Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:888

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-001291-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling en bedreiging van echtgenote met voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor mishandeling en bedreiging van zijn echtgenote. De mishandeling bestond uit het met kracht vastpakken en knijpen in de bovenarmen, wat leidde tot zichtbaar letsel en pijn. De bedreiging betrof een dreigement met de dood, gehoord door de dochter van het slachtoffer via de telefoon.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan opzet en overtuiging, maar het hof verwierp deze verweren op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen en vastgestelde letselschade. Het hof achtte bewezen dat de verdachte willens en wetens de reële kans aanvaardde dat hij pijn en letsel zou veroorzaken.

De straf is een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van 3 jaar, inclusief een contactverbod en locatieverbod. De verdachte is tevens veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €650 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Het hof hield rekening met het ontbreken van een strafblad, het reclasseringsadvies en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De opgelegde straf weerspiegelt de ernst van het bewezenverklaarde en dient tevens recidive te voorkomen.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met bijzondere voorwaarden en een immateriële schadevergoeding van €650 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001291-25
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-022171-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1960,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
  • mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote (het onder 1 tenlastegelegde) en
  • bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (het onder 2 tenlastegelegde)
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel heeft de politierechter naast de algemene voorwaarden tevens bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een locatieverbod, inhoudende dat de veroordeelde zich niet zal ophouden in [plaats] binnen een straal van 250 meter van de woning aan [adres] , en een contactverbod met [slachtoffer] , waarbij aan de reclassering de opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 350,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden conform de beslissing van de politierechter. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vordering kan toewijzen tot een bedrag van € 650,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025. Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat het hof het toe te wijzen bedrag zal matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en zal in zoverre opnieuw rechtdoen.
Bovendien worden de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen vervangen op de wijze als hierna vermeld.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van opzet op het veroorzaken van pijn en/of letsel. Hiertoe is door de raadsvrouw aangevoerd dat volgens de verdachte er wel een ruzie of schermutseling zou hebben plaatsgevonden, maar dat de verdachte het slachtoffer daarbij slechts heeft vastgepakt om haar tegen te houden. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, vanwege een gebrek aan overtuiging. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft ontkend dergelijke uitspraken te hebben gedaan en stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat er sprake is van een discrepantie in de verklaringen van de dochter van het slachtoffer. Zo zou deze getuige in eerste instantie hebben verklaard dat zij van het slachtoffer zou hebben gehoord dat de verdachte bedreigingen zou hebben geuit, terwijl zij vervolgens heeft verklaard dat ze de door de verdachte geuite bedreigingen zelf via de telefoon heeft gehoord, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdachte, nadat hij in zijn verhoor bij de politie had verklaard dat hij het slachtoffer niet bij de bovenarmen zou hebben gepakt, maar slechts op haar borst zou hebben tegengehouden, ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het slachtoffer bij het tegenhouden wel bij haar armen heeft vastgepakt. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat hierbij wel degelijk sprake is geweest van opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel. Het hof leidt dit onder andere af uit de aangifte van het slachtoffer waarin zij heeft verklaard dat de verdachte haar hard bij haar bovenarmen vastpakte en dat dit haar erg veel pijn deed. Terwijl zij probeerde de woning te ontvluchten, werd het slachtoffer meermaals hardhandig in een stoel (terug-)geduwd. Het slachtoffer heeft verklaard dat dit haar steeds weer pijn deed. Uiteindelijk is zij naar de buren gevlucht. Bij aankomst van de verbalisanten bij de buren van het slachtoffer verklaarde het slachtoffer dat zij onder andere hard in haar bovenarmen is geknepen. De verbalisanten hebben letsel geconstateerd bij het slachtoffer. Dit letsel betrof in eerste instantie slechts twee kleine plekjes op de bovenarmen van het slachtoffer. Wanneer de verbalisanten na de aanhouding van de verdachte terug bij het slachtoffer komen om haar te horen, zien zij dat het letsel steeds zichtbaarder wordt en dat het slachtoffer inmiddels verschillende blauwe plekken op haar bovenarmen heeft. Dit sterkt het hof in de overtuiging dat sprake moet zijn geweest van letsel dat kort daarvoor is toegebracht en dat dit hard en met kracht moet zijn gebeurd. Het hof is derhalve van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de omschreven pijn en het letsel bij het slachtoffer is ontstaan door het met kracht vastpakken van en het knijpen in de bovenarmen van het slachtoffer door de verdachte. Door op voornoemde wijze het slachtoffer (meermaals) vast te pakken heeft de verdachte willens en wetens de reële kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor pijn zou ondervinden vinden en/of letsel zou oplopen.
