In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en hennep in de periode van 15 februari 2021 tot en met 29 maart 2021.
De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €683.463,75 en een betalingsverplichting opgelegd, met een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling. Betrokkene stelde primair dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen en subsidiair dat het vastgestelde voordeel te hoog was.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het bevestigde de veroordeling voor medeplegen en verwierp het primaire verweer van betrokkene. Het hof stelde het voordeel vast op €170.865, gebaseerd op een schatting van het totale voordeel uit de handel in verdovende middelen van €1.366.927,50 in de periode van 1 juli 2017 tot en met 29 maart 2021, waarvan 25% aan betrokkene en medebetrokkene toerekenbaar werd geacht.
De betalingsverplichting aan de Staat werd opgelegd voor dit bedrag, met een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling. Het arrest werd gewezen door mr. S.C. van Duijn, mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes op 26 maart 2026.