Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:785

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
20-000382-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zaak diefstal met geweld en medeplegen

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor diefstal met geweld in vereniging. De politierechter had een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd, waarvan 2 voorwaardelijk. Het hof vernietigde de strafoplegging en legde een gevangenisstraf van 2 maanden onvoorwaardelijk op, met aftrek van voorarrest.

De bewezenverklaring is gebaseerd op het proces-verbaal van aangifte, camerabeelden en eigen waarneming van het hof. Uit de beelden blijkt dat de verdachte en haar medeverdachte kledingstukken uit de winkel hebben weggenomen, waarbij zij de kaartjes verwijderden en de goederen in tassen stopten. Na betrapping werden de kledingstukken teruggelegd. De verdachte en medeverdachte duwden het winkelpersoneel en de verdachte probeerde zich los te rukken.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan medeplegen en voltooide diefstal, maar het hof verwierp dit. Het hof oordeelde dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de diefstal voltooid was. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de eerdere veroordeling van de verdachte en de richtlijnen voor winkeldiefstal met geweld.

Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf. Het arrest werd uitgesproken op 17 maart 2026 door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voor diefstal met geweld en medeplegen, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000382-25
Uitspraak : 17 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-211384-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
volgens opgave van de raadsman thans verblijvende in [land] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd – diefstal met geweld in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. De motivering van de politierechter van de opgelegde straf zal in zijn geheel worden vervangen door hetgeen hierna onder het kopje ‘Op te leggen straf’ wordt overwogen. De toepasselijke wettelijke voorschriften waarop het dictum is gebaseerd worden gewijzigd als hierna te melden.
Het hof zal de bewijsmiddelen en bewijsoverweging aanvullen op de wijze zoals hierna is vermeld.
Aanvulling bewijsmiddelen
De bewezenverklaring komt mede te berusten op:
Het eerste bewijsmiddel (het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2024) wordt aangevuld met:
- Pleegdatum: 30 juni 2024
- De totale verkoopwaarde van de weggenomen goederen is € 162,50.
De bewezenverklaring komt mede te berusten op de eigen waarneming van het hof ten aanzien van de camerabeelden met nummer 20240630_162520 voor zover inhoudende:
Vanaf beeldfragment 0.48 haalt de medeverdachte een donker kledingstuk uit de tas van de verdachte en legt dat kledingstuk terug op de tafel in de winkel. Vanaf beeldfragment 0.57 en 0.58 haalt de medeverdachte een licht gekleurd/wit kledingstuk uit haar eigen tas en legt dat terug op diezelfde tafel in de winkel.
Aanvullende bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging opnieuw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, noch van een voltooide diefstal. Onvoldoende is gebleken dat de kledingstukken aan het zicht zijn onttrokken en omdat zij achter de verkoopster is aangelopen was zij voorbij de kassa, aldus de verdediging.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de politierechter, mede gelet op hetgeen het hof zelf op de camerabeelden heeft waargenomen. Het hof verenigt zich met de bewijsoverweging van de politierechter zoals weergegeven op pagina 7 van het vonnis. In aanvulling op die overweging overweegt het hof met betrekking tot het medeplegen nog als volgt.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de kaartjes van kledingstukken heeft afgehaald en dat kledingstukken in de tassen van de verdachte en haar medeverdachte zijn gestopt. Na betrapping zijn door de medeverdachte kledingstukken uit haar eigen tas en uit die van de verdachte gehaald en teruggelegd op de tafel in de winkel. De verdachte en medeverdachte hebben aangeefster geduwd en de verdachte heeft getracht zich los te trekken van aangeefster
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Ten overvloede merkt het hof op dat gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden het hof van oordeel is dat sprake is van een voltooide diefstal. Door het verwijderen van de kaartjes/beveiliging en het wegstoppen van de kledingstukken in de tassen hadden de verdachte en de medeverdachte de kledingstukken onder zich en konden zij als heer en meester over de tassen met inhoud beschikken.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met een forse onvoorwaardelijk taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft zich met haar nicht en in het bijzijn van haar tienerdochter schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, een ergerlijk feit, dat doorgaans, naast hinder en overlast voor de eigenaar en/of het personeel van het gedupeerde winkelbedrijf, ook schade met zich brengt. De verdachte heeft zich, nadat zij met haar medeverdachte door winkelpersoneel op de diefstal werd aangesproken en tegengehouden, willen onttrekken onder meer door zich los te rukken en personeel te duwen. Aldus heeft zij bij het plegen van de diefstal ook de lichamelijke integriteit van een ander geschonden.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 december 2025 waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Het hof heeft ook gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Tot slot heeft het hof bij de bepaling van de op te leggen straf acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor winkeldiefstal met na betrapping eenvoudig geweld een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. T. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.