Dit alles past ook goed bij het tenlastegelegde onder feit 2 dat in wezen gelijktijdig plaatsvond. De verdachte heeft verklaard dat hij op het desbetreffende moment boos was en dat hij uit boosheid dingen heeft gezegd. Hij had juist daarvoor te horen gekregen dat het slachtoffer, zijn echtgenote, officieel van hem wilde scheiden en dat hij het huis uit moest. De verdachte verklaarde bij de politie dat hij boos was en gek ervan werd dat hij een brief had gehad van een advocaat waarin stond dat hij de woning moest verlaten. Volgens het slachtoffer is hij op dat moment verbaal en fysiek agressief naar haar geworden. Tijdens deze gebeurtenissen heeft het slachtoffer op enig moment haar telefoon kunnen opnemen toen haar dochter haar opbelde. Uit de verklaring van deze dochter, getuige [getuige] , d.d. 20 januari 2025 volgt dat via de telefoon voor deze dochter duidelijk hoorbaar was dat haar ouders ruzie hadden, dat haar moeder in paniek was en dat haar moeder riep dat haar vader riep dat hij haar zou vermoorden en dat zij, de getuige, dat zelf ook door de telefoon hoorde. Eén dag later, 21 januari 2025, heeft deze getuige tegenover de politie verklaard dat zij door de telefoon hoorde dat haar vader in het Turks riep dat hij haar moeder ging vermoorden en dat haar moeder zei dat zij, de getuige, snel moest komen omdat haar vader haar wilde vermoorden. De dochter heeft op dat moment de politie ingelicht, die kort daarop aankwam bij het adres van de buren waar het slachtoffer op dat moment was. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, vermag het hof niet in te zien dat er sprake is van een discrepantie in de verklaringen van de getuige. Uit beide verklaringen volgt immers dat zij de door de verdachte geuite bedreigingen zelf door de telefoon heeft gehoord en tevens van het slachtoffer heeft gehoord dat de verdachte bedreigingen heeft geuit. In het licht van deze omstandigheid acht het hof de verklaring van het slachtoffer, welke verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de getuige, geloofwaardig en schuift het hof de verklaring van de verdachte dat hij deze bedreigingen niet zou hebben geuit terzijde.
Mitsdien verwerpt het hof de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn echtgenote. De verdachte heeft zijn echtgenote mishandeld door haar met kracht bij haar bovenarmen vast te pakken en hierin te knijpen, waardoor zij letsel aan haar bovenarmen heeft opgelopen. Ook heeft hij gedreigd haar te willen vermoorden. Dit heeft een diepe indruk op het slachtoffer achtergelaten. Het slachtoffer heeft nog altijd veel last van het letsel dat haar tijdens de mishandeling is toegebracht en zij was zodanig angstig en in paniek dat zij het huis ontvlucht is naar de buren. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, waar zij nog altijd mee kampt. De mishandeling vond plaats in de woning van de verdachte en zijn echtgenote. De huiselijke omgeving betreft bij uitstek een omgeving waar eenieder zich veilig behoort te voelen. De verdachte heeft met zijn handelwijze zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Tevens heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 26 februari 2025. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking kwam, maar dat de situatie in het gezin veranderde rond half december 2024 toen er in korte tijd meerdere meldingen kwamen. Hulpverlening en adviezen van hulpverlening worden door de verdachte afgewezen en hij lijkt zijn eigen plan te trekken. Dit leidt tot zorgen bij Veilig Thuis, hulpverlening en de politie. De verdachte toont weinig probleembesef en legt de verantwoordelijkheid voor de ontstane problemen alsmede de oplossing daarvoor buiten zichzelf. Het risico op recidive wordt door de reclassering echter als laag ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de raadsvrouw ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte in Turkije woont alwaar een huis gebouwd zou worden en dat er nog veel spanningen zijn als gevolg van de fraude waar hij slachtoffer van is geworden.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Daarnaast ziet het hof grond om aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarden te verbinden een contactverbod met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 1960) en een locatieverbod, inhoudende dat de verdachte zich niet zal ophouden binnen een straal van 250 meter van de woning aan [adres] .
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 650,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en is de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het gevorderde bedrag te hoog zou zijn.
Toewijzing
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 1 nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft, zo volgt uit het strafdossier, als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 650,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 1 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 650,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 650,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal (doen) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1960;
  • zich niet zal bevinden binnen een straal van 250 meter van de woning aan [adres] .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 650,00 (zeshonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 (zes) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.