Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:877

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-001147-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling met blijvend oogletsel en diefstal

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 31 maart 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte werd primair beschuldigd van zware mishandeling en diefstal. Na wijziging van de tenlastelegging heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 4 januari 2022 het slachtoffer met een bord in het gezicht sloeg, wat leidde tot blijvend oogletsel, breuken in het gezicht en een litteken. Tevens werd bewezen verklaard dat de verdachte op 3 januari 2025 24 blikjes Red Bull heeft gestolen.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens onvoldoende bewijs en betwistte de omvang van de immateriële schade, maar het hof verwierp deze verweren. Het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door met kracht te slaan. De ernst van het letsel, waaronder blijvende blindheid aan het rechteroog, werd als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd de vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding van €30.914,00 toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling aan de Staat der Nederlanden ten behoeve van het slachtoffer, met een gijzelingsmogelijkheid bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf en toewijzing van schadevergoeding van €30.914 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001147-25
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 17 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-117949-23 en 01-002136-25, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1981,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘zware mishandeling’ (het primair tenlastegelegde inzake 01-117949-23) en ‘diefstal’ (het tenlastegelegde inzake 01-002136-25) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Tevens heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] volledig toegewezen tot een bedrag van € 30.914,00, bestaande uit € 914,00 aan materiële schade en € 30.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening inzake de materiële schade en vanaf 4 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening inzake de immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd, ingeval het hof van oordeel is dat het vonnis vanwege de wijziging tenlastelegging in hoger beroep niet kan worden bevestigd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en conform dit vonnis zal beslissen.
De verdediging heeft ten aanzien van parketnummer 01-117949-23 primair vrijspraak bepleit en zich op het standpunt gesteld dat, zo begrijpt het hof, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet toegewezen dient te worden. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde en is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging subsidiair bepleit dat het toe te wijzen bedrag met betrekking tot de immateriële schade zal worden gematigd tot € 10.000,00. Ten aanzien van het tenlastegelegde inzake 01-002136-25 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 01-117949-23:
hij op of omstreeks 4 januari 2022 te Oss, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten, (blijvend) oogletsel en/of (een) breuk(en) in het gezicht en/of (een) litteken(s) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan met een bord, althans door het gezicht van die [slachtoffer] hard in aanraking te brengen met een bord;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 januari 2022 te Oss, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het lichaam, heeft geslagen met een bord, althans het gezicht van die [slachtoffer] hard in aanraking heeft gebracht met een bord, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 januari 2022 te Oss, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan met een bord, althans door het gezicht van die [slachtoffer] hard in aanraking te brengen met een bord, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvend) oogletsel en/of (een) breuk(en) in het gezicht en/of (een) litteken(s) ten gevolge heeft gehad;
Zaak met parketnummer 01-002136-25:
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Oss 24 blikjes Red Bull, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 primair en in de zaak met parketnummer 01-002136-25 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 01-117949-23:
hij op 4 januari 2022 te Oss, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvend oogletsel en breuken in het gezicht en een litteken heeft toegebracht, door die [slachtoffer] eenmaal in het gezicht te slaan met een bord;
Zaak met parketnummer 01-002136-25:
hij op 3 januari 2025 te Oss, 24 blikjes Red Bull, die aan [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 01-117949-23:
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2022034170, gesloten d.d. 14 april 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 60). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan:

