Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:860

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
20-001016-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op veroordeling voor witwassen, opiumwet- en valsheid in geschriftezaken

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant uit 2019, waarin verdachte was veroordeeld voor witwassen, overtredingen van de Opiumwet, wapenwetgeving en valsheid in geschrifte. De rechtbank sprak verdachte deels vrij, maar veroordeelde hem tot 26 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

In hoger beroep werd het vonnis vernietigd voor de kwalificatie van enkele feiten en de strafoplegging. Het hof voegde aanvullend bewijs toe, waaronder verklaringen en forensisch onderzoek, en oordeelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan hypotheekfraude met valse documenten, bezit van grote hoeveelheden XTC-pillen, en illegaal wapenbezit. De valsheid in geschrifte betrof een gefingeerd dienstverband om uren als zelfstandige te compenseren.

Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, het justitiële verleden van verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Gezien de aard van de feiten en de omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en bevestigde verder de geldboete en verbeurdverklaring. De straf weerspiegelt de ernst van de fraude, drugshandel en wapenbezit, maar houdt ook rekening met persoonlijke omstandigheden en de lange duur van de procedure.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 50.000 wegens witwassen, opiumwet- en valsheid in geschriftezaken.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001016-19
Uitspraak : 20 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 maart 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-879840-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
BRP-adres: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van het onder feit 1 onderdelen B en C tenlastegelegde.
De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
- ‘witwassen’ (feit 1 onderdeel A);
- ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid aanhef
en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2);
- ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het
feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het
feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 3);
- ‘opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste
lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat
gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd’ (feit 4),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van € 50.000,00 subsidiair 285 dagen hechtenis voor feit 1 en feit 4.
Voorts heeft de rechtbank de in het dictum van het vonnis genoemde onder de verdachte inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis op 1 april 2019 hoger beroep ingesteld .
Het hoger beroep van de officier van justitie is ingetrokken bij akte van 3 mei 2019.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen onder feit 1 onderdelen A en C, feit 2, feit 3 en feit 4 is tenlastegelegd en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke geldboete van € 50.000,00 subsidiair 225 dagen hechtenis en voorts dat het hof het geldbedrag van € 97.710,00 zal verbeurdverklaren als bijkomende straf voor feit 1 onderdeel C.
Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde. De raadsman heeft verklaard dat het hoger beroep niet is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 3. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen en aanvullen met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht nu het hof heeft geconstateerd dat ingevolge het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, dit wetsartikel van toepassing is.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Feit 4
In het tweede bewijsmiddel op pagina 5 van het vonnis, een werkgeversverklaring op naam van [verdachte] d.d. 19 januari 2007, wordt in de eerste zin van het bewijsmiddel na ‘ [bedrijf] ’ ingevoegd: ‘gevestigd [adres 2] ’ en wordt na ‘ [verdachte] ’ ingevoegd: ‘geboren [geboortedag] 1966’.
In het derde bewijsmiddel op pagina 5 van het vonnis, een loonstrook op naam van [verdachte] , wordt na ‘ [bedrijf] ’ ingevoegd: ‘ [adres 2] ’, wordt na ‘ [verdachte] ’ ingevoegd: ‘ [adres 3] ’ en wordt ‘2017’ gewijzigd in: ‘2007’.
Verder dient aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 4 te worden toegevoegd:
De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van6 maart 2026:
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik op 26 juni 2018 tijdens mijn getuigenverhoor door medewerkers van de Federale Gerechtelijke Politie (FGP) Hasselt (België) in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op mijn broer [betrokkene] , heb verklaard:
“Met betrekking tot de loonbrief kan ik zeggen dat [betrokkene] mij even op de loonlijst had gezet om de uren die ik gemaakt had voor de beveiliging van [bedrijf] te compenseren. Anders moest ik een factuur maken. Dit wou [betrokkene] niet… Het is een voordeel geweest voor [betrokkene] .”Dat klopt.
Feit 1AIn het derde bewijsmiddel op pagina 7 van het vonnis, een akte van levering d.d. 20 maart 2007, bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 10 februari 2017 wordt in de tweede zin van het bewijsmiddel ‘34’ gewijzigd in: ‘24’.
Feit 2In het vierde bewijsmiddel op pagina 10 van het vonnis, het NFI rapport identificatie van drugs en precursoren met zaaknummer 2014.07.08.016 d.d. 14 juli 2014, wordt na de opgenomen tabel ingevoegd: ‘MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.’
Verder dient aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 te worden toegevoegd:
Een proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 10 februari 2015, pag. 1-193 tot en met 1-319, voor zover inhoudende:(Pag. 1-193)
Tijdens de doorzoeking ( [adres 4] ) werden goederen in beslag genomen.
(Pag. 1-198)
Hieronder zal per afzonderlijk goed een nadere omschrijving worden gegeven.
(Pag. 1-264)
Goednummer 21HEN14034_215662

Soort goed Boodschappentas met blauwe pillen.

Plaats aantreffenDeze boodschappentas met blauwe pillen is aangetroffen op debegane grond garage + zolder, in Albert Heijn tas op de grond.

