Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[naam verdachte]
uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, onder a, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen”. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat het schorsen van de voorlopige hechtenis ter fine van de executie van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet zelden gepaard gaat met een aantal zwaarwegende praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen brengen, is het hof van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat de schorsing niet wordt bevolen ter fine van executie van een reeds onherroepelijke straf, tenzij er wederom sprake zijn van zwaarwegende persoonlijke belangen.