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 februari 2022 (p. 7-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van zware mishandeling. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte mij zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit beschadiging van mijn rechteroog en breuken in mijn oogkas en jukbeen. Ik heb geen zicht meer in mijn rechteroog.
Ik ben woonachtig aan [adres] . Op 4 januari 2022, omstreeks 09:00 uur, bevond ik mij in mijn woning. Bij mij logeerde [verdachte] . [verdachte] zat op de ene bank en ik op de andere. [verdachte] zat rechts van mij op de bank.
Ik vertelde [verdachte] dat ik zeker wist dat mijn bankpas op tafel lag. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij mijn ‘kankerbankpas’ niet had. Ik weet niet wat [verdachte] deed, maar hij draaide helemaal door. Ik kreeg in een keer een klap in mijn gezicht. Ik riep naar [verdachte] : “wat flik je me nou, wat was dat?” Ik hoorde [verdachte] zeggen dat het een bord was. Het bord heeft [verdachte] van tafel gepakt. Ik voelde dat er bloed uit mijn gezicht kwam. Ik zag dat het bloed uit mijn gezicht spoot.
Bij de huisarts hebben ze scherven uit mijn gezicht gehaald en de wond gelijmd. Ik ben vrij snel hierna teruggegaan naar de huisarts omdat mijn oog erg dik werd. Ik had erg veel pijn. De huisarts heeft mij toen pijnstillers voorgeschreven. Op 5 januari ben ik wederom naar de huisarts gegaan. Ik ben door de huisarts doorverwezen naar ziekenhuis [ziekenhuis 1] . Op 6 januari ben ik weer teruggegaan naar [ziekenhuis 1] omdat er vocht uit de wond kwam lopen. Ik kreeg hierop antibiotica via een infuus ingebracht en moest in het ziekenhuis blijven. Op 7 januari 2022 ben ik met een ambulance overgebracht naar het [ziekenhuis 2] ziekenhuis te Nijmegen omdat ze vreesden dat ik mijn oog kwijt zou raken. Het was op dat moment al zeker dat er blijvende schade aan mijn oog was. Ik bleek een ontsteking in mijn oog te hebben waardoor mijn hoornvlies oploste. Ik ben twee keer geopereerd in het ziekenhuis en heb totaal 11 dagen in het ziekenhuis gelegen. In de medische verklaring staat ook dat ik blijvend blind zal zijn met mijn rechteroog.
Ik heb psychisch ook veel last van deze mishandeling. Mensen staren mij aan omdat ik zichtbaar letsel aan mijn oog heb. Ik kan mijn oog niet volledig openen en ik heb een groot litteken in mijn gezicht. Het kan maanden duren voordat de zenuwen rondom mijn oog nog enigszins herstellen. Ze zijn er niet zeker van dat dit ook beter gaat worden.

2. Een geschrift, te weten een brief van het [ziekenhuis 2] d.d. 24 januari 2022 met kenmerk 2022-01-13 (p. 14-15), voor zover inhoudende als verklaring van [arts 1] (arts-assistent KNO) en dr. [arts 2] (KNO-arts, aandachtsgebied Aangezichtschirurgie):

Onderwerp:
[slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1969, [adres] .
Bovengenoemde patiënt [slachtoffer] was opgenomen van 07-01-2022 tot 18-01-2022 op Verpleegafdeling Hoofd Hals Chirurgie wegens: intra-orbitaal abces rechts.
Conclusie: Incisie en drainage van intraorbitaal abces rechts (FESS en laterale incisie wenkbrauw) met stabiele fracturen zygoma, orbita onderwand en sinus maxillaris voor- en achterwand, waarbij nu blind oog rechts.

3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 maart 2023 (p. 54-56), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: vraag verbalisant
A: antwoord verdachte
V: Waren er destijds, 4 januari 2022, buiten jou en [slachtoffer] , nog andere personen
in de woning van [slachtoffer] (
het hof begrijpt: [adres]) aanwezig?
A: Nee. Wij waren met zijn tweeën.
V: Hoe is dat bord op het oog van [slachtoffer] terecht gekomen?
A: Ik had het bord vast en ging met het bord naar achteren. Ik raakte vervolgens [slachtoffer] met het bord, schijnbaar op zijn oog. Ik zag dat [slachtoffer] bloedde.

4. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 17 maart 2026, voor zover inhoudende:

Op 4 januari 2022 was ik samen met [slachtoffer] in zijn woning aan [adres] . Er was spanning tussen ons. De sfeer was een beetje grimmig. Ik had het bord vast. Het bord raakte het gezicht van [slachtoffer] .
Ten aanzien van het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 01-002136-25:
Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en er geen vrijspraak is bepleit.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2025001967, gesloten d.d. 29 januari 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , agent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 30). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 17 maart 2026;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 januari 2025 (p. 21-25), inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] ;
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2025 (p. 5-7), inhoudende de verklaring van aangever [getuige 1] ;
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 januari 2025 (p. 8-9), inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] ;
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2025 (p. 10-12), inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ;
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2025 (p. 13-15), inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] .
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Zaak met parketnummer 01-117949-23
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven – aangevoerd dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld wat er feitelijk in de woning is gebeurd. Vastgesteld kan worden dat het gezicht van het slachtoffer in aanraking is gekomen met een bord, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer met een bord in het gezicht zou hebben geslagen, dan wel welke handelingen er met welke kracht zijn verricht en welke rol de verdachte daarin had. Derhalve kan niet bewezen worden verklaard of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] zich op 4 januari 2022 tezamen in de woning aan [adres] bevonden . Op enig moment is het slachtoffer met een bord in zijn gezicht geraakt, welk bord de verdachte in zijn hand had. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer oogletsel, een litteken en meerdere breuken in zijn gezicht opgelopen; bij het jukbeen (zygoma), de oogkas (orbita) en in de voor- en achterkant van de kaakholte (sinus maxillaris).
De verdachte heeft onder andere verklaard dat hij het bord vast had, met het bord naar achteren ging, waarna het bord in het gezicht van het slachtoffer kwam, maar dat hij het slachtoffer niet met opzet met een bord in het gezicht heeft geraakt.
Het hof is van oordeel dat de bij het slachtoffer ontstane breuken in het gezicht enkel het gevolg kunnen zijn van het feit dat het bord met veel kracht tegen/in zijn gezicht is gekomen. Dit letsel past derhalve niet bij de lezing van de verdachte van de gebeurtenissen, waarbij enkel sprake zou zijn geweest van het keren van het bovenlichaam van de verdachte richting het slachtoffer terwijl het slachtoffer net op dat moment vanaf de bank naar voren zou zijn gekomen. Het letsel, waaronder breuken in het jukbeen, oogkas en kaakholte, past veeleer bij een toestand die aangever omschreef als één waarbij de verdachte volledig doordraaide. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de zwaaiende beweging met het bord onder de gegeven omstandigheden is aan te merken als een vorm van slaan.
Het hof ziet zich in dezen voor de vraag gesteld of de verdachte door op deze wijze te handelen een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer op de koop toe heeft genomen c.q. de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou zijn ingetreden bewust heeft aanvaard (met andere woorden: of de verdachte zogenoemd voorwaardelijk opzet had). De beantwoording van de vraag of de gedraging de ‘aanmerkelijke kans’ op een bepaald gevolg in het leven roept, is volgens bestendige jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door onverhoeds met veel kracht, in ieder geval de voor dit letsel benodigde kracht, met een bord in het gezicht van het slachtoffer te slaan – een bij uitstek kwetsbaar onderdeel van het lichaam – heeft de verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Tevens blijkt uit het dossier voor het hof genoegzaam dat het letsel dat het slachtoffer [slachtoffer] heeft opgelopen, gezien de aard en ernst van het letsel, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Bovendien is het hof van oordeel dat dit letsel aan de verdachte kan worden toegerekend. De zwelling en infectie van de wond die uiteindelijk geleid hebben tot blindheid aan het rechteroog van het slachtoffer zijn naar het oordeel van het hof een direct gevolg van het letsel dat de verdachte het slachtoffer heeft toegebracht.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wordt het vrijspraakverweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen en acht het hof – evenals de politierechter en met de advocaat-generaal – de primair tenlastegelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Mitsdien verwerpt het hof de verweren van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

