouwelijke verzorgende werd gewassen, terwijl de verdachte voor haar een onbekende man was die haar intieme delen moest wassen. Voorts heeft [slachtoffer] vanwege haar overlijden kort daarna, niet zelf uitleg kunnen geven over hoe het wassen en aanraken van haar lichaam door de verdachte precies is gegaan. Het hof beschikt slechts over de-auditu verklaringen, die bovendien allemaal uit dezelfde bron komen. De door de getuigen bij [slachtoffer] later die dag en in de dagen daarna waargenomen emoties zijn naar het oordeel van het hof weliswaar authentiek, gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer] het handelen van de verdachte als vervelend heeft ervaren, maar onvoldoende om bij te kunnen dragen aan het bewijs, omdat ze geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de handelwijze van de verdachte.
Nu één getuigenis, zonder steunbewijs, onvoldoende is om een feit te bewijzen, zal het hof de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 20 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.