Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[naam verdachte]
Uit de aangiftes van politieambtenaren [namen] volgt dat zij zich samen in de politieauto bevonden, dat [de politieagent] op enig moment die auto op het midden van de weg tot stilstand had gebracht om zo de naderende auto die door de verdachte werd bestuurd te doen stoppen, dat die auto met een zeer hoge snelheid - de aangevers hebben het over een snelheid van ongeveer 100 km per uur - naderde en dat [de politieagent] met de dienstauto achteruit reed om een hevige botsing te voorkomen. In bepaalde gevallen kan het zo zijn dat ten aanzien van een verdachte die door zeer gevaarlijk te rijden bijna een heftig ongeval veroorzaakt, moet worden aangenomen dat deze de slachtoffers van dat mogelijke ongeval opzettelijk van het leven heeft willen beroven. Zo'n geval doet zich voor indien die verdachte zijn gedraging willens en wetens op de dood van de slachtoffers heeft gericht. Voorts kan een zodanig geval zich voordoen indien er sprake is van zogeheten voorwaardelijk opzet, hetgeen wil zeggen dat aangenomen moet worden dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat de slachtoffers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Dit voorwaardelijk opzet kan behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval. Welnu, de verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf niet wilde “kapotrijden”. Hij zou de politieauto hebben willen vermijden en heeft juist afgeremd en is vervolgens de berm ingereden om een botsing te voorkomen, aldus de raadsvrouw. Niettegenstaande deze verklaring van de verdachte, is het zo dat de uiterlijke verschijningsvormen van het handelen van de verdachte een ander beeld lijkt te schetsen. Nergens uit blijkt dat hij enig uitwijkmanoeuvre heeft verricht. Uit de verklaring van verbalisant [naam] volgt immers dat zonder het door hem achteruitrijden van de politieauto er een hevige botsing zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast zou uit de verklaring van getuige [naam] -die zich in de auto van de verdachte bevond en die verklaarde dat zij zag dat de politieauto naar het midden van de weg reed om hen te laten stoppen en dat de politieauto, op het allerlaatst, wegstuurde en de berm inreed - kunnen worden afgeleid wat de intentie van de verdachte was. Zij hoorde deze namelijk zeggen: "Ik wist wel dat ze aan de kant zouden gaan". Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds sprake is van ernstige bezwaren voor de primair aan de verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag. Of een en ander voldoende is voor de veroordeling van de verdachte zal worden uitgemaakt door de rechters die de zaak inhoudelijk zullen beoordelen.”