Onderzoek pillenDe boodschappentas met blauwe pillen is voor nader onderzoekovergedragen aan afdeling Forensisch Technisch Onderzoek/Nederlands Forensisch Instituut. Betreffen 15.158 stuks XTC pillen,met als bestanddeel MDMA.

Feit 3In het tweede bewijsmiddel op pagina 11 van het vonnis, het proces-verbaal onderzoek wapen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] op 8 juli 2014, wordt de zin die volgt op ‘Munitie (BHV goednummer 807401, SIN AAGR4826NL):’ geschrapt en vervangen door: ‘Ik zag dat bij dit pistool 4 centraalvuur volmantel kogelpatronen aanwezig waren van het kaliber 9x19 millimeter, afkomstig uit het patroonmagazijn dat bij bovengenoemd pistool werd aangetroffen.’
In het derde bewijsmiddel op pagina 11 van het vonnis, het proces-verbaal onderzoek wapen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] op 8 juli 2014, wordt in de eerste zin ‘BHV’ gewijzigd in: ‘BVH’ en wordt ‘SINAAGX58487NL’ gewijzigd in: ‘SINAAGX5487NL’.
In het vierde bewijsmiddel op pagina 11-12 van het vonnis, het proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] op 24 september 2014, wordt na ‘Beschrijving Kogelpatroon PL2000-2014132634-G1168309: (...) kaliber 9 mm, 1 stuk. (...)’ ingevoegd: ‘Beschrijving Kogelpatronen PL2000-2014132634-G1168322: (...) kaliber 9 mm, 4 stuks. (...)’ en wordt na ‘Beschrijving stroomstootwapen PL2000-2014132634-G1168332: (...)’ ingevoegd: ‘Het hiervoor omschreven in beslag genomen voorwerp is een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht.’
Verbetering van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4
Het hof vervangt de bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 4 door:
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman vrijspraak bepleit van het onder feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat de verdachte betwist dat de werkgeversverklaring en de loonstrook van januari 2007 vals of vervalst zijn nu de verdachte in 2007 een loondienstverhouding had met [bedrijf] , althans dat zulks thans niet (meer) als volstrekt onaannemelijk uit te sluiten valt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 maart 2026 heeft de verdachte verklaard dat zijn (inmiddels overleden) broer [betrokkene] , (destijds) directeur van [bedrijf] , hem even op de loonlijst van [bedrijf] had gezet om de uren te verrekenen/compenseren die de verdachte met zijn eenmanszaak gemaakt had voor de beveiliging van [bedrijf] Dat betekent dat uren die de verdachte als zelfstandig ondernemer heeft gemaakt achteraf zijn gebracht onder een gefingeerd dienstverband met [bedrijf] Door te verklaren zoals hij heeft gedaan, erkent de verdachte dat van een gefingeerd dienstverband sprake is. Dat betekent dat de werkgeversverklaring en de loonstrook van januari 2007 van [bedrijf] vals zijn en dat de verdachte dat wist. Op die werkgeversverklaring en loonstrook zijn immers salarisgegevens van de verdachte vermeld en is [bedrijf] als werkgever van de verdachte vermeld. Voorts is op de werkgeversverklaring als naam werknemer de naam van de verdachte vermeld, is als datum van indiensttreding vermeld: 1 januari 2007 en is vermeld dat de werknemer (verdachte) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft of is aangesteld in vaste dienst. De verdachte heeft verklaard dat hij deze loonstrook en werkgeversverklaring heeft ingebracht bij de aanvraag van een hypotheek ten behoeve van de aankoop van het perceel en de woning staande en gelegen aan [adres 4] .
Dat de verdachte niet daadwerkelijk bij [bedrijf] in loondienst heeft gewerkt in 2007 en dat de werkgeversverklaring en de loonstrook van januari 2007 dus vals zijn, volgt tevens uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuige [getuige] inhoudende dat hij de verdachte alleen de eerste jaren na 1994 weleens op het bedrijf heeft gezien en dat hij het vanuit zijn functie van boekhouder bij [bedrijf] zou hebben geweten als de verdachte nadien (ook nog) in loondienst zou zijn geweest bij [bedrijf]
Bij e-mailbericht aan het hof d.d. 23 februari 2022 heeft de verdediging als onderzoekswens kenbaar gemaakt het horen van de getuige [getuige] . Deze getuige was op dat moment reeds overleden. Dat de verdediging aldus de mogelijkheid is ontnomen de getuige [getuige] in hoger beroep (nader) te bevragen, maakt naar het oordeel van het hof, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet dat de verklaringen van de getuige [getuige] die zich in het dossier bevinden buiten beschouwing dienen te blijven voor het bewijs ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat de verdediging op 30 mei 2017 in de gelegenheid is geweest om de getuige tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris te bevragen. Gelet op hetgeen de verdediging dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 maart 2026 heeft aangevoerd, is het belang dat de verdediging stelt te hebben om de getuige [getuige] in hoger beroep nader te kunnen bevragen met name gelegen in de brief aan de verdachte d.d. 1 maart 2007 inhoudende de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met [bedrijf] met als afzender (wijlen) [betrokkene] , (voormalig) directeur van [bedrijf] Deze brief, die afkomstig zou zijn uit de privé-administratie van [betrokkene] en waarover de verdachte pas eind 2021/begin 2022, een aantal jaren na het overlijden van [betrokkene] , de beschikking zou hebben gekregen, is door de raadsman voorafgaand aan de terechtzitting d.d. 24 februari 2022 aan het hof toegezonden waarna er ten aanzien van de handtekening onder die brief een vergelijkend handschriftonderzoek heeft plaatsgevonden.
Wat er ook zij van die brief en de uitkomsten van dat onderzoek, naar het oordeel van het hof doet die brief niet af aan de valsheid van de werkgeversverklaring en de loonstrook van januari 2007 en de wetenschap van de verdachte daaromtrent nu op basis van de hiervoor vermelde verklaring van de verdachte – kort gezegd inhoudende dat zijn broer [betrokkene] hem even op de loonlijst van [bedrijf] had gezet om de uren die de verdachte als zelfstandig ondernemer ten behoeve van [bedrijf] had gemaakt te verrekenen/compenseren – moet worden vastgesteld dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen de verdachte en [bedrijf] en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
Gelet op vorenstaande heeft de verdachte geen belang meer bij het nader horen van [getuige] . Het hof acht het tenlastegelegde onder feit 4 wettig en overtuigend bewezen. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Kwalificatie van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225,

eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,
meermalen gepleegd.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte voor feit 1 onderdelen A en C en de feiten 2, 3 en 4 te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest alsmede een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,00 subsidiair 225 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal voor feit 1 onder C verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 97.710,00 gevorderd als bijkomende straf.
De verdediging heeft het hof verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het ondergane voorarrest op te leggen, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel aangevuld met een taakstraf voor de duur zoals door het hof dienstbaar wordt geacht, een en ander gelet op de ouderdom van de feiten, de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Een geldboete zoals in eerste aanleg is opgelegd acht de verdediging disproportioneel, zeker gezien het tijdsverloop in deze zaak.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hypotheekfraude en aan witwassen van het uit dat misdrijf afkomstige geldbedrag. De verdachte heeft ten behoeve van zijn hypotheekaanvraag gebruik gemaakt van valse documenten. In het economische verkeer spelen hypothecaire geldleningen een belangrijke rol. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvrager is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Door gebruikmaking van valse documenten heeft de verdachte afbreuk gedaan aan de belangrijke bewijsfunctie hiervan en heeft hij bovendien misbruik gemaakt van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker. Deze dient er namelijk van uit te kunnen gaan dat overgelegde bescheiden naar waarheid zijn opgemaakt. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer en van de samenleving in het algemeen.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een groot aantal XTC-pillen (bevattende MDMA) en het voorhanden hebben van (vuur)wapens, patroonhouders en munitie. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaan de handel en het gebruik van verdovende middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Daarnaast overweegt het hof dat het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen het risico op een levensbedreigend geweldsdelict verhoogt. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook daarmee heeft het hof rekening gehouden.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof heeft bij het bepalen van de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd alsmede bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten geven thans als indicatie voor de op te leggen straf bij het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (in een woning): een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en voor het voorhanden hebben van een schietpen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Voor het aangetroffen stroomstootwapen, de patroonhouders en de munitie kunnen als indicatie geldboetes worden opgelegd. Bij fraude met een benadelingsbedrag van in totaal € 250.000,00 tot € 500.000,00 gaan de LOVS-oriëntatiepunten uit van een bandbreedte van 12 tot 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ten slotte gaan de oriëntatiepunten bij het aanwezig hebben van harddrugs met een gewicht tussen de 7.000 en 8.000 gram uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarbij geldt dat 1 pil harddrugs gelijk staat aan een hoeveelheid van 0,5 gram.
Er zijn ook feiten en omstandigheden die het hof in strafmatigende zin zal meewegen. Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, in het bijzonder dat de verdachte mantelzorger is voor zijn 86-jarige moeder, dat hij een baan heeft als zelfstandig ondernemer en dat hij belast is met de afwikkeling van de nalatenschap van zijn overleden broer [betrokkene] . Tevens houdt het hof in strafmatigende zin rekening met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft in een zaak als dit als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen
2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in dit geval de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 1 juli 2014 – vonnis wijst. Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een langere termijn dan 2 jaren in dit geval heeft te gelden of het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk voor rekening van de verdachte doen komen is het hof niet gebleken. Nu de rechtbank op 21 maart 2019 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg geschonden met ongeveer 2 jaar en
9 maanden. De redelijke termijn voor berechting in hoger beroep is met bijna 5 jaar overschreden, nu door de verdachte hoger beroep is ingesteld op 1 april 2019 en het hof op 20 maart 2026 – en daarmee niet binnen de termijn van 2 jaren – arrest wijst. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een overschrijding van deze duur rechtvaardigen.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als in hoger beroep aanzienlijk is overschreden, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend is.
Het hof ziet, met name gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, onvoldoende grond om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en al dan niet aangevuld met een taakstraf zoals de raadsman heeft bepleit.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
kwalificeert het onder 2 en 4 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 20 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.