zware mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 01-002136-25 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, met blijvend oogletsel, breuken in het gezicht en een litteken als gevolg, door opzettelijk en met kracht een bord tegen het gezicht van het slachtoffer [slachtoffer] te slaan. Als gevolg hiervan is het slachtoffer onder andere blijvend blind aan zijn rechteroog. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hoewel het incident inmiddels ruim 4 jaren geleden is, blijkt uit het ter terechtzitting besprokene dat hij nog elke dag met de beperkingen als gevolg van de blindheid aan één oog wordt geconfronteerd.. Ook wordt hij telkens geconfronteerd met de zichtbaarheid van zijn letsel.
Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijk handelen veroorzaakt overlast en ergernis aan de gedupeerden. De verdachte heeft voor die gevolgen kennelijk geen oog gehad en zich slechts laten leiden door eigen financieel gewin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 december 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld is voor vermogensdelicten en mishandeling. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof onder andere acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 3 april 2025. Hieruit volgt dat sprake is van hardnekkige middelenproblematiek (methadon, heroïne, cocaïne, cannabis en alcohol). De verdachte stond eerder al onder reclasseringstoezicht. Binnen dit toezicht heeft de
reclassering ingezet op een langdurige klinische behandeling. Deze opname is uiteindelijk gestart op 28 november 2024. Op 9 december 2024 is de verdachte echter voortijdig ontslagen uit de kliniek vanwege vermoedens van het binnen smokkelen van middelen en agressief gedrag. Hierom is er op 11 december 2024 een advies voor een voortijdige negatieve beëindiging uitgebracht. Vanwege de inspanningsverplichting van de reclassering is de verdachte nog herhaaldelijk uitgenodigd voor meldplichtafspraken. De verdachte is echter geen enkele keer meer verschenen. Uit dossierinformatie blijkt dat de verdachte zich in het verleden ook niet conformeerde aan de bijzondere voorwaarden voor een klinische behandeling. De reclassering is van mening dat haar mogelijkheden zijn uitgeput. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd zit en hij zijn methadon-gebruik heeft afgebouwd.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Met betrekking tot het procesverloop en de duur daarvan overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak naar vaste rechtspraak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met 1 maand, nu de verdachte op 17 maart 2023 in verzekering is gesteld, het moment waarop de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld, en het vonnis dateert van 17 april 2025.
Gelet op de geringe termijnoverschrijding in eerste aanleg en de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Alles overziend is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 01-117949-23 een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 30.914,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
1. De vordering ziet voor wat betreft de materiële schade op een bedrag van in totaal
€ 914,00. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende posten:
eigen risico 2022 € 385,00;
ziekenhuisdaggeldvergoeding € 372,00;
reiskosten € 157,00.
2. De vordering ziet voor wat betreft de immateriële schade op een bedrag van in totaal
€ 30.000,00.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van
€ 30.914,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening inzake de materiële schade en vanaf 4 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening inzake de immateriële schade.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet inhoudelijk betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag ten aanzien van de immateriële schade dient te worden gematigd tot € 10.000,00.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Toewijzing
Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting het hof is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 914,00.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof dat dit schade betreft als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aard en de omvang van het letsel begroot het hof de schade naar billijkheid op een bedrag ter hoogte van € 30.000,00. Derhalve ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het toe te wijzen bedrag te matigen.
De verdachte is tot vergoeding van bovengenoemde schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag ter hoogte van € 30.914,00 bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade merkt het hof op dat deze schade op verschillende tijdstippen is ontstaan. Het hof zal derhalve bij wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente ter zake van de materiële schade zal aanvangen op 7 februari 2023, zijnde het moment van de afrekening van het eigen risico, tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade zal het hof bepalen dat de wettelijke rente zal aanvangen op 4 januari 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in de zaak met parketnummer 01-117949-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 30.914,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 30.914,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 161 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 primair en in de zaak met parketnummer 01-002136-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 primair en het in de zaak met parketnummer 01-002136-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 30.914,00 (dertigduizend negenhonderdveertien euro) bestaande uit
€ 914,00 (negenhonderdveertien euro) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 ten aanzien van de materiële schade en vanaf 4 januari 2022 ten aanzien van de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-117949-23 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 30.914,00 (dertigduizend negenhonderdveertien euro) bestaande uit € 914,00 (negenhonderdveertien euro) materiële schadevergoeding en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 ten aanzien van de materiële schade en vanaf 4 januari 2022 ten aanzien van de immateriële schade tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 161 (honderdeenenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.