AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen veroordeling voor meervoudige diefstal door inklimming bij werkgever
De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met inklimming. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis omdat de politierechter niet voldeed aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 SvPro.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander herhaaldelijk metaal van zijn werkgever had gestolen door inklimming. De verdachte handelde op grove wijze in strijd met het eigendomsrecht en misbruikte het vertrouwen van zijn werkgever. Hoewel de verdachte pas stopte na betrapt te zijn, toonde hij spijt en verbeterde zijn persoonlijke omstandigheden.
Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf van 5 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Dit is een lagere onvoorwaardelijke straf dan de politierechter oplegde, mede vanwege de persoonlijke situatie en het inzicht van de verdachte in zijn handelen. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
Uitspraak
Parketnummer : 20-002144-25
Uitspraak : 18 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-140755-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 8 mei 2025, te Yerseke, gemeente Reimerswaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, metaal, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of inklimming.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op meerdere tijdstippen, in de periode van 5 april 2025 tot en met 8 mei 2025, te Yerseke, gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging met een ander metaal dat aan [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen in combinatie met een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij, tezamen en in vereniging met een ander, herhaaldelijk metaal heeft gestolen van zijn toenmalige werkgever, [bedrijf] . Het hof stelt vast dat de verdachte tijdens werktijd goederen langs de kant van het hekwerk plaatste, waarna hij en de medeverdachte met de auto vanaf de andere kant van het hek langsreden, de spullen onder het hek schoven en deze vervolgens in de auto laadden. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander – nota bene zijn werkgever – en slechts oog te hebben voor zijn eigen gewin. Op grove en brutale wijze heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen van zijn werkgever. Zijn handelen heeft daardoor niet alleen ernstig financieel nadeel voor zijn werkgever tot gevolg gehad, maar doet tevens ernstig afbreuk aan het vertrouwen dat zijn werkgever in diens werknemers moet kunnen hebben. Daarbij komt dat de verdachte niet uit eigen beweging, maar pas toen hij werd betrapt, is gestopt met het plegen van de diefstallen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2025 en een uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) d.d. 14 januari 2026, beide betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit het uittreksel uit ECRIS volgt dat de verdachte in Polen tot 2017 veelvuldig ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof heeft tevens rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij sinds 2018 in Nederland verblijft. Ten tijde van het bewezenverklaarde was hij dakloos en sliep hij in zijn auto. Op dit moment gaat het echter beter met hem. Hij huurt een kamer en heeft sinds 20 januari 2026 werk gevonden via het uitzendbureau. De verdachte gebruikt een deel van zijn inkomen om zijn moeder en zus van geld te voorzien. Indien de verdachte de gevangenis in zou moeten, zou hij zijn werk en kamer verliezen en zijn moeder en zus niet meer kunnen onderhouden. De verdachte heeft veel spijt van zijn handelen. Hij werkte met veel plezier bij [bedrijf] en zou daar graag terugkeren.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof ziet, anders dan de verdediging, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noch in hetgeen overigens ter terechtzitting is aangevoerd aanleiding om hier in dit geval van af te wijken.
Alles afwegende acht het hof derhalve, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het hof zal aldus aan de verdachte een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de politierechter heeft gedaan vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het gegeven dat de verdachte thans ervan blijk heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.
Met oplegging van deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. C.C.H.T. Coert en mr. E.E.J. Boesten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 18 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.