Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:891

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
20-002286-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens opzettelijk vervoeren van oxycodon en fentanyl in strijd met Opiumwet

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 80 uur. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter wegens onvoldoende motivering en verklaarde bewezen dat de verdachte op 3 september 2024 te Tilburg ongeveer 300 pillen oxycodon en 5 fentanylpleisters vervoerde, middelen die onder lijst I van de Opiumwet vallen. De verdediging voerde aan dat het geringe gewicht en de hoeveelheid werkzame stof strafmatigend moesten worden meegewogen, maar het hof verwierp dit.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het justitiële verleden van de verdachte, die eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld, en met een reclasseringsadvies dat bijzondere voorwaarden aanbeval. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar op, een taakstraf van 100 uur, en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, dagbesteding en schuldhulpverlening. De inbeslaggenomen middelen werden onttrokken aan het verkeer, waarvan de verdachte afstand deed.

De uitspraak benadrukt de ernst van het feit en het belang van volksgezondheid, waarbij het hof onvoldoende reden zag om de straf te matigen ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met proeftijd en een taakstraf van 100 uur wegens opzettelijk vervoeren van oxycodon en fentanyl.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002286-25
Uitspraak : 1 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 28 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-155300-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d. 22 augustus 2025, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d. 22 augustus 2025, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Tilburg opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 300 pillen (van elk 10 milligram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende oxycodon en/of ongeveer 5 matrixpleisters (van elk 12 µg/uur), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende fentanyl, zijnde oxycodon en/of fentanyl (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 3 september 2024 te Tilburg opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 300 pillen (van elk 10 milligram) oxycodon en 5 matrixpleisters (van elk 12 µg/uur) fentanyl, zijnde oxycodon en fentanyl telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Nu de verdachte het bewezenverklaarde ter zitting in hoger beroep heeft bekend en er geen vrijspraakverweer dienaangaande is gevoerd, zal het hof ingeval van cassatie overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte in hoger beroep.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de strafoplegging door de politierechter, bestaande uit een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d.
22 augustus 2025, alsmede een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om een voorwaardelijke geldboete of een voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het geringe gewicht van de pillen en/of de geringe hoeveelheid werkzame stof in de pillen en pleisters die de verdachte bij zich had. De raadsman heeft verzocht om aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d. 22 augustus 2025 en om de proeftijd te beperken tot een jaar gelet op het advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden voor de duur van een jaar op te leggen om gewenning van de verdachte aan hulpverlening in de vorm van reclasseringsbemoeienis te voorkomen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van medicijnen (pillen en pleisters) die middelen bevatten die vermeld zijn op lijst I behorend bij de Opiumwet. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gebruik van harddrugs bevorderd en in stand gehouden. Dat gebruik kan ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De verdachte heeft zich van voornoemd belang van de volksgezondheid kennelijk niets aangetrokken. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde, namelijk in juli 2017 en in mei 2021 onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten tot een taakstraf en voorwaardelijke vrijheidsstraffen. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging. Daarnaast volgt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook daarmee heeft het hof rekening gehouden.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 22 augustus 2025. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden in de vorm van, kortweg, een meldplicht, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. De reclassering adviseert de bijzondere voorwaarden voor de duur van een jaar op te leggen om gewenning van de verdachte aan hulpverlening in de vorm van reclasseringsbemoeienis te voorkomen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat hij alleenstaand is, twee kinderen heeft, een huurwoning bewoont, schulden heeft, dat hij in het kader van een proefplaatsingsovereenkomst werkt als facilitair medewerker onderhoudsteam voor ongeveer 28 uur per week, onbetaald, met behoud van uitkering en dat zijn werk bestaat uit het onderhouden van twee panden van [werkgever] (een soort conciërge). De proefplaatsingsovereenkomst van de verdachte is voorafgaand aan de zitting in hoger beroep door zijn raadsman in het geding gebracht.
Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d. 22 augustus 2025, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof ziet, met name gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en voormelde eerdere veroordelingen, onvoldoende reden om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf zoals de raadsman heeft bepleit. Het hof ziet ook geen reden om hetgeen de raadsman heeft aangevoerd aangaande het geringe totaalgewicht van de pillen en aldus de nog geringere hoeveelheid werkzame stof in de pillen die de verdachte bij zich had, als strafmatigend aan te merken. Wat daar ook van zij, dat doet er niet aan af dat, indien alleen al wordt uitgegaan van de pillen, de verdachte 300 gebruikerseenheden harddrugs bij zich had.
Met deze strafoplegging heeft het hof naar zijn oordeel reeds in vergaande mate rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zonder dergelijke persoonlijke omstandigheden zou oplegging van een aanmerkelijk hogere straf in de rede hebben gelegen.
Gelet op het advies van de reclassering in voornoemd reclasseringsadvies, zal het hof voorts de bijzondere voorwaarden bestaande uit dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening opleggen voor de duur van een jaar (het eerste jaar van de proeftijd van twee jaren). De bijzondere voorwaarde bestaande uit een meldplicht bij de reclassering geldt daarentegen gedurende de gehele proeftijd van twee jaren. Het is daarbij aan de reclassering om de frequentie en de verdere inhoud van deze meldplicht in deze twee jaren vorm te geven.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter beslist op onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 300 pillen bevattende oxycodon en 5 pleisters bevattende fentanyl en heeft deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte uitdrukkelijk afstand gedaan van deze voorwerpen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen beslissing op enig beslag meer is vereist.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest meldt bij de Verslavingsreclassering [verslavingskliniek] op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- gedurende het eerste jaar van de proeftijd zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- gedurende het eerste jaar van de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,
en op 